400
700
900
Het Klooster Sint Jozef aan de Kerkweg
Smits, W.

Het Klooster Sint Jozef aan de Kerkweg

45e jaargang (bladzijde 26) nr.1 / IN: Periodiek HKM


Plot

Het Klooster Sint Jozef aan de Kerkweg

Auteur: Wally Smits

In de afgelopen tijd is er veel aandacht geweest voor katholiek erfgoed in Maarssen. Maria Dommer en haar zorg voor ouderen is besproken en ook aan het verdwijnen van de priorij Emmaus is uitgebreid aandacht besteed. Er is tot nu toe weinig aandacht geweest voor het klooster dat in het verleden gevestigd was aan de Kerkweg 19. Het pand heet nu Buitenlust en is hernummerd tot Kerkweg 31. Begrijpelijk omdat het hier een zogenaamd slotklooster betreft en de kloosterlingen weinig contact hadden met de Maarssense gemeenschap. Het is echter wel degelijk een element in het Maarssens historisch erfgoed. Vandaar dat ik daar in dit artikel aandacht aan besteed.

In het Brabantse dorpje Beers ontmoette ik Wilma van der Waart, die mij een goed beeld kon geven van de oorsprong van en het leven in dit klooster. Ze heeft zelf nooit in Het Klooster gewoond, maar hoorde er van collega¬-zusters zoveel over dat zij mij er veel over kon vertellen. Zij bleek een schat aan informatie voor mij te hebben waaruit ik vrijelijk mocht putten om Het Klooster te beschrijven, voornamelijk op basis van de lotgevallen van zuster Maria Clara. Hier en daar is de informatie aangevuld met resultaten van eigen onderzoek. 1)

De Augustijnen
Alvorens aan het egodocument van zuster Maria Clara (OSA) over haar Maarssense periode te beginnen, is een korte toelichting op de Orde van Sint Augustinus van belang. 2) De Orde van de Augustijnen heette voor 1968 de Orde van de Eremieten van Sint Augustinus (Ordo Eremitarum Sancti Augustini (OESA)) en ontstond in Italië in de dertiende eeuw. Na 1968 werd de orde meer werelds en heet nu Ordo Sancti Augustini (OSA). In het begin bestond de orde uit eremieten of heremieten. Dat zijn in armoede levende leken en geestelijken die zich in afgelegen gebieden toelegden op gebed, prediking en studie.
Omstreeks 1500 telde de orde verspreid over Europa ongeveer 2000 kloosters en 30.000 leden. Eén van de bekendste leden was Maarten Luther. Tijdens de Reformatie gingen in de Noordelijke Nederlanden alle kloosters van de orde verloren, behalve dat in Maastricht. Al in de zeventiende eeuw werden de Noordelijke Nederlanden missiegebied en verrezen in diverse plaatsen missielocaties, zoals in Utrecht. Nadat in 1853 het herstel plaats vond van de bisschoppelijke hiërarchie, begon ook het kloosterleven weer vorm te krijgen en kregen katholieken weer invloed op het maatschappelijk leven. Met name op het gebied van onderwijs timmerde de orde aan de weg. Oud-leerlingen van op Augustijnse leest geschoeide scholen zijn bijvoorbeeld Dries van Agt, Godfried Bomans en Pim Fortuyn. Voor een goed begrip van de kern van dit verhaal is het nog van belang te weten dat de Augustijnen drie ordes kennen:
1e orde: mannelijke religieuzen, vaak werkzaam in parochies, onderwijs of in de missie.
2e orde: vrouwelijke religieuzen, die een contemplatief (beschouwend) leven leiden.
3e orde: vrouwelijke religieuzen die een actieve rol vervullen in de maatschappij, zoals in de zorg en het onderwijs.
Men had in Nederland in de jaren dertig van de vorige eeuw al weer een heel scala aan kloosters, behalve een klooster van de 2e orde, een contemplatief klooster, waarin vrouwelijke nonnen in afzondering, de zogenaamde Monialen, een beschouwend leven leiden. Om een beeld te krijgen van het ontstaan van dit zogenaamde eerste slotklooster in Nederland en nog wel in Maarssen, volgen we het levensverhaal van de Utrechtse zuster Maria Clara OSA, geboren Truus van Beek.


