45e jaargang (bladzijde 6) nr.1 / IN: Periodiek HKM
Eerste gemeenteraadsverkiezing in Maarssen na de Tweede Wereldoorlog
Het eerste en enige optreden van de CPN
Auteur: Wally Smits
Het Kiescollege
“Den 29sten Augustus 1941 vergaderde de Raad dezer gemeente voor het laatst voor zijn tijdelijken gedwongen rust,” sprak burgemeester Van Haselen ruim vier jaar na die datum op 7 december 1945 in zijn openingsrede voor de eerste gemeenteraad na de bevrijding. Echter, deze gemeenteraad was niet door de zo verlangde vrije verkiezingen tot stand gekomen. De Nederlandse regering in ballingschap had, vooruitlopend op de bevrijding en het herstel van de democratie, bij Koninklijk Besluit van 12 april 1945 een Tijdelijke Voorziening Gemeenteraden afgekondigd. De tijdelijke raad zou gekozen worden door een kiescollege. Dit kiescollege zou gaan bestaan uit leden “die geacht worden het vertrouwen van de inwoners tijdens de vijandelijke bezetting te hebben behouden of verkregen”. 1) Eind juli ging de burgemeester met drie vertrouwenspersonen aan de slag om een lijst te maken van leden voor dit kiescollege. Het college zou moeten bestaan uit drie maal het aantal te kiezen raadsleden. Maarssen had 11 raadszetels, dus moest het kiescollege uit 33 personen bestaan. De lijst die tot stand kwam, was een afspiegeling van de vooroorlogse verhoudingen en zag er als volgt uit:
9 leden van de ‘voormalige’ Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP),
6 leden van de ‘voormalige’ Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP),
2 leden van de Christelijk Historische Unie (CHU),
2 leden van de Groep Hervormde Kiezers,
2 leden van de Neutrale Groep, de ‘voormalige’ Liberale Partij,
3 leden van de ‘voormalige’ Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en
9 leden waarbij de ‘voormalige’ partij niet vermeld staat.
Het is onnodig om alle namen van dit kiescollege te vermelden, maar de burgemeester vond het wel nodig om bij meerdere personen te vermelden hoe zij het vertrouwen van de bevolking hadden verkregen. Van de volgende personen werd nog eens extra vermeld dat zij lid waren van de Nederlandse Binnenlandsche Strijdkrachten, de ‘opvolger’ van het verzet:
De Vries, Gerrit, 36 jaar, boekhouder, SDAP,
Snier, Frederik, 37 jaar, boekhouder (-),
Anderson, Jan Carel, 40 jaar dierenarts, CHU,
Sjollema, Hendrik, 38 jaar, boekhouder, Groep Hervormde Kiezers,
Rossum, Adriaan Johan, 56 jaar, fabrieksdirecteur, Liberale Partij en
Degen, Aalbert, 39 jaar, ambtenaar van bijstand (-).
Genoemd als lid van de Binnenlandsche Strijdkrachten werden ook de niet in het kiescollege opgenomen heren Van Putten, Hendrikus, 31 jaar, rijwielhersteller, RK Staatspartij en
Wymstra, Wybren, 57 jaar, architect, Neutrale Groep, voormalige Liberale Partij.
