400
700
900
Kindertransporten vanuit Maarssen 1944-1945
Smits, W.

Kindertransporten vanuit Maarssen 1944-1945

45e jaargang (bladzijde 45) nr.2 / IN:Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Oorlog En Vrede

Plot

Kindertransporten vanuit Maarssen 1944-45

Auteur: Wally Smits

“Wie terugdenkt aan den hongertijd, denkt aan de centrale voedselvoorziening, aan de ondankbare en zware taak, die de organisatoren onder de leiding van de heer Zwaardemaker hebben verricht. Wij weten allen, dat hij zich met al zijn krachten, ja soms boven zijn krachten heeft ingespannen, om zonder voldoende middelen, nog iets ervan te maken. En dan het IKO dat ook op dit terrein zeer belangrijk en te waarderen werk heeft gedaan. Ik weet en gij zult daarvan gehoord hebben, hoe de heeren van IKO zware tochten ondernamen voor verbetering van de voeding. Wij brengen hen allen hulde en dank”, aldus burgemeester Van Haselen in zijn openingsrede voor de nieuwe gemeenteraad van Maarssen op 7 december 1945. 1)
Aan de heer Zwaardemaker, directeur van de toenmalige jamfabriek, is al aandacht besteed in mijn boekje over Maarssen in de Tweede Wereldoorlog, maar wat was het IKO? 2) Al in 1941 besloten de verschillende kerken in Nederland samen te werken in een poging om staande te blijven onder de Nazi-terreur. Gezamenlijk richtten zij een organisatie op om zich beter te kunnen verweren: de Inter Kerkelijke Organisatie (IKO). 3) Omdat nogal wat organisaties werden verboden, pasten ze een slimmigheidje toe: de naam werd veranderd in Inter Kerkelijk Overleg. En inderdaad, dit ‘Overleg’ is nooit verboden en probeerde, veelal zonder succes, maatregelen van de bezetter te voorkomen.
In het najaar van 1944 werd de voedselsituatie in het westen van Nederland nijpend. Het was zo schrijnend, dat op de zondag voor het kerstfeest van alle kansels de volgende boodschap werd voorgelezen: “Na alles wat ons volk als gevolg van de bezetting geleden heeft, dreigt thans de zwaarste ramp: de ondergang door hongersnood. (…) onze kinderen zullen sterven, wanneer niet alle melk, voor hen bestemd, voor hen beschikbaar wordt gesteld; dat, wanneer het graan niet wordt gedorst, zelfs een weekrantsoen van één kilo in de westelijke provincies niet blijven kan; dat wanneer de aardappelen uit de productiegebieden niet naar het westen vervoerd kunnen worden, zelfs de huidige minimale toewijzing niet gehandhaafd kan worden (…).” 4) Het bleef echter niet bij woorden. Er werd landelijk een speciaal bureau opgericht dat de voedselvoorziening naar het hongerende westen zou coördineren, het Inter Kerkelijk Bureau (IKB). Naar buiten toe gebruikte men de naam IKO. Deze instelling zou gedurende de winter voedseltransporten organiseren en later ook kindervervoer naar het noorden van het land, dit tot woede van de ‘foute’ Nederlandse Volksdienst. Het IKB wordt in het boven aangehaalde werk ‘Onderdrukking en Verzet’ zelfs als de kroon op het verzetswerk van de kerken beschouwd. 5)

