44e jaargang (bladzijde125) nr.4 / IN: Periodiek HKM
‘O oude brandweerkazerne’
Auteurs: Hans van Bemmel
Jan Simonis
Vooraf
Met de afbraak van de oude brandweerkazerne aan de Gaslaan is alweer een karakteristiek gebouw uit Maarssen verdwenen. Een gebouw dat zowel architectonisch als cultuurhistorisch van belang was. Als herinnering aan de oude garage en als eerbewijs aan de toenmalige verantwoordelijk wethouder C.E. Wolff en de mannen van de Vereniging Vrijwillige Brandweer in die jaren - en als pleidooi om in de toekomst voorzichtiger met ons erfgoed om te springen -, volgt hier een kleine geschiedenis van de oude brandweerkazerne aan de Gaslaan.
Een vrijwillige brandweer
‘O oude brandweerkazerne’ was de titel van het afscheidslied, gezongen door het Maarssense brandweerkoor ‘Bluss’, want na 65 jaar, van 1939 tot 2003, verlieten de mannen hun brandweerkazerne aan de Gaslaan om aan de Binnenweg een nieuw gebouw te betrekken. 1). Vóór de bouw van de kazerne aan de Gaslaan in 1939 was de brandweer gehuisvest in het brandspuithuisje in de Breedstraat, nu de Wereldwinkel. Een afbeelding in ‘Utrecht in Woord en Beeld’ uit 1926 toont de manschappen van de vrijwillige brandweer voor het brandspuithuisje en tijdens een demonstratie met de eerste Maarssense ‘automobielbrandspuit’.
In 1936 was Maarssen toe aan een opvolger van de in 1926 gekochte eerste ‘automobielbrandspuit’ want de auto vertoonde nukken en bereikte volgens een officieel rapport slechts sukkelend en met horten en stoten de brand. De nieuwe auto werd op een bijzondere manier gefinancierd, namelijk uit gelden die de brandweermannen zelf hadden bijeengebracht. Over participatiemaatschappij gesproken! Die mannen waren niet alleen vrijwilligers die geheel belangeloos hun taak vervulden maar zij zorgden ook nog eens voor de financiering van het benodigde materieel omdat de gemeente geen geld had. Gedurende twee jaar werden allerlei evenementen georganiseerd, onder andere een tuinfeest in de tuin van De Harmonie en een bazaar. In november 1935 konden de brandweerlieden een bedrag van ruim f 3000,- aan het College van B&W aanbieden voor de aanschaf van de nieuwe autospuit. Ook in latere jaren zou diverse malen blijken hoe stevig de vrijwillige brandweer verbonden was met de lokale gemeenschap. In 1948 waren de gemeentefinanciën wederom niet toereikend om versleten materiaal te vervangen. Met geld van het (particuliere) gasbedrijf, waarvan de commandant van de brandweer, D. Faber directeur was, werden versleten slangen en straalpijpen alsnog vervangen. En in 1950 werd - bij de viering van het 25-jarig bestaan van de ‘Vereniging Vrijwillige Brandweer’ - vanuit de bevolking en de lokale industrie een bedrag van f 7000,- aan de voorzitter van de brandweer overhandigd voor de aanschaf van een nieuwe brandweerauto.
In het boekje ‘Uit de historie van de Maarssense brandweer’ wordt de nieuwe brandweerauto beschreven. “De spuit had een capaciteit van 2000 liter per minuut, 5 atmosfeer druk, Ford V8 motor, 4 persaansluitingen, 2 broekstukken , 4 straalpijpen met stopkraan. Met 6 stralen kon water gegeven worden. Uitgerust met schijnwerper en sirene en met zitplaatsen voor de manschappen binnen, in plaats van buitenop, maakte de spuit grote indruk op de brandweerkorpsen van de omliggende gemeenten”. 2)
Ruimtegebrek in het brandspuithuisje
De aanschaf van de nieuwe brandspuit leidde echter ook tot problemen. Wat was het geval? De auto nam zoveel ruimte in het oude brandspuithuisje in beslag, dat het andere materieel en de manschappen elders ondergebracht moesten worden. Toenmalig ondercommandant Faber bracht uitkomst, hij stelde ruimte beschikbaar in zijn gasfabriek, maar het bleef behelpen. Snel uitrijden bij alarm bleek onmogelijk. In feite werd de brandweer hier geconfronteerd met twee achterliggende ontwikkelingen: de modernisering van de brandbestrijding door de automobilisering en de groei van woningbouw en (grootschalige) industrie die een uitbreiding van het brandweermaterieel noodzakelijk maakten. Het oude brandspuithuisje was absoluut niet berekend op deze moderne ontwikkelingen.
