400
700
900
Het dorpsbestuur van Maarssen in rumoerige tijden. De personen ( Deel 1)
Schaik, Wim van

Het dorpsbestuur van Maarssen in rumoerige tijden. De personen ( Deel 1)

45e jaargang (bladzijde 146) nr.4 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Dorpsbestuur

Plot

Dit is de tekst zonder afbeeldingen. Zie voor afbeeldingen de papieren editie.



Het dorpsbestuur van Maarssen in rumoerige tijden Deel 1
De personen

Auteur: Wim van Schaik

In de negentiende en twintigste eeuw werd nogal meewarig gedacht over de samenstelling en de bestuurskracht van de dorpsbesturen. 1) In twee artikelen zal worden nagegaan of deze kwalificatie voor het dorpsbestuur van Maarssen opging. In dit artikel wordt eerst iets gezegd over het ontstaan en de samenstelling van de dorpsbesturen, vervolgens wordt bezien in hoeverre het bestuur een afspiegeling vormde van de bevolking. In een volgend artikel wordt ingegaan op het beleid dat zij konden voeren. Daarbij is gekozen voor de periode 1780-1830, een van de meest turbulente tijdvakken in de Nederlandse politiek. Tussen 1795 en 1815 wisselden een aantal regeringsvormen elkaar af in de richting van een steeds centralistischer bestuur (zie afbeelding 1). In dit artikel komen de bestuurders die daar in Maarssen vorm aan moesten geven aan bod.

Van buurspraak naar schepenbank
Rondom kerkstichtingen, waarvan de oudste op het Utrechtse platteland dateren van voor de tiende eeuw, ontstonden in de middeleeuwen van lieverlee dorpen. Onderlinge geschillen die daar voorkwamen werden aanvankelijk opgelost via burengerechten, ofwel buurspraak. De ‘volle’ buren, dat waren degenen die een bepaald grondoppervlak bewerkten, deden daarbij uitspraak. De voorzitter van deze burengerechten, aanvankelijk meier en later schout genaamd, werd in Utrecht vanaf de dertiende eeuw door de bisschop benoemd. Aldus ontstond er op het platteland een vorm van plaatselijk bestuur. Dit bestuur had de bevoegdheid om recht te spreken en om ambtenaren te benoemen. Deze bevoegdheid werd later door de bisschop en de landsheren die na hem kwamen meestal aan particulieren verkocht. Het gerecht kwam aldus in handen van een 'heer' en werd daarmee 'heerlijkheid'. Zo werd in 1714 Maarssen door de Staten van Utrecht voor f 12.800 verkocht aan de Heer van Ter Meer, die zo ambachtsheer werd.
De buren waren ‘dingplichtig’. Dat betekende dat ze verplicht waren om aan de rechtspraak mee te doen en daarvoor eventueel hun werk in de steek te laten. Ongeïnteresseerdheid, omkoopbaarheid, partijdigheid en willekeur zijn enkele van de bezwaren die genoemd werden tegen deze wijze van rechtspraak. De inwoners van Maarsseveen brachten dat destijds duidelijk onder woorden. Behalve het feit dat de buren hun werk in de steek moesten laten, verdronken zij bij deze gelegenheden ook vaak hun geld. De procedure was wanordelijk: jong en oud, sommigen dronken en anderen slecht gemotiveerd, liepen door elkaar. De uitspraken werden partijdig gevonden en het gevolg van alle tumult die ontstond was, dat de geschillen niet opgelost werden. 2)
De oplossing werd gevonden door de omzetting van burengerechten in schepenbanken, bestaande uit een aantal dorpsgenoten onder voorzitterschap van de schout. Het aantal schepenen per gerecht varieerde van drie, onder andere in Vinkeveen, tot zeven, bijvoorbeeld in Renswoude; in Maarssen waren er vijf. Zij werden door de zittende schout en schepenen voorgedragen en vervolgens meestal door de ambachtsheer benoemd (zie afbeelding 2). Soms waren de dorpelingen zo voortvarend om zelf een schepenbank in te stellen, zonder bisschoppelijke goedkeuring. Hoewel de bisschoppelijke ambtenarij daar over het algemeen grote moeite mee had, lukte dat in Maarssen toch: in 1392 vormden ambachtsheer en dorpsgenoten een schepenbank, de officiële instelling door de bisschop volgde pas in 1479. 3)