Centrale Keuken en de aanvoer
Naar aanleiding van die zeer verslechterende voedselsituatie in het najaar van 1944 in het westen van het land, schaalde de heer Zwaardemaker de capaciteit van de Centrale Keuken, de ‘Gaarkeuken’ op. Door de vervoersbedrijven van Van Elst en Van Heezik werden grote hoeveelheden grondstoffen voor die keuken opgehaald, eerst uit de regio en later verder weg uit Friesland en Groningen. Van de zoon van Dorus Dekker, beurtvaarder en chauffeur bij Van Heezik, hoorde ik dat zijn vader zoals zo velen, weinig praatte over deze tijd maar dat hij af en toe wel iets losliet. In verband met beschietingen door Engelse jachtvliegtuigen werd ’s nachts met gedoofde lichten gereden. Ook dan was de nachtelijke tocht nog gevaarlijk en menigmaal moesten de chauffeurs de vrachtwagen verlaten en dekking zoeken. Om zich toch nog een beetje te kunnen oriënteren in het donker ging de bijrijder, in dit geval Kees van Heezik, op het voorspatbord zitten en kon dan aanwijzingen geven over de te rijden route. Zoon Theo Dekker vertelde mij dat ze op één van die tochten in het pikdonker achterop een Duitse wagen reden. De militairen dachten aan een aanslag en sprongen met getrokken wapens de cabine in. Na het tonen van de speciale Ausweis die ze nodig hadden om ’s nachts te mogen rijden, konden ze verder gaan. Het had ook anders kunnen aflopen. Een aantal keren namen ze op de heenweg een dertigtal kinderen mee, waarover hieronder meer. Dit legde nog meer druk op Dorus om dit soort ritten tot een goed einde te brengen. Ik durf hier te stellen dat zonder de tochten van deze ‘helden’ het sterftecijfer onder de Maarssense bevolking nog veel hoger zou zijn uitgevallen dan het al was.

Adriaan Willekes
Bij het bezoek aan de in 1945 12-jarige Adriaan Willekes, toen wonend aan de Emmaweg 35, vertelde hij mij dat hij nu pas, na al die jaren, het hele plaatje begreep. Hij zag in dat achter zijn transport naar Joure in februari 1945 een hele organisatie zat. Namens het IKB deden meester Grootenboer en kapelaan Vendrik de selectie van de kinderen en maakten een lijst. Adriaan zat met zijn slechts 27 kilo ruim onder de norm van 30 kilo om voor uitzending naar het noorden in aanmerking te komen, evenals zijn neef Sjef Radings. Maar dat gaf nog geen garantie dat hij mee mocht. Vervolgens volgde de ‘keuring’ door zuster Helweg, niet in het door de Duitsers bezette Groene Kruisgebouw aan de Gaslaan, maar in het buitenhuis Herteveld. Deze keuring bestond uit het meten van het gewicht, controle op luizen en vlooien en tevens controle op rabiës. Hij kwam door de keuring en mocht in februari als één van de eerste dertig kinderen met Dorus richting Joure rijden. Natuurlijk vond die tocht ’s nachts plaats. Onderweg moesten ze geregeld de vrachtwagen, waarin voor het gemak stro op de vloer was gelegd, verlaten omdat er door geallieerde jachtvliegtuigen duikvluchten werden uitgevoerd. Ook moest geregeld gestopt worden om de houtgasgenerator bij te vullen. Aangekomen in Joure werd hij ondergebracht bij boer Johannes de Jong, een neef van de directeur van Douwe Egberts. De gang naar Joure was dus niet geheel toevallig. Ook het IKB was afhankelijk van relaties in het noorden. Hoewel hij in het begin moeite had om zijn roggebrood en kaas binnen te houden, ging dat na verloop van korte tijd steeds beter en sterkte hij al snel aan. Na enige tijd probeerde hij zich nuttig te maken door melken te leren en leerde hij ook roeien, zodat hij voor de ook op de boerderij aanwezige onderduikers brieven kon rondbrengen. Al op 15 april werd Joure bevrijd, maar het zou nog tot augustus duren voordat hij met het transportbedrijf De Libra uit Joure weer naar Maarssen werd teruggebracht.