De Commissaris van de Koningin in de Provincie Utrecht had besloten dat voor alle gemeenten in de provincie Utrecht maar één stembureau zou worden ingericht en wel in het Provinciehuis, Achter Sint Pieter 10 te Utrecht. Voorzitter van dat stembureau werd Mr. G.A. Diepenhorst. Het zou voor dit verhaal te ver gaan om alle leden van deze tijdelijke gemeenteraad op te sommen, maar het elftal gemeenteraadsleden was bijna net als voor de oorlog afkomstig uit de Christelijk Historische Unie (3), De Rooms-Katholieke Staatspartij (3), de Groep Neutralen (2), de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (2) en de Anti-Revolutionaire Partij (1). In afwachting van de echte gemeenteraadsverkiezingen in 1946 was voorlopig de oude orde hersteld. Deze gang van zaken en de resulterende uitslag leek de meeste mensen wel redelijk, maar de Communistische Partij Nederland vond het een aanfluiting, een ‘ondemocratisch gedoe’. Volgens een artikel in hun partijblad De Waarheid werd er niet op lijsten maar op personen gestemd. Het argument dat van 57 gemeenten de bevolkingsregisters waren verdwenen, werd als zwak afgedaan. Hetzelfde gold voor het feit dat er vele valse persoons- en stamkaarten in omloop waren en dat in vele gemeenten het gemeentepersoneel of niet meer compleet was of nog gezuiverd moest worden. Hun standpunt was dat je beter in december democratische verkiezingen kon houden met als identiteitsbewijs de distributiestamkaart. 2)
De Communistische Partij Nederland
In 1909 splitste een deel van de SDAP zich af in een meer radicale Sociaal-Democratische Partij (SDP), die na de Oktoberrevolutie van 1917 in Rusland zijn naam veranderde in Communistische Partij Holland om aan te duiden dat hun doel gelijk was aan dat van de Russische revolutionairen. In deze tijd vergaloppeerde de leider van de SDAP Troelstra zich door te stellen dat het een illusie zou zijn om te denken dat de revolutie bij de Nederlandse grens zou ophouden. Mede hierdoor werd het socialisme met enig wantrouwen bekeken. Ambtenaren bijvoorbeeld mochten geen lid zijn van deze partij. In 1935 veranderden de communisten hun partijnaam in Communistische Partij Nederland (CPN), een naam die ze zouden behouden tot de partij in 1989/90 opging in Groen Links.
Tot de Tweede Wereldoorlog had deze partij weinig invloed op het politieke leven. Tijdens de oorlog veranderde dit aanzienlijk. Hoewel de partij verboden was, bleef hun blad De Waarheid als krant illegaal verschijnen en vele communisten maakten deel uit van het verzet en lieten het leven. Ze zijn vooral bekend geworden als de initiators van de Februaristaking van 1941, een protest tegen de Jodenvervolgingen. Het eerste jaar na de bevrijding was De Waarheid de krant met de grootste oplage die vooral via colportage aan de man werd gebracht, wellicht mede omdat De Telegraaf tot 1949 een verschijningsverbod had. De populariteit van de communisten zag men echter nergens weerspiegeld in de tijdelijke gemeenteraden, ook niet in Maarssen.
De eerste democratische gemeenteraad van Maarssen
In het kader van wat hieronder volgt, geef ik een beeld van de onderwerpen die door de schrijvers en lezers van De Waarheid (editie Utrecht) in de eerste jaren na de bevrijding belangrijk gevonden werden. Geregeld verschenen er artikelen waarin de hoge prijzen en de lage lonen werden gehekeld. Nederlands-Indië werd consequent Indonesië genoemd en er mocht geen man heen om de kolonie weer onder Nederlands beheer te brengen. Woest werd gereageerd op het plan van de regering om ‘lichte’ oorlogsmisdadigers naar huis te sturen en van de zittingen van de oorlogstribunalen werd uitgebreid verslag gedaan. Indien de geëiste doodstraf niet in het eindvonnis terugkwam, werd er schande van gesproken. En natuurlijk werden de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie uitgebreid behandeld. Voorts kreeg de aan de CPN gelieerde Eenheids Vak Centrale (EVC) de nodige aandacht.
Vooruitlopend op de verkiezingen voor de gemeenteraad waren de verkiezingen voor de Tweede Kamer in mei 1946 al een teken dat er iets verrassends zou gebeuren. De CPN kreeg maar liefst 10,57% van de stemmen en kwam met 10 zetels (van de toen nog 100) in de Tweede Kamer. 3) Hoe zou dat gaan bij de lokale verkiezingen die op 26 juli 1946 zouden worden gehouden? Het antwoord kan kort zijn: ongeveer hetzelfde. Lijst 2 werd aangevoerd door de dertigjarige loodgieter Cees Cadel uit de Bolensteinsestraat. Zijn arbeidersafkomst en verzetsverleden werden vermeld in zijn beschrijving in De Waarheid. Hij kreeg tijdens de verkiezingen 181 stemmen en de nummer twee op de lijst, H.W. Timmer, slechts 6. Tezamen waren ze goed voor 9, 2% van het aantal stemmen, dus 1,3% onder het landelijk gemiddelde van de verkiezingen voor de Tweede Kamer. Hoewel de kiesdeler 202 6/11 was kreeg Cadel toch een zetel in de gemeenteraad. Tot 1949 zou de CPN met de nodige hiaten aanwezig blijven in de gemeenteraad van Maarssen.