Uitbreiding taken
Hoewel de oorspronkelijke taak van de gerechten bestond uit het oplossen van geschillen, kwamen daar van lieverlee ook andere taken bij. Doordat de gerechten telkens de op een kwestie toe te passen regels moesten zien te vinden, vormden zij op deze wijze ook het recht. Naast de toenemende hoeveelheid regels van de hogere overheid konden de gerechten, met goedvinden van de ambachtsheer, plaatselijke reglementen uitvaardigen op terreinen die de eigen huishouding betroffen, zoals de openbare orde, gezondheid en veiligheid. Naast rechtspraak en wetgeving nam ook het bestuur, bijvoorbeeld wat betreft de financiën, een steeds belangrijker plaats in. Daarbij was er ook nog iets van de oude buurspraak overgebleven. Voor een aantal belangrijke besluiten, zoals het vaststellen van de hoogte van de dorpslasten, was instemming nodig van de geërfden, de grondeigenaren. Die was via een provinciale ordonnantie in het leven geroepen naar aanleiding van klachten over het declaratiegedrag van schouten en schepenen (Ook toen al!). 4) Kortom: de rechtspraak inzake geschillen nam bij de gerechten slechts een zeer kleine plaats in. Met uitzondering van de zogeheten voluntaire jurisdictie, dat wil zeggen zaken als het opstellen van koop- en leenakten, verkopingen en ook het sluiten van huwelijken tussen niet-gereformeerden, was hun taak vooral het besturen van het dorp. In 1798 werd hun naam dan ook veranderd in ‘gemeenten’ (zie afbeelding 3).

Het Maarssens dorpsbestuur
In het begin van de jaren 1790, de nadagen van de Republiek der Verenigde Nederlanden, zag dit gerechtsbestuur er als volgt uit: Schout was sinds 1778 de Utrechtse notaris Willem Voorsteegh (Utrecht 1749-Utrecht 1825). Uit een overzicht van zijn werkzaamheden blijkt hoe veelzijdig de besognes van dit soort bestuurders waren. Zo was hij ook betrokken bij de turfwinning in Westbroek en zaakwaarnemer voor het domein van Slot Zuylen.

De volgende personen waren in 1795 vóór de omwenteling schepen:
Naam Beroep/bedrijf Indicatie geboortejaar Herkomst Bijdrage in guldens in de zetting consumptief 1789-1790*
Willem Elffers Timmerman 1736 Maarssen 23
Johannes Hageman Schoenmaker 1746 Maarssen 21
Jan de Molenaar Loodgieter 1735 Maarssen 22
Johannes Simmer Slachter 1743 Maarssen 40
Wormert Jacob van Willigenburg Schilder 1757 26
* Het dorpsgemiddelde was ongeveer twintig gulden. Via deze zetting werd het door het dorp aan de provincie te betalen bedrag over de ingezetenen verdeeld. Bron: RHCVV Gerecht Maarssen, 140 uitzetting der consumptieve lasten. Hervormde gemeente Maarssen, doop-, trouw- en begraafboeken.

Als geërfden traden bij de zettingen op (met vermelding van hun beroep en bijdragen in de consumptieve lasten bij die geërfden die geen lid waren van het gerechtsbestuur): Gijsbert Brans (rentenier, f 32), Jan Pieter Bredius (rentenier, f 55), Cornelis Caldij, Coenraad Schaade Clump (winkelier, f 30), Jan Hendrik Cramer (rentenier f 63), ? Creuts (rentenier, f 66), Willem Elffers, Johannes Hageman, Jan Carel van der Meulen (rentenier, f 80), Alexander Petrus Nahuijs (professor, f 67), Leendert Pelleman, Adrian van Romond (vroedschap van de stad Utrecht, f 67), Johannes Simmer.
De bestuurders bleven zeer lang op hun post; afgetreden schepenen werden bijna steeds herbenoemd. Elffers, Hageman, De Molenaar en Simmer zaten al minstens vanaf het begin van de jaren 1780 in het bestuur, Van Willigenburg was in 1793 lid geworden. Doordat vrouwen, niet-gereformeerden en bedeelden niet in aanmerking kwamen, moesten zij uit een kleine groep gerekruteerd worden. Slechts 7% van de bevolking kwam voor benoeming in aanmerking.