Jo(op) Renes-De Nijs
Negen jaar was ze, Jopie Renes-De Nijs, toen ze in maart 1945 met Dorus Dekker op transport ging naar het Drentse Barger-Oosterveld, volgens haar een katholieke enclave in Drenthe. Ze vertrok met dertig andere kinderen vanaf Van Heezik aan de Emmaweg. Hoewel het geheel erg chaotisch op haar overkwam, bleek al pratend dat het toch wel georganiseerd was. Ook zij, wonend aan de Termeerweg, voldeed aan de criteria voor uitzending. Op mijn vraag hoe veel ze woog, antwoordde ze alleen maar: ”Ik at niet eens meer”. Aangezien ik in het gemeentearchief een afrekening van het IKO vond voor het maken van maar liefst 7998 porties voedsel voor ‘kinderen’, vroeg ik Jo of er vanuit de kerk ook voedsel verstrekt werd. Ze herinnerde zich dat ze in het toenmalige Concordia aan een lange tafel met veel kinderen te eten kreeg. Ik neem aan dat het IKO dat regelmatig deed gezien de enorme hoeveelheid porties, die voor een dubbeltje per liter verkocht werden. Maar zelfs deze inspanning was niet genoeg om de kinderen van ernstige verzwakking door ondervoeding, zo niet van de hongerdood te redden. Jo en velen met haar, moesten toch naar het noorden. Op een kind kwam het geheel natuurlijk nogal vreemd over, “Je kreeg ‘s middags bericht dat je meekon en ’s avonds ging je al”. Op de vloer van de vrachtwagen lag stro en we kregen er ook dekens bij tegen de kou. Van de heer Zwaardemaker kregen zij brood mee voor onderweg.
Ook tijdens deze rit moest geregeld gestopt worden en vooral bij de beruchte IJsselbrug, waar iedere passant werd aangehouden, werd het spannend. Iedereen moest de vrachtwagen uit en de wagen werd minutieus doorzocht. Jo hoopte stiekem dat ze teruggestuurd zouden worden; ze had nu al heimwee. Ze mochten echter toch door en in de ochtend kwamen ze aan in Barger-Oosterwold. Daar stond op het plein voor de katholieke kerk een kapelaan met een lijst met adressen en de kinderen werden op afroep opgehaald door hun gastgezin. Jo had pech: haar gastgezin had liever een ouder meisje. Na één nacht ging ze naar een ander gezin, waar ze ook niet echt welkom was en na deze frustrerende ervaring vroeg Rietje Ekelschot, die met hetzelfde transport was meegekomen, of ze niet bij haar gezin wilde komen want die wilden er nog wel een meisje bij. Zo belandde ze, na overleg met de kapelaan, bij de kinderloze familie Schoenmakers aan de Sint Gerardusstraat. Hier zou ze tot ver na de bevrijding blijven. Erg blij was ze toen na de bevrijding de Maarssense familie Verkuil, die familie had in Drenthe, langskwam en de kinderen trakteerde op chocoladerepen. Uiteindelijk ging Jo weer aangesterkt naar Maarssen terug. Ook dit kwam op haar zeer verwarrend over. Ze kwam om 12.00 uur uit school en om 13.30 uur zat ze al in een bus van het Rode Kruis richting Maarssen. In Maarssen werden ze bij Broere in de Breedstraat uit de bus gezet, zonder dat er ouders stonden te wachten. Het had zelfs nog ongelukkiger kunnen gaan. Haar ouders hadden net op het hoofdkwartier van het Militair Gezag in Haarzuilens een verklaring gehaald dat hun fiets (een tandem) legaal was en wilden de dag erop naar Drenthe fietsen om hun kind op te halen. Jopie kwam dus net op tijd thuis.

Weinig, te weinig aandacht zelfs, is er na de oorlog geschonken aan deze vervoerders en met name de chauffeurs die veelal ’s nachts op pad waren om Maarssen te bevoorraden. We kunnen stellen dat het IKO en de transportbedrijven van Van Elst en Van Heezik een cruciale rol hebben gespeeld tijdens de hongerwinter. Dankzij hun inspanningen hebben vele kinderen de oorlog overleefd.

Noten.
1. RHCVV. Gemeentearchief Maarssen 1939-1957. Inv. nr. 1.
2. Smits, V. (1990). Maarssen 1940-1945. p. 143 e.v.
3. Voor toelichting op het IKO: Sagel, Hans (2011). Uit de oude Schoenendoos nr. 46. In: Periodiek HKM, jrg. 38, nr. 2. Met dank aan Hans Sagel voor de verstrekte gegevens.
4 en 5. Kleijn, F. Onderdrukking en Verzet, Nederland in oorlogstijd. Arnhem, Amsterdam z.j., p. 469.