400
700
900
Werk bij Maarsseveen en de Kringenwet
Smits, W.

Werk bij Maarsseveen en de Kringenwet

45e jaargang (bladzijde 125) nr.4 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Forten

Plot

Dit is de tekst zonder afbeeldingen. Zie voor afbeeldingen de papieren editie.


Werk bij Maarsseveen en de Kringenwet

Auteur: Wally Smits

Wellicht dat de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW), ons grootste en duurste monument, binnenkort in de Werelderfgoedlijst van de Unesco wordt opgenomen. Het aantal publicaties over de geschiedenis, het doel en de architectuur van dit fortencomplex is enorm. 1) In Fort Vechten is een prachtig Waterliniemuseum gehuisvest, waar een mooi beeld gegeven wordt van het totale complex. Minder bekend is de impact die de NHW had op de lokale bevolking.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie
Gedurende de 80-jarige oorlog en de eeuwen daarna had de Republiek baat gehad bij de zogenaamde Oude Hollandse Waterlinie die de beide Hollanden door middel van inundaties redelijk beschermde. In het begin van de negentiende eeuw bestond de behoefte om deze Oude Hollandse Waterlinie naar het oosten op te schuiven. Dit idee kwam nota bene van de Franse keizer Napoleon, maar werd pas na zijn val en de vorming van het Koninkrijk der Nederlanden uitgevoerd. Vanaf 1814 was men druk doende om deze Nieuwe Hollandse Waterlinie, die nu ook de verdediging van de stad Utrecht door middel van ‘fortificatiën’ ging omvatten, tot stand te brengen. Sluitstuk van dit enorme project was het eenvoudige fort in Maarsseveen (Werk) dat in 1880 werd gebouwd.

De Kringenwet
Om de diverse forten te kunnen laten functioneren was het zaak dat er voor de artillerie een vrij schootsveld was. Dat betekende dat er in de nabije omgeving geen storende of permanente bebouwing mocht plaatsvinden. Mocht die er wel zijn, dan moest die bebouwing zodanig zijn dat ze bij naderend onheil in korte tijd kon worden afgebroken of desnoods verbrand. Om dit te regelen werd in 1814 de zogenaamde Kringenwet in werking gesteld. Aangezien deze nogal wat lacunes vertoonde, werd hij in 1853 vervangen door een nieuwe wet. Deze zou tot 1951 in werking blijven en werd toen opgeschort om in 1963 definitief opgeheven te worden. In Artikel 1 van de wet van 1853 wordt al duidelijk gemaakt wat gebouwd mag worden. ’Tusschen de buitengrenzen van vestingwerken en de lijnen, in deze wet verboden kringen genoemd, is het niet geoorloofd te bouwen, houtgewassen te planten of eenig werk te maken, dan voor zooverre zulks bij deze wet is toegestaan.’ Al naar gelang de klasse van het fort mocht er meer of minder gebouwd worden. Fort Maarsseveen viel onder Klasse 1 en dat was de strengste klasse, dus in principe mocht er niets gebouwd worden. 2) Mocht men door deze bepalingen schade ondervinden, dan kon men aanspraak maken op schadevergoeding. Om ieder vestingwerk (deze term wordt gebruikt in de Kringenwet) waren drie ’verboden kringen’ (zie afbeelding 1):
- één op den afstand van driehonderd el, genaamd de kleine;
- één op den afstand van zes honderd el, genaamd de middelbare;
- één op den afstand van duizend el, genaamd de grote.
Hierna volgen vele artikelen waarin de bouwbeperkingen worden vermeld. In het kort komt het erop neer dat alles wat na toestemming gebouwd mocht worden, brandbaar moest zijn en snel opgeruimd moest kunnen worden. Een huis bijvoorbeeld moest van hout worden opgetrokken en mocht alleen een fundering van steen hebben tot maximaal ‘5 palmen’ boven de grond, gemetselde stookplaatsen en dito schoorstenen (zie afbeelding 2). Om een en ander te coördineren werd een militair aangewezen met verstand van zaken, de zogenaamde ‘eerst aanwezend ingenieur der genie’, die in de negentiende eeuw in Naarden was gevestigd en daarna in Utrecht.