Inventarisatie CPN-leden
Tegen de achtergrond van de toenemende spanningen tussen Oost en West - we staan aan het begin van de Koude Oorlog en het ontstaan van het IJzeren Gordijn - werden de communisten argwanend bekeken. Net als voor het uitbreken van de oorlog werd er een lijst aangelegd, in dit geval niet van NSB-ers zoals vlak voor het uitbreken van de oorlog was gebeurd, maar van het nieuwe gevaar…: de leden en sympathisanten van de CPN. 4) Welk doel de lijst had en of de lijst doorgestuurd is naar de centrale overheid, wordt nergens vermeld. Het kan best zijn dat hij is opgesteld met het oog op een eventuele Sovjetaanval op het westen en dan de staatsvijandige individuen direct geïnterneerd konden worden.
Op een andere lijst waarop de namen staan van personen die uit de Sovjet-Unie en haar satellietstaten hier in Maarssen terecht waren gekomen, staat wel vermeld dat hij ten behoeve van de Binnenlandsche Veiligheidsdienst is opgesteld. 5) Er staan maar liefst 44 namen en adressen op van zekere CPN-leden, vijftien vermoedelijke leden, twaalf abonnees op De Waarheid waarvan er acht tevens lid van de CPN waren, elf inwoners waren abonnee op Werkend Nederland waarvan er zeven ook lid waren van de CPN. Wat betreft de straten waar deze mensen woonden, komt mijn verwachting uit: de Friezenbuurt wordt veelvuldig genoemd, evenals de kleine huisjes langs de Straatweg richting Utrecht, de Kanaalstraat en de Nassaustraat. In de lijst staan ook meerdere mensen vermeld die in de toen nog zelfstandige gemeente Maarsseveen woonden.
Als het daarbij bleef, zou het een droge opsomming zijn, maar bij de omschrijvingen van de personen viel alle objectiviteit van de samenstellers weg. Ik beperk mij tot het noemen van de initialen. Van C.S., van beroep artiest, werd vermeld dat hij veel bezoek van enige dames ontving met wie hij zogenaamd ontspanningsavonden organiseerde en dat “hij thans is ondergedoken, daar hij in militaire dienst moet”. Het minst goed kwamen de leden naar voren die na de bevrijding lid waren geworden. H.W.T. werd in staat geacht tot extremistische daden; H. van M., kandidaat-gemeenteraadslid, was agressief; P. van D. was al twee keer veroordeeld en B.S., voorzitter van de EVC, werd als dronkaard weggezet. De vijf leden van de familie Van D. stonden ook niet gunstig bekend. Bovendien werd hier nog vermeld dat moeder Van D. blij was dat één van haar zoons in Indië was gesneuveld omdat hij niet tot hun partij behoorde. Gevaarlijker was A. de K., chauffeur, die nota bene ook nog eens lid was van de Oranjevereniging. D.J.L. maakte het helemaal bont. Deze lasser was tijdens de oorlog lid van het Arbeidsfront, haalde hiervoor geld op en sprak op een bijeenkomst de wens uit dat de burgemeester eens moest worden bijgebracht dat hij zich beter moest instellen op de nieuwe tijd. Nog zo’n type was J. van A. die tijdens de bezetting vergaderingen van de NSB bezocht, na de oorlog zijn heil zocht bij de CPN en ook nog eens met De Waarheid ventte. De lijst met vooral negatieve beschrijvingen is veel langer, maar ik laat het hierbij. De sfeer is duidelijk. Over het algemeen staan in de lijst handwerkers genoemd zoals bankwerkers, lassers en dergelijke, met als uitzondering de in potlood toegevoegde onderwijzer aan de plaatselijke ULO-school. Op de lijst van mensen van wie “redelijk kan worden aangenomen lid te zijn van de CPN” staat boekdrukker S. vermeld.
Cadel’s optreden in de gemeenteraad.