Van gerecht naar gemeente
Door de Franse machtsovername kregen de voormalige patriotten, toen Bataven genaamd, de mogelijkheid om het oude gezag buiten werking te stellen en een nieuwe staat van onderaf op te bouwen. In Maarssen (zie afbeelding 4), mogelijk de eerste plaats op het Utrechtse platteland waar de revolutie zich voltrok, verliep dat als volgt: de burgers Joseph Jansen, Gerrit Jan Ewald en Hendrik Meijster vertrokken vandaar naar de Statenvergadering in Utrecht voor instructies. De Maarssenaren wachtten het resultaat daarvan echter niet af en benoemden de volgende dag al een provisioneel revolutionair bestuur. 5) Op 7 februari 1795 werd het volk van Maarssen en Maarsseveen door het gemeenschappelijke Comité Revolutionair bijeengeroepen. Op die bijeenkomst werden de gerechtsbestuurders, inclusief de schouten, secretarissen en bodes, van beide dorpen ‘gerekwireerd’ om de vergaderplaats onverwijld te verlaten en als stille, ambteloze burgers naar huis te gaan. Zij waren allen immers onbevoegd, want niet door het volk benoemd. Ze kregen daarbij wel de toezegging dat zij zodanige protectie van persoon en goed zouden ervaren als waar iedere burger aanspraak op had. 6)

Het Comité Revolutionair van Maarssen (M) en Maarsseveen (MV)
Naam Beroep/bedrijf Indicatie geboortejaar Godsdienst Bijdrage in de zetting consumptief 1796 (M)/1790 (MV)
Johannes Dusseldorp Koperslager (MV) (1753) rooms-katholiek 14 (guldens?)
Hendrik van Eijk Smid (M) 25
Theodorus Heijmans Kleermaker (M) 1748 10
Pieter Horn Slager (MV) (1757) gereformeerd 27
Dirk Maureau Schoenmaker (M) rooms-katholiek 21
Pieter Maureau Schilder (MV) 1771? rooms-katholiek 22
Hendrik Meijster Rentenier (M) rooms-katholiek 34
Willem van Rossum Brugman (M) 20

De sociale status van deze leden komt redelijk overeen met die van hen die voor 1795 het bestuur vormden, met dien verstande dat nu ook katholieken deel van het bestuur uitmaken. Tot lange politieke carrières zou dit niet leiden; alleen Hendrik Meijster maakte langer deel uit van de municipaliteit.
Aansluitend werd een nieuw bestuur benoemd voor de vooralsnog Provisionele Municipaliteit. Op 6 juni daaraanvolgend werd door het nieuwe bestuur, samen met het Comité Revolutionair, een reglement ontworpen. Daarin werd onder meer bepaald dat, indien enigszins mogelijk, de helft van de schepenen rooms-katholiek moest zijn. 7) Door de vaststelling van het reglement verdween het predicaat ‘Provisionele’ en werd het Comité Revolutionair opgeheven. In het reglement werd nog gesproken over de ‘volkswil’. Later kreeg die volkswil de naam grondvergadering, zoals in 1797 bij een hernieuwde vaststelling van het reglement werd vermeld. Er werd toen ook bepaald dat de municipaliteit, of regering, bestond uit de schout en vier schepenen. Zij werden niet meer door de ambachtsheer op voordracht van het dorpsbestuur benoemd, maar rechtstreeks door de burgers gekozen. Die verkiezing vond plaats in de twee grondvergaderingen die er op basis van het aantal inwoners in Maarssen waren. Zoals gezegd moest de helft van de schepenen rooms-katholiek zijn. Ze moesten hun vaste woonplaats in Maarssen hebben, eerlijk en betrouwbaar zijn en, behoudens overmacht, de vergaderingen stipt bijwonen. 8)