Deze situatie leidde in 1938 tot een voorstel van B&W - met wethouder C.E. Wolff als drijvende kracht - om een geheel nieuwe brandweerkazerne te bouwen. In de raadsnotulen van 28 juni 1938 staat daarover te lezen: “Wij zijn geheel in overeenstemming met het bestuur van de Vrijwillige Brandweer tot de conclusie gekomen, dat het aanbeveling verdient om over te gaan tot de bouw van een nieuwe brandweergarage met droogtoren op een terrein van de N.V. Gasbedrijf te Maarsen – voldoende ruimte biedende voor een reeks van jaren en waarvan de boven de garage gelegen ruimte tevens dienst kan doen voor den luchtbeschermingsdienst, vergaderlokaal voor de brandweer en eventueel andere doeleinden.” 3)
Twee termen in dit voorstel, droogtoren en luchtbeschermingsdienst, verdienen enige toelichting. Vanaf het moment, eind zeventiende eeuw, dat Jan van der Heiden de brandspuit ontwikkelde met losse aangekoppelde slangen, deed zich de vraag voor waar deze slangen gedroogd moesten worden. Drogen was noodzakelijk om schimmelvorming in de slangen te voorkomen want zij waren vaak van natuurlijk materiaal als leer, vlas of katoen gemaakt. Ook vereiste de nieuwe blustechniek regelmatige oefening met het materieel. Kerktorens boden uitkomst: zij vormden bij uitstek de plek waar op grote hoogte geoefend kon worden en de losse slangen verticaal te drogen gehangen konden worden. Veel brandspuithuisjes stonden dan ook in de nabijheid van een kerktoren. De aparte droogtoren bij de brandweergarage vervulde dus de functie die de kerktoren vroeger vervulde. 4) De tegenwoordige slangen zijn van kunststof gemaakt en hoeven niet gedroogd te worden. Zij worden schoongespoten en in de brandweerwagen opgerold.
De luchtbeschermingsdienst (L.B.D.), aldus Wally Smits in zijn boek ‘Maarssen 1940-1945’, was de resultante van een toenemend besef in de jaren dertig van de vorige eeuw dat de moderne oorlogsvoering ook vanuit de lucht zou plaatsvinden en zich niet zou beperken tot militaire objecten, maar eveneens gericht zou zijn op de burgerbevolking. De L.B.D. had dan ook als taak om de burgerbevolking te beschermen tegen aanvallen met brisant- en brandbommen en strijdgassen. Aangezien Maarssen (nog) niet in de directe gevarenzone lag, richtte de organisatie zich in de praktijk “voornamelijk op het doven van de verlichting, de alarmering en het verzorgen van eventuele gewonden.“ 5)
Tijdens de mobilisatie heeft de dienst, onder leiding van de directeur van de gasfabriek, tevens commandant van de brandweer D. Faber, inderdaad gebruik gemaakt van de brandweergarage. In de ruimte boven de garage werd de Centrale Commandopost met radiowacht geïnstalleerd, terwijl de uitkijk- en luisterpost ter signalering van vijandige vliegtuigen gehuisvest werd in de droogtoren. Deze post werd permanent bemand door vier ploegen van twee man, althans dat was de bedoeling, maar in de praktijk kwam er het niet altijd van. Bij onraad zou het sein luchtalarm gegeven worden door de brandweersirene en overgenomen worden door de sirene van de Nederlandse Kininefabriek en de stoomfluit van U. Twijnstra’s Oliefabrieken. 6) Acht maanden na de mobilisatie gebeurde dit voor het eerst.