De bouw van het fort te Maarsseveen
Op 8 maart 1880 was er in het gemeentehuis van Maarsseveen een bijeenkomst waarbij belanghebbenden bezwaar konden aantekenen tegen het besluit om gronden aan te kopen voor de bouw van Fort Maarsseveen. Het was een bont gezelschap: een afvaardiging van Gedeputeerde Staten van Utrecht, bijgestaan door ‘den Genie Commandant in de 2e stelling te Naarden’ en de burgemeester van Maarsseveen. De commissie hield zitting en had zich goed voorbereid op eventuele vragen en bezwaren. Er was een plattegrond gemaakt van de te onteigenen gronden, waarbij in de tekst het onsympathieke ’onteigenen’ vervangen was door ’aan te koopen’ en het wachten was op de belangstellenden en eventuele tegenstanders (zie afbeelding 3). Na korte tijd kon de aanwezige ambtenaar een schuine streep trekken door de bladzijde die gereserveerd was voor de bezwaren en simpelweg noteren: ’Er zijn geen bezwaren ingebragt.’ De bouw kon beginnen en werd in de loop van 1880 voltooid. Op 21 februari 1881 kon men in het Staatsblad nr. 28 zien dat het Werk bij Maarsseveen gerangschikt was onder de vestingwerken der eerste klasse.

Schietvereniging Seijffardt
Alvorens te kijken naar de beperkingen die de forten aan de inwoners binnen de kringen oplegden, moet eerst aandacht worden besteed aan de functie van dit fort. De Nieuwe Hollandse Waterlinie zou alleen in gebruik worden genomen als de staat van oorlog of - nog een stap verder - de staat van beleg zou worden afgekondigd. Tot die tijd was het motto eigenlijk afwachten en onderhouden, en af en toe oefenen. De vraag doemde eind negentiende eeuw op wie uiteindelijk het leger zouden vormen, dienstplichtigen of vrijwilligers?
Minister van Oorlog Seijffardt in het kabinet Van Tienhoven (1891-1894) was een groot voorstander van een volksleger dat gebaseerd was op plaatselijke schutterijen en een landweer. Van algemene dienstplicht moest hij weinig hebben. Dit en de grote bewondering hier in den lande voor de Zuid-Afrikaanse boeren die zich tussen 1880 en 1902 in twee Boerenoorlogen te weer stelden tegen de oppermachtige Engelsen, zorgden ervoor dat er een hausse kwam in de oprichting van allerlei verenigingen die als doel hadden het volk voor te bereiden op een eventuele verdedigingsoorlog. Die was immers toch onontkoombaar na de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 waarbij het nota bene in Versailles uitgeroepen Duitse keizerrijk Frankrijk tot op het bot had vernederd.
Allerlei schietverenigingen werden opgericht en genoemd naar Boeren-generaals zoals in Ouderkerk aan de Amstel de Schietvereniging Generaal Joubert (1900), in Abcoude de Schietvereniging Christiaan de Wet (1902) en in Loenen, na een aanvankelijke weigering van de burgemeester, de eveneens De Wet geheten schietvereniging. Het is zeker geen toeval dat het vak Lichamelijke Oefening in 1890 een verplicht vak werd in het Lager Onderwijs en dat naar aanleiding van een door W.J. Hoytema voor de Nederlandse Bond voor Lichamelijke Oefening geschreven boek ’Op! Hollandsche jongens, naar Buiten’ de padvinderij werd opgericht. Ook Maarssen moest natuurlijk zijn eigen schietvereniging krijgen en welke locatie zou daarvoor geschikter zijn dan Fort Maarsseveen? Het lag er nutteloos bij, tot er een oorlog zou uitbreken, en die zou niet uitbreken want we waren immers neutraal, en het talud aan de oostkant kon mooi dienen als kogelvanger.
Voorzitter Frans Hendrik Knebel, oud-KNIL-militair, die woonde in het vroegere huis van Theo Scholten aan de Zandweg en secretaris Pieter Samuel Gerlings dienden bij de gemeente Maarsseveen een verzoek in tot oprichting van de schietvereniging die zij als hommage aan Seijffardt zijn naam hadden gegeven. De schietbaan zou komen te liggen aan de oostkant (achterkant) van het fort op de smalle kaveltjes (zie afbeelding 4). Er zou geschoten worden met geweren en revolvers van rijksmodel en met rijksmunitie. Zowel plaatselijke boeren als de Eerst Aanwezende Ingenieur tekenden bezwaar aan; de eersten omdat ze vreesden voor de melkkoeien en de tweede omdat de schietbaan ’zuiver gericht is op het Werk bij Maarsseveen’. De ingenieur protesteerde namens de bewoners en de militairen die ‘aldaar werkzaam mochten worden gesteld’. Burgemeester Strick van Linschoten ging om en weigerde op 18 mei 1901 de vergunning (zie afbeelding 5). Beide heren van de schietvereniging gingen echter in beroep bij de Raad van State en net als bij hun collega-schietvereniging in Loenen werd het besluit van de burgemeester vernietigd en mochten de schutters toch op hun smalle perceel hun passie gaan uitoefenen, maar wel met beperkende voorwaarden. Zo moest achter de schietschijf een kogelvanger komen van 4 bij 4 meter, met daarachter een ijzeren plaat van 6,25 m2. Er moesten zijschermen komen en er moest een mannetje staan op de Maarsseveense Vaartdijk, want het schieten moest ’tijdelijk worden gestaakt zoodra dit door den bestuurder van enig rij- of voertuig … wordt verlangt.’ Tot overmaat van ramp moest ook nog geschoten worden door een buis van 7 meter lang met een diameter van 0,4 m om te voorkomen dat opzij geschoten kon worden (zie afbeelding 6). 3) De loop van het geweer moest bovendien ook nog eens met een ketting vastgezet worden. Het zal de lezer niet verbazen dat hierna niets meer werd vernomen van deze schietvereniging.

Toepassing Kringenwet
Op de afbeeldingen 1 en 4 kunnen we zien hoe de kringen liepen. Aangezien de meeste bebouwing aan de Herenweg lag en ligt, heb ik dat detail gekozen om een en ander te verduidelijken. De aanval van de vijand werd verwacht uit de richting van Tienhoven en daar was geen storende bebouwing te vinden, maar een kring is natuurlijk een kring, dus moest met name de bevolking van de Herenweg voor iedere verbouwing of nieuwbouw toestemming hebben van de Eerst Aanwezend Ingenieur. In de Maarsseveense Vaart (de weg) werd in de jaren dertig van de twintigste eeuw ter hoogte waar de Veendijk de Vaart raakt een betonnen versperring opgericht waarin in tijd van oorlog stalen balken geplaatst konden worden om voertuigen tegen te houden. Die versperring is inmiddels geamoveerd.
Over de periode 1922-1938 hield de Eerst Aanwezend Ingenieur precies bij wat er in zijn traject van de Nieuwe Hollandse Waterlinie gebeurde. Ik beperk me hier tot de bouwaanvragen in de directe omgeving. 4) Vermoedelijk overlegden de inwoners eerst of iets mocht of niet, want er is in deze periode maar één afwijzende beschikking geweest. Die aanvraag was van A. van ’t Veld die in de eerste kring woonde, recht tegenover het Fort. Hij wilde in 1922 een schuur bouwen van 8 bij 5 meter en een hoogte van 4,85 meter. Dat was toch iets te gortig. Een jaar later kreeg hij echter wel toestemming om een varkenshok met uitloop te bouwen van bescheidener afmeting. Het jaar 1922 was sowieso een opvallend jaar. Het had op zeker moment ontzettend gestormd en er was enorme schade aangericht. Aannemer J.R. Simonis, schilder Besamusca en aannemer G.S. Bos verdienden samen f 42.796,00 aan herstel van stormschade, herstellen van kappen op schoorstenen en luchtkokers, schilderwerk en voorzieningen aan de forten tussen Maarsseveen en Vreeswijk. Van bewoners van de Herenweg kwamen vele aanvragen tot herstel van de stormschade binnen. In datzelfde jaar vroeg J. Bouwmeester of hij een hooiberg mocht oprichten ’bekleed met planken’. De gebroeders H. en G. Verhoef kregen eind 1924 toestemming om een houten huis te bouwen van 10 meter lang, 8 meter breed en 6 meter hoog op een stenen voet van 0,5 meter en met stenen stookplaatsen. Deze hoogte was de norm, de breedte en hoogte van volgende bouwaanvragen varieerden vaak. Ook iedere afrastering moest worden aangevraagd. J. van Kouterik vroeg in december 1932 toestemming om een 1 meter hoge afsluiting van 100 meter te mogen maken met houten palen en puntdraad en daar een ligusterhaag langs te planten. Sterker nog: twee jaar eerder moest J. Post vergunning aanvragen voor het planten van slechts twaalf vruchtbomen. Toen G.A. van der Wurff toestemming vroeg en kreeg om maar liefst 2000 vruchtbomen en 4000 heesters te mogen planten, had dat wel tot gevolg dat die toestemming werd gegeven ’onder afstand doen van het schadevergoedingsrecht.’
Ook uit onverwachte hoek kwamen de aanvragen voor bouw of oprichting bij de ingenieur binnen. Wat te denken van de aanvraag van de PUEM om een houten paal te mogen plaatsen ’en daaraan electrische geleidingen te plaatsen.’ In die tijd begon ook de opmars van de radio-omroep en ook langs de Herenweg wilden de bewoners kunnen genieten van dit nieuwe medium. Daarvoor waren wel antennes nodig en ook hiervoor moest toestemming worden gevraagd. Het hele jaar 1931 was de buurt druk doende met het oprichten van deze antennes. Deze waren tussen de 8 en 10 meter hoog en werden met een koperdraad met het woonhuis verbonden. We kunnen zo nog wel even doorgaan met een opsomming van aanvragen. Een opvallende wil ik nog noemen en dat is de aanvraag van A.J. de Groot van 26 maart 1935 waarin hij voor het kadastrale perceel sectie A nr. 1145 (water) het volgende wil aanleggen:
a. Een zwembassin van gewapend beton, lang 25 meter, breed 5 meter.
b. Een houten loopbrug … op drie der wanden.
Bij controle van het kadasternummer bleek inderdaad dat dit zwembassin in het zwembad van Van Ede lag. Menig Maarssenaar heeft in dit bad ’aan de hengel’ zwemmen geleerd.

Bezwaren tegen de Kringenwet
De bewaking van het fort vond plaats door zogenoemde ’wachters’. Zij waren de ogen en oren van de Ingenieur en woonden naast het fort. Tussen 1922 en 1930 was dat Johannes Heijsen; vanaf 1930 werd dat Willem Gregorius Frijlink en vanaf 1936 Arnoldus Schoenmakers. Bij de laatste twee valt op dat de economische crisis van 1929 ook hier doorwerkte. Niet alleen bij deze, maar bij iedere andere functie die vermeld wordt, staat aangetekend dat de nieuwe werknemer op arbeidsovereenkomst is aangenomen.
De fortenlinie was vanaf 1870 al achterhaald. Het vijandelijke geschut met zijn getrokken loop en brisantgranaten kon vrij eenvoudig vanaf grotere afstand door de omwalling en muren heen schieten. In de jaren dertig was er binnen het leger al sprake van om de defensie verder op te schuiven naar het oosten, met name naar de Grebbelinie. Er werd voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie steeds minder geld uitgetrokken. Werd er in 1922 nog ruim f 42.796,00 uitgegeven aan de forten tussen Maarsseveen en Vreeswijk, in 1933 was dat nog slechts f 32.263,00 en in 1934 f 23.662,00. Veel geld werd gestoken in de weg tussen Utrecht en de Grebbelinie. Er werd een kapitaal uitgegeven aan de bouw van kazematten in dit gebied. Die kostten ongeveer f 30.000,00. per stuk.
In de jaren twintig komt er vanuit de benadeelde gemeenten verzet tegen de beperkingen van de Kringenwet. Burgemeester en Wethouders van Maarsseveen betuigen hun adhesie aan de gemeenten Haarlemmerliede en Spaarnwoude die in 1923 een brief naar de Minister van Oorlog schrijven met het verzoek om de Kringenwet uit 1853 te versoepelen omdat hij achterhaald zou zijn. ’Sindsdien bracht de praktijk van den oorlog met zijn moderne oorlogswerktuigen een buitengewone omwenteling in het defensiewezen teweeg’, zodat zij zich afvragen of ’de onbeperkte handhaving der Kringenwet nog noodzakelijk moet worden geacht’. Deze wet zorgde er steeds meer voor dat de ’belangen van nijverheid en landbouw … ten zeerste worden geschaad’. 5) Drie jaar later komt het antwoord. B en W krijgen te horen dat hun verzoek niet kan worden gehonoreerd omdat dit zaken zijn die worden beoordeeld ’door factoren van krijgskundigen aard, welke den buitenstaanders niet kunnen worden medegedeeld.’ Een paar jaar later doen B en W van Maartensdijk ook nog een poging. Zij doen er zelfs nog een schepje bovenop. Zij baseren zich mede op ’uitlatingen van gezaghebbende militairen’ en stellen: ’dat toch inderdaad de opvattingen die men voor een twintigtal jaren omtrent de betekenis der bestaande forten en liniën had, zich in belangrijke mate hebben gewijzigd.’ Zij stellen dat door de toename van het verkeer de wegen die tot dan slechts landwegen waren, moesten worden verhard en verbreed en dat daarom sloten moesten worden gedempt. Zij krijgen binnen een jaar (april 1930) een krachtig antwoord. B en W hadden een ’onjuiste’ opvatting, immers ’de afgeloopen oorlog heeft toch duidelijk aangetoond, dat dergelijke werken zich … bij uitstek leenen voor een krachtdadige verdediging’ en daarom was nog steeds een vrij schootsveld nodig en ‘zulks is alleen te bereiken door een bebouwing, die het schootsveld zal belemmeren … reeds in vredestijd te beletten’. Het zou dus nog tot 1963 duren voordat de Kringenwet werd opgeheven. Wellicht dat het voor de omgeving een pleister op de wonde was dat de Eerstaanwezend Ingenieur te Utrecht er vanaf 1931 geen bezwaar tegen had dat ‘het publiek voor het schaatsenrijden gebruikt maakt van de grachten van verdedigingswerken.’

Ondanks het feit dat de forten nauwelijks een functie hebben gehad, werden deze zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog wel bemand. Hoewel er in de meidagen van 1940 niet gevochten is bij Fort Maarsseveen, was er wel een dode te betreuren. De 20-jarige Maarten de Hoog van het Bat. art. I-5-R.I. schoot zich vermoedelijk bij het schoonmaken van zijn wapen op 14 mei 1940 door het hart en stierf. Op Bevrijdingsdag 1945 verdronken Jacob van den Bosch en Bertus Heus in de fortgracht tijdens een treffen met Duitse soldaten. Naar verluidt is er ook een Duitse soldaat gesneuveld tijdens dit vuurgevecht. Na de Tweede Wereldoorlog bleven de forten nog wel onder beheer van Defensie, maar in de jaren zestig van de vorige eeuw werden ze steeds meer publiek domein en met name gebruikt door de padvinderij. Momenteel is men druk bezig om de hele Waterlinie rendabel te maken en is Fort Maarsseveen een C-fort geworden, een fort met een culturele bestemming.

Noten
1. Voor informatie over de militaire betekenis van de Nieuwe Hollandse Waterlinie verwijs ik naar:
G. Koppert (1983). De forten rond Utrecht. Utrecht. Stichting Matrijs.
D.T. Koen (1990). Utrecht verdedigd. Uitgeverij Matrijs.
Douwe Koen (1993). De Hollandse Waterlinie. Provincie Utrecht. Met daarin opgenomen een prachtige fietsroute.
2. RHCVV toegang 1031. Archief gemeente Maarsseveen 1818-1949. Inv. nr. 1754.
3. Idem Inv. nr. 1000.
4. Het Utrechts Archief toegang 565, inv. nrs. 4, 5 en 6. Voor de hele paragraaf is gebruik gemaakt van de garnizoensboeken over de periode 1922-1938.
5. RHCVV toegang 1031. Archief gemeente Maarsseveen 1818-1949. Inv. nr. 1754. Voor de gehele paragraaf is gebruik gemaakt van dit inventarisnummer.

Onderschrift afbeeldingen:
Afb 1: De drie Verboden Kringen om fort Maarsseveen richting Utrecht. Detail. Bron: Het Utrechts Archief (HUA).
Afb. 2: Houten huis, Herenweg 21 en 23. Foto: Wally Smits.
Afb. 3: Kaart van 10 november 1879 van te onteigenen grond (de strook langs de Herenweg) voor de bouw van Fort Maarsseveen. Bron: Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen (RHCVV).
Afb. 4: De Kleine Verboden Kring rond Fort Maarsseveen. Bron: HUA.
Afb. 5: De weigering van B en W van Maarsseveen van de vergunning aan schietvereniging Seijffardt. Bron: RHCVV.
Afb. 6: E is een ijzeren buis van 7 meter lang met een middellijn van 0,40 meter waarin het geweer met een ketting moet worden vastgemaakt. Bron: RHCVV.