Namens de partij en zijn achterban nam Cadel zitting in de Raad. Al bij de installatie bleek dat burgemeester Van Haselen vreesde dat Cadel partijpolitiek zou gaan bedrijven. Hij bracht hem in herinnering dat ”het in den raad uitsluitend om de belangen der gemeente gaat en dat persoonlijk-, partij- of groepsbelang hier niet mag medespreken”. Toen partijgenoot Timmer in juni 1947 werd geïnstalleerd kreeg hij hetzelfde te horen: ”Hij (de burgemeester) vertrouwt dat de Heer Timmer aan de belangen der gemeente zal willen medewerken zonder daarbij te letten op partij- of groepsbelang.” 6). Toen echter in april 1947 J. Bosscher werd geïnstalleerd als raadslid ter vervanging van mevrouw S. Tellegen-Sybranda, was de toon veel vriendelijker: “De voorzitter spreekt het vertrouwen uit, dat de heer Bosscher in aangename geest de belangen der gemeente zal behartigen”. Nog hartelijker werd J. van der Lugt ontvangen op 23 december 1947. De burgemeester “wenst hem geluk met zijn benoeming en hoopt dat hij in de uitoefening van zijn taak voldoening zal mogen vinden.”
Maar Cadel liet zich niet intimideren en tijdens de eerste vergadering van de democratisch verkozen gemeenteraad op 3 september 1946 kwam hij bij de rondvraag al op voor de verdrukten in de gemeente. De notulen vermelden dat “De heer Cadel zegt gelezen te hebben, dat de doortrekking van de waterleiding tot Maarssenbroek (Oost) met het oog op de hooge kosten is afgewezen. De bewoners zijn nu aldaar op slootwater en andere middelen aangewezen. Spreker doet het voorstel om tot doortrekking te besluiten.”. Hoe sympathiek het ons ook kan voorkomen, de burgemeester kapte hem af met de mededeling dat een rondvraag bedoeld is als rondvraag en niet om met voorstellen te komen.
In november kwam voor Cadel de volgende teleurstelling. Agendapunt 11 ging over belasting op vermakelijkheden. Cadel stelde voor (het was nu immers geen rondvraag) om te belasten volgens een percentage van de entreegelden. De enige voorstemmer van dit amendement was Cadel zelf… Vervolgens stelde hij dat danscursussen en danslessen niet onder de vermakelijkheidsbelasting behoorden te vallen aangezien dansles bij de opvoeding hoort. Het voorstel werd niet eens in stemming gebracht; zoveel weerstand bestond ertegen. Tijdens de rondvraag van de raadsvergadering van november 1947 drong Cadel in verband met de enorme woningnood in de gemeente aan op verbetering van een leegstaand huisje aan de Achterstraat (Nassaustraat), eigendom van de gemeente. De burgemeester antwoordde dat het huisje ongeschikt was voor bewoning en bovendien eigendom van de gemeente Maarsseveen. Zijn opmerkingen over de te lage lonen van het gemeentepersoneel, zijn verzoek om een wachtlokaal en toiletruimte bij de bushalte, evenals zijn klacht over de geringe glasvoorziening werden allemaal afgewimpeld. Op zijn verzoek om medewerking van B en W om een geschikt terrein voor de verschillende voetbalverenigingen te realiseren antwoordde de burgemeester dat “met het oog op de financiën van de gemeente weinig te verwachten” was.
Concluderend kunnen we stellen dat de Robin Hoods van de arbeiders in de gemeenteraad meer hebben gefigureerd als vechters tegen de bierkaai. Uit idealisme en met veel goede bedoelingen is veel geprobeerd, maar niets bereikt. 7)
Noten
1. Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen (RHCVV). Gemeentearchief Maarssen 1939-1957. Inv. nr. 90 K.B. van 12 april 1945 art. 2 lid 3.
2. De Waarheid. 20 september 1945. IISG Inv. nr. ZF 1584.
3. De Waarheid. 18 mei 1946.
4. RHCVV. Gemeentearchief Maarssen 1939-1957. Inv.nr. 283.
5. RHCVV. Gemeentearchief Maarssen 1939-1957. Inv. nr. 333. Beide lijsten (ook Inv. nr. 283) zijn gemaakt tussen 1945 en 1950. Bij Cornelis Cadel staat vermeld dat hij de gemeente heeft verlaten. Dat moet voor of omstreeks oktober 1948 zijn geweest. Zie ook noot 6.
6. RHCVV. Gemeentearchief Maarssen 1939-1957. Inv. nr. 1: notulen Gemeenteraad.
7. Het is onduidelijk wanneer Cadel precies is teruggetreden, maar feit is dat Timmer op 30 juni 1947 werd geïnstalleerd en dus gemeenteraadslid werd. We zien vervolgens dat Timmer op zijn beurt in januari 1948 weer terugtrad en Cadel op 14 april 1948 weer in de raad verscheen, maar daarna wegens ziekte niet meer in de raad aanwezig was.