Het bestuur van de Maarssense municipaliteit
Willem Voorsteegh werd afgezet als schout. In zijn plaats kwam Gerrit Jan Ewalt, mogelijk afkomstig uit Amsterdam. 9)
In de municipaliteit zaten:
Naam Beroep/bedrijf Indicatie geboortejaar Godsdienst Bijdrage in de zetting consumptief 1796
Gerardus Broekman Winkelier (1735) rooms-katholiek 16
Cornelis Houtman Schilder 1748 gereformeerd 27
Hendrik Meijster Rentenier rooms-katholiek 34
Hemannus van Nieuwenhuizen Metselaar 1753 rooms-katholiek 30
Jan Oudshoorn Timmerman 1744 rooms-katholiek 22

Evenmin als het Comité Revolutionair zou dit bestuur een erg duurzaam karakter hebben; al in 1802 werden de bakens opnieuw verzet. De revolutionaire grondwet van 1798 bracht niet de gewenste verbeteringen en werd in 1801 (na weer een staatsgreep) door een nieuwe vervangen (zie afbeelding 5). Daarbij werd een aantal maatregelen teruggedraaid. Zo kregen de schouten die in 1795 waren ontslagen hun functies terug. Gerrit Jan Ewalt moest dus weer plaats maken voor Willem Voorsteegh. Ook onder de leden van het gemeentebestuur blijken in 1805 weer een aantal bekende namen voor te komen:

Jan Hageman Schoenmaker 1746 gereformeerd 20
Gijsbert van Hulst Scheepmaker 1747 rooms-katholiek 32
Hermannus van Nieuwenhuizen Metselaar 1753 rooms-katholiek 32
Johannes Simmer Slachter 1743 gereformeerd 50
Wormert Jacobs van Willigenburg Schilder 1757 gereformeerd 32

Hageman, Simmer en Van Willigenburg uit het voorrevolutionaire bestuur keerden terug, aangevuld met het municipaliteitslid Van Nieuwenhuizen en met Van Hulst als nieuwe naam. De beroepsachtergrond en de welstand van de bestuurders blijkt ongeveer hetzelfde gebleven te zijn; alleen de godsdienstige verdeling is veranderd. De twee oudste gereformeerden hebben plaatsgemaakt voor katholieken. Dat gaf, gelet op de religieuze verdeling (rooms-katholiek 44%, gereformeerd 43%, joods 10%, luthers 3%), een evenwichtiger situatie.

In het koninkrijk van Willem I
Nadat de titel ambachtsheer in 1795 was afgeschaft, kreeg deze na 1802 geleidelijk weer een aantal rechten terug. Het recht om schout en schepenen te benoemen hoorde daar echter niet bij. In 1816 en 1825 werden door koning Willem I reglementen opgesteld voor het plattelandsbestuur (zie afbeelding 6). Daarin was geregeld dat de schout door de koning benoemd werd, wel weer op voordracht van de ambachtsheer. De benoeming van de raadsleden geschiedde voortaan door Provinciale Staten. Over voordrachten werd niet gesproken, maar die bestonden in een aantal plaatsen wel. Een forse beperking van het aantal mogelijke raadsleden vloeide voort uit de eis, dat de persoon in kwestie een minimumbedrag aan belasting betaalde. Deze census bedroeg vanaf 1816 f 50 en na 1825 f 30, bedragen waar slechts enkelen aan toe kwamen. Willem I was een autocratisch vorst; iets dat in de gemeenten terugkwam in een dominante positie van de schout (die na 1825 burgemeester ging heten). Een gevolg daarvan was ook dat de inspraak van geërfden nagenoeg geheel verdween. Na 1816 had een aantal hoogst aangeslagen ‘contribuabelen’ nog medezeggenschap over de belastingheffing. Vanaf 1825 werden alleen belanghebbende grondeigenaren nog geraadpleegd als het om hun eigendom ging.