De nieuwe brandweergarage
Het College legde de raad vier varianten voor de bouw van de nieuwe garage voor: al of niet met kap en al of niet met droogtoren. Gekozen werd uiteindelijk voor de maximale variant: een brandweergarage met kap en droogtoren begroot op f 9800,-. 7) De goedkoopste variant, met plat dak en zonder droogtoren, was begroot op f 7300,-. Het N.V. Gasbedrijf Maarssen had zich bereid verklaard de benodigde grond aan de gemeente af te staan voor het symbolische bedrag van f 1,-. Dit onder de voorwaarde dat wanneer het gasbedrijf in de toekomst grond nodig zou hebben, deze eveneens door de gemeente voor f 1,- ter beschikking gesteld zou worden.
Het ontwerp voor de garage werd gemaakt door de gemeentearchitect C.A. van Beusekom, dezelfde architect die in 1931 aan de Gaslaan het gymnastieklokaal had ontworpen in een sobere variant van de Amsterdamse-Schoolstijl. Ook de brandweergarage werd in deze stijl ontworpen. Vervolgens vond de aanbesteding plaats waarop werd ingeschreven door verscheidene Maarssense aannemers: Van den Engel, Van Fulpen, De Heul, Brinkhof, Van Vredendaal, Slager en Wiegeraad. Uiteindelijk werd het werk gegund aan de laagste inschrijver A. Slager die het werk zou uitvoeren voor een bedrag van f 7775,-. Het schilderwerk werd apart uitbesteed. De Maarssense schilders Grimm, Siero, Telkamp en Van Ede deden allen een aanbieding maar het werk werd gegund aan de Utrechtse schilder Pol voor een bedrag van f 235,-. 8)
Tijdens een feestelijke bijeenkomst werd op 15 oktober 1938 door wethouder C.E. Wolff de eerste steen gelegd. Op 12 april 1939, binnen een jaar na het raadsbesluit, kon burgemeester Van Haselen de sleutel van de nieuwe brandweerkazerne aan commandant De Nijs overhandigen en werd de kazerne in gebruik genomen. Het boekje ‘Uit de historie van de Maarssense brandweer’ meldt dat men “bijzonder gelukkig was met de telefoon- en radioaansluiting èn de electrische klok aan de buitenzijde van de droogtoren, een geschenk van de echtgenoten van de brandweerlieden.” 9) Commandant De Nijs nam in juni 1940 ontslag en werd opgevolgd door D. Faber. Ondercommandant werd toen G. ter Wee. In de oorlog werd er vanaf 1941 door gebrek aan benzine en banden niet meer geoefend. Bang dat de ‘moffen’ hun uitrukkleding zouden stelen, werd de kleding door de mannen mee naar huis genomen. Op de eerste vergadering na de oorlog, 29 juli 1945, verzocht de commandant de mannen om hun kleding weer in de garage te hangen, ‘het gevaar’ was nu immers geweken.
De naoorlogse expansie van Maarssen
In de jaren na de oorlog was er niet alleen sprake van uitbreiding en modernisering van het materiaal maar ook van uitbreiding van het takenpakket van de brandweer. Zo werd eind jaren vijftig begonnen met brandpreventie, nu een van de belangrijkste taken van de brandweer, en in de jaren zestig kwam een professioneel duikteam tot ontwikkeling en werd hulp bij ongevallen een belangrijke taak.
In de publicatie ‘Uit de historie van de Maarssense brandweer’ wordt de periode 1965-1985 beschreven als een periode waarin het brandweerkorps tot grote bloei kwam en uitgroeide tot een van de best uitgeruste korpsen van de regio. “Een en ander is natuurlijk het gevolg van de grote expansie van de gemeente Maarssen: nieuwbouw en flatgebouwen in de Maire Hofstedewijk en de enorme groei met duizenden woningen en vele nieuwe bedrijven in het gedeelte Maarssenbroek. Vroegen vóór deze periode de agrarische bedrijven o.a. door hooipeilingen de meeste aandacht, na de expansie concentreerde de aandacht zich op brandgevaar in woningen en bedrijven. Door het toenemen van het verkeer over het water en op de wegen in onze gemeente werd de hulpverlening bij ongevallen een buitengewoon belangrijke taak van ons korps.” 10)
De expansie van Maarssen leidde tot de behoefte aan nieuw materieel en daarmee ook tot een behoefte aan meer ruimte. In 1968 werd een al langer bestaande wens van de brandweer vervuld: de aanschaf van een ladderwagen, mede gezien de flatbouw aan de Europalaan en de Plesmanlaan. Kosten f 112.000,-. Voor de stalling van deze wagen was het nodig de kazerne te vergroten. Dit gebeurde aan de rechterzijde. De opening vond plaats in 1968. Het korps groeide in die jaren uit tot een omvang van vijftig man. In 1976 vond een tweede uitbreiding van de garage plaats aan de achterzijde, aan de kant van ’t Zand. De geheel vernieuwde en uitgebreide garage bevatte meer stallingsruimte voor de voertuigen, een werkplaats en een magazijn. Boven de garage bevonden zich een verbouwde kantine, een leslokaal, een bestuurskamer en een archiefruimte. Kort na het zestigjarig jubileum van de vrijwillige brandweer in 1985, werd op 1 januari 1986 de eerste beroepscommandant benoemd.
Slot: de afbraak van de oude brandweerkazerne
De twee uitbreidingen van de garage bleken op termijn toch geen bevredigende oplossing te bieden voor de krapte in en de veroudering van de garage. Vanaf 2000 werd een onderzoek ingesteld naar de mogelijkheid van de bouw van een nieuwe garage en de plek waar dat zou moeten geschieden. Aanvankelijk werd gekozen voor bouw in het talud van de Maarsserbrug maar heftig verzet van de buurtbewoners, mede gezien de in het verleden gedane belofte van B&W om op die plek niet te bouwen, leidde tot de keuze van de locatie op de splitsing van de Binnenweg en de Straatweg. In 2004 vond de officiële opening plaats.
De leegstaande oude brandweerkazerne werd tijdelijk in gebruik genomen door allerlei organisaties en instellingen zoals Theaterschool De Rest, RTV Stichtse Vecht, de Speelbank et cetera, maar uiteindelijk in 2015 voor een bedrag van € 500.000 door de gemeente te koop gezet. Ondanks pogingen van de Historische Kring Maarssen om het gebouw te behouden - of als het niet anders kon in ieder geval de droogtoren -, werd het gebouw eind 2016 gesloopt 11). Op deze plek zal (alweer) een appartementengebouw opgetrokken worden. De afgebroken brandweergarage was niet alleen architectonisch van waarde, maar ook cultuurhistorisch van belang. Als opvolger van het brandspuithuisje gaf het uitdrukking aan belangrijke vernieuwingen in de geschiedenis van de brandbestrijding. Hoeveel van een dergelijk type historische publieke gebouwen staan er in Stichtse Vecht op de Monumentenlijst? Het gebouw had behouden dienen te worden en niet afgebroken.
Noten
1. Het lied was gecomponeerd door Jan van Amerongen en de tekst was van Marjan Rhebergen. Het koor was speciaal voor deze gelegenheid samengesteld.
2. Samenstellers Bemmel, H. van; Dijk, Jan van; Putten, Gerard van. Eindredactie Dekker, Drs. D. Uit de historie van de Maarssense brandweer (1985). Maarssen. p. 70. Deze spuit, nu bekend onder de naam ‘Opoe’, staat nog steeds als curiositeit in de brandweergarage en doet onder andere dienst als trouwauto voor de brandweerlieden.
3. Bemmel, Van, e.a. (1985), p. 75.
4. Merwijk, Tine van. Brandweergarages en –kazernes. Categoriaal onderzoek Wederopbouw 1940-1965. In opdracht van het Projectteam Wederopbouw van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten. Zeist 2007. pp. 11-13.
5. Smits, V. Maarssen 1940-1945 (1990). Maarssen. pp. 46-47.
6. Smits (1990), p. 47
7. Maarssen bestond toen nog uit twee gemeenten: Maarssen en Maarsseveen en de brandweer werkte ook voor Maarsseveen. B&W kondigden aan dat met de gemeente Maarsseveen overleg zou plaatsvinden over de verhoging van hun jaarlijkse bijdrage van f 110,-. Dit acht men gerechtvaardigd gezien de nieuwe brandspuit en de nieuwe garage.
8. Bemmel Van, e.a. (1985), p. 78.
9. Bemmel, Van, e.a. (1985), p. 78.
10. Bemmel, Van, e.a. (1985), p. 95.
11. Bij de sloop van de brandweergarage eind 2016 is de eerste steen behouden gebleven. Deze bevindt zich nu in de brandweerkazerne aan de Binnenweg.