Slotklooster Sint Josef
Truus van Beek werd 12 december 1912 in Utrecht geboren als tweede van een gezin dat uit vijftien kinderen zou gaan bestaan. Van jongs af aan wilde ze al in een klooster gaan leven, maar dan wel specifiek bij de Monialen Augustinessen, omdat haar oudste broer Frans Augustijn was, maar zo’n klooster was er nu eenmaal niet in Nederland. Op een dag werd ze bij haar Augustijner biechtvader, pater Peters, geroepen in de pastorie aan de Oudegracht in Utrecht en die vertelde haar dat hij opdracht had gekregen om een klooster van de 2e orde, een slotklooster, op te richten. In afwachting van dat klooster (ze wist niet dat dat wachten acht jaar zou duren) ging ze vast werken bij de zusters Augustinessen van Sint Monica op de Oudegracht, maar die vingen onder andere mensen van de straat op “en dat was niks voor mij”. 3)
Eindelijk werd 10 december 1940 een herenhuis aan de Kerkweg te Maarssen gekocht en Truus (toen nog burgermeisje) werd gevraagd om voor ‘waakhond’ te spelen tijdens de verbouwing tot klooster. Ze kreeg het vaak voor elkaar dat de ‘bouwcoördinator’ pater Peters haar zin deed, bijvoorbeeld door de gaten tussen de tralies toch groter te laten maken dan hij van plan was. Helaas, het was op een zaterdag in 1942, kwamen er twee Duitsers binnenlopen. “Bezet!” riepen ze. Snel werd alles uit het huis gehaald en bij de daarnaast wonende dokter opgeslagen. Pater Peters hield vanuit restaurant De Harmonie de verhuizing in de gaten. De Duitsers gebruikten het huis tot maart 1945 als ‘Büro und Unterkommensraum’ en lieten het zwaar vervuild achter. 4) Vervolgens werden er evacués in ondergebracht. Toen de Canadezen het huis na de bevrijding wilden betrekken, heeft Truus ingegrepen en de Canadezen zijn vervolgens vertrokken. Men kon met de inrichting verder.
Op 23 januari 1946 werd het klooster officieel ingewijd en kon Truus intreden bij de orde als zuster Maria Clara. Het grote moment was aangebroken. Voor het eerst sinds 1559 werd de draad weer opgepakt en trokken de Monialen zich terug achter het gesloten traliehek. Nederland had weer een slotklooster, gewijd aan de beschermheilige van de Orde Sint Jozef. Priorin werd de drie jaar oudere zuster Monica, tegen wie Maria Clara nu ineens ‘onze moeder’ moest zeggen. Aangezien men geen enkele slotkloosterervaring had waar men op terug kon vallen, moesten de Monialen veel zelf invullen en ontdekken.

Het leven in het klooster
“Het huis in Maarssen had een kleine tuin die was omgeven door een hoge kloostermuur. Buiten de muur was een kinderspeelplaats. Dan hoorde je de stemmetjes. En de kinderen schommelden vaak zo hoog dat ze steeds even over de muur konden kijken. Dat vonden ze wel leuk hoor. En zo leefden we achter tralies, zoals dat heette. We mochten er niet uit. Alleen om te stemmen, want dat was toen nog verplicht.” Het was er klein, zelfs voor een slotklooster was het voor de negen Monialen een benauwd samenzijn. Maria Clara voelde dat alles op haar af kwam en moest er zelfs een jaartje tussenuit om tot rust te komen.
We moeten binnen deze gemeenschap een onderscheid maken tussen drie categorieën bewoonsters. Ten eerste de ‘echte’ Monialen, die een groot gedeelte van hun tijd doorbrachten met bijvoorbeeld dagelijks in het Latijn het koorgebed te reciteren en het op feestdagen geheel te zingen. Dagelijks werd bovendien anderhalf uur gewijd aan een beschouwend, contemplatief gebed en ook het gewone gebed werd niet verwaarloosd. Dan waren er de zogenaamde lekenzusters die natuurlijk ook baden, maar ook veel tijd spendeerden aan huishoudelijke taken. In de derde plaats had je de buitenzusters, in Maarssen was dit onder andere zuster Juliana, die het noodzakelijke contact met de buitenwereld onderhielden.
Tussen deze bedrijvigheid door hielden de zusters, die over het algemeen voor hun kloosterleven in de burgermaatschappij actief waren geweest, zich met allerlei dingen bezig. Maria Clara werkte vooral in de moestuin waar zij haar inspiratie vond voor de contemplatie. De nevenactiviteiten van de zusters breidden zich al snel uit tot het vervaardigen van paramenten, dat zijn liturgische voorwerpen die van textiel zijn gemaakt. Verder hielden zij zich bezig met grafische producten (onder andere missiekalenders, catalogi, oorkonden, affiches) en met vlaggen, ontwerpen voor kelken en ander liturgisch vaatwerk.

“Al spoedig ondervond men de beperktheden die het betrekkelijk kleine huis vertoonde. De ruimtes die het klooster bood - kapel, gangen, kamers en ook de omgeving ervan; de muren krap om het geheel gebouwd, een kleine tuin - werkten meer en meer benauwend op het leven en de intensiteit ervan. Het stilzwijgen bijvoorbeeld kwam onvoldoende tot zijn recht, doordat de leefruimte als te bekrompen werd ervaren. Dit werd meer en meer gevoeld naarmate de communiteit gestaag groter werd.” 5) Men ging op zoek naar een grotere locatie en vond die al in 1953 in Werkhoven waar boer Ries Vernooy bereid was een deel van zijn grond af te staan voor de bouw van een nieuw klooster.

Verhuizing naar Werkhoven
Het zou nog tot 10 januari 1960 duren alvorens Het Klooster werd verlaten en de zusters naar Werkhoven vertrokken, naar de priorij Gods Werkhof. Intussen waren de tijden echter veranderd. Gezag werd niet meer als vanzelfsprekend aanvaard en na het Tweede Vaticaanse Concilie werd de kerk opener. Van een slotklooster was in Werkhoven al spoedig geen sprake meer, zodat we kunnen stellen dat Maarssen het enige echte slotklooster in de provincie Utrecht heeft gekend, al was het maar, om met de prozaïsche woorden van Wilma van der Waart te eindigen, ‘slechts een starterswoning’. De ‘starterswoning’ werd verkocht aan de heer René van Seumeren, de beeldhouwer die in zijn atelier in Maarssen vele kunstwerken maakte voor katholieke instellingen. In Maarssen heeft hij onder andere beeldhouwwerk gemaakt voor de Heilig Hart Kerk, Priorij Emmaus en Huize Maria Dommer.


Noten
1. Voor dit artikel heb ik voornamelijk geput uit drie publicaties over de slotzusters Augustinessen:
a. Voor wie luidt de klok? Z.j.
b. Monialen Augustinessen te Werkhoven, Amstelveen, 1985.
c. Mieke Tollenaar. De E van Engel, Blurb, 2012.
2. OSA - Orde van Sint Augustinus.
3. Mieke Tollenaar. De E van Engel, Blurb 2012. p. 16.
4. RHC Vecht en Venen, Gemeentearchief Maarssen inv. nr. 665. Vreemd genoeg staat als eigenaar mejuffrouw J. Th. Verschure uit Eindhoven vermeld. Zij ontving de huur erg onregelmatig.
5. Monialen enz. p. 95.