400
700
900
In De Maat En Uit De Pas. Utrechtse dorpsbesturen 1780-1830.
Schaik, H.W.G. van

In De Maat En Uit De Pas. Utrechtse dorpsbesturen 1780-1830.

Vechtstreek

Universiteit Utrecht (2018)

Genre

  • Historie

Subject

  • Vaderlandse Geschiedenis

Plot

IN DE MAAT EN UIT DE PAS
Utrechtse dorpsbesturen 1780-1830
Auteur: Wim van Schaik
Druk: Dunnebier Print, 2018
ISBN 978-90-393-6980-1

Wim van Schaik heeft een interessant proefschrift geschreven over de positie van de Utrechtse dorpsbesturen in de politiek woelige decennia rond 1800. Politiek-bestuurlijk veranderde er veel in die periode. Een land met een federatief-gewestelijk bestuur veranderde onder Franse invloed in een eenheidsstaat. Daar is veel over geschreven, vooral over het landelijk, gewestelijk en stedelijk bestuur, maar niet of nauwelijks over de veranderende positie van het bestuur op het platteland. De auteur wil inzicht krijgen in de volgende vraagstelling: Was er sprake van continuïteit dan wel verandering in samenstelling, beleid en zeggenschap van de besturen op het Utrechtse platteland in de periode 1780-1830?
De vraagstelling wordt geconcretiseerd in drie onderzoeksvragen: a) wat waren de veranderingen in de organisatie en de bevoegdheden van deze besturen, b) wie zaten er in de dorpsbesturen en welke veranderingen traden daarin op, en c) in hoeverre waren de plattelandsbesturen nu in staat eigen beleid te voeren? Deze drie vragen worden onderzocht in vijf Utrechtse dorpsbesturen: Amerongen, Lopik, Maarssen, Soest en Westbroek over drie tijdsperioden, te weten de tijd van de Republiek (tot 1795), de Bataafs-Franse tijd (1795-1813) en de tijd van het Koninkrijk van Willem I (vanaf 1813). Het bestuur van de vijf geselecteerde dorpen wordt bestudeerd op de volgende beleidsterreinen: algemeen bestuur (onder andere financiën), openbare orde en veiligheid, handel en verkeer, openbare werken, gezondheids- en maatschappelijke zorg, kerk en school.
De resultaten van de studie laten zien dat de vijf dorpsbesturen, afhankelijk van de specifieke lokale omstandigheden, een eigen beleid voerden, ondanks de belemmeringen die daarvoor formeel leken te bestaan. De verschillende aard van de dorpen bracht met zich mee dat er in iedere plaats andere beleidsprioriteiten waren. Maarssen, zo blijkt uit deze studie, wijkt opvallend van de andere bestudeerde gemeenten af door het geringe percentage van de bevolking werkzaam in de landbouw: rond 70 % in de andere gemeenten en slechts 15% in Maarssen. Maarssen valt op door het grote aandeel van de nijverheid (31%) en de zakelijke dienstverlening (26%). De auteur komt tot een interessante constatering wat betreft de eigen aard van de (economische) omstandigheden in Maarssen: de dienstverlening ten behoeve van buitenplaatseconomie speelde er een belangrijke rol. De eigenheid van Maarssen, ook bepaald door de ligging aan de belangrijke verbinding Utrecht-Amsterdam, werkte ook door in de samenstelling van het bestuur. In de dorpsbesturen waren de economisch sterkste sectoren het best vertegenwoordigd. Dat was dus in veel plaatsen de agrarische sector. In Maarssen (en Amerongen) was de hoofdrol echter weggelegd voor niet-agrariërs, ambachtsbazen en herbergiers (!), later ook ambtenaren en vergelijkbare beroepsbeoefenaren.
De conclusie over de mogelijkheid van een eigen lokale beleidsvoering geldt overigens voor alle drie bestudeerde tijdvakken en dat is opvallend omdat de periode van het Keizerrijk en van het Koninkrijk toch bekend staan als periodes van toenemende centralisering van het bestuur. Koning Willem I zette de door het Franse bewind ingezette centralisering met kracht voort. Veel van zijn beleid, bijvoorbeeld op het gebied van de infrastructuur, is mede gemotiveerd door zijn streven naar nationale eenheid.
Jan Simonis