Het gemeentebestuur in 1825
Theodorus van der Vliet (Maarssen 1768 - Maarssen 1828) was, als aankomend notaris, in 1795 lid van de representanten, het revolutionaire provinciebestuur. Dat verschafte hem toegang tot de provinciale elite, ook toen hij aan het begin van de negentiende eeuw schout werd van Maarssen. 10) Doordat Willem Voorsteegh in 1802 terugkwam in zijn functie, duurde het nog tot 1817 voordat Van Vliet hem opvolgde. Hij bleef tot zijn overlijden burgemeester en secretaris van Maarssen. Johannes Gerardus Dolmans (Maarssen 1802–Maarsseveen 1856), die hem in 1828 opvolgde, was een stuk jonger toen hij burgemeester werd, aanvankelijk van Maarssen, later kwamen daar Maarsseveen en Maarssenbroek bij. Toen hij op zijn 26e tot burgemeester benoemd werd, was hij griffier van het Vredegerecht in Maarssen. In 1848 werd hij gekozen tot lid van de Tweede Kamer. Door zijn benoeming tot burgemeester moest zijn grootvader Gijsbertus van Hulst, vanwege deze nauwe familieverwantschap, zijn functie als assessor (wethouder) opgeven. 11)
De gemeenteraad vertoonde in 1825 het volgende beeld:

Naam Beroep/bedrijf Geboortejaar Herkomst Godsdienst
Jan Hageman (assessor) Schoenmaker 1746 Maarssen gereformeerd (sinds 1816: nederlands-hervormd)
Gijsbertus van Hulst (assessor) Scheepmaker 1747 Maarssen rooms-katholiek
Arie Boskoop Boer 1756 Tienhoven gereformeerd
Hermannus van Nieuwenhuizen Metselaar 1753 ? rooms-katholiek
Huijbertus van Dorsten Chirurgijn 1761 Utrecht gereformeerd
Jacobus Dolmans Timmerman 1769 Maarssen rooms-katholiek
Thomas Branssen Kastelein 1775 Utrecht rooms-katholiek
Stephen Deeges Rentenier 1770 Homburg (Saarland) ?

Maarssen vergeleken met andere Utrechtse dorpen
Om te beginnen vergelijken we de schouten/burgemeesters: dat waren twee notarissen, een rechterlijk ambtenaar en één waarvan het beroep niet bekend is. Het notariaat en de ambtelijke dienst waren toen de meest voorkomende wegen naar het burgemeesterschap; de ambtsdragers van Maarssen passen daar dus aardig in. Gerrit Jan Ewalt, degene over wie weinig bekend is, was rooms-katholiek. Ook Van der Vliet en Dolmans waren katholiek. Dat was een uitzonderlijke situatie. Zelfs in dorpen met een grote rooms-katholieke meerderheid, zoals Soest, zou het nog jaren duren voordat het ook daar normaal werd.
Dan komen de schepenen/raadsleden. Rijk, boer, protestant en ter plaatse geboren en getogen. Dat waren stereotypen van de toenmalige dorpsbestuurders. Klopte dat voor Maarssen ook?
Evenals in de andere dorpen deden ook hier de rijksten niet mee aan het bestuur. Zij hadden hun belangen vaak elders. In het hierboven genoemde lijstje van geërfden kwamen zij wel voor. Gegoede ingezetenen, waaronder ook enkelen met een minder grote welstand; dat was het beeld van de raadsleden. Daarbij moet worden aangetekend dat het vanaf 1816 vereist was dat er een bepaald bedrag aan belasting betaald werd om raadslid te mogen worden, waardoor de minder welgestelden in principe niet meer benoemd konden worden. Het aantal ‘kiesgerechtigden’ daalde daardoor van 7% in de jaren 1780 tot 4% in de jaren 1820. Uitzonderlijker was dat de boeren in Maarssen duidelijk in de minderheid waren. Dat kwam wel overeen met de beroepen waarin de inwoners werkzaam waren. Tegenover de ongeveer 15% van de bevolking dat in 1790 zijn brood in de landbouw verdiende, was 31% werkzaam in de nijverheid, 26% in de zakelijke dienstverlening en was er een grote groep renteniers. Tot 1795 was het min of meer een vereiste dat bestuurders gereformeerd waren. 12) In de periode daarna veranderde dat. In Maarssen steeg de deelname van katholieken aan het bestuur van 40% in 1805, via 67% in 1815 tot 43 % in de jaren 1820; een percentage dat uiteindelijk overeenkwam met hun aandeel in de bevolking. De bevolking van het Utrechtse platteland was beslist geen statische groep; verhuizingen kwamen zeer veel voor. Het grote aantal ‘importen’ dat in de dorpsbesturen terechtkwam, geeft aan dat het zeker geen gesloten bastions waren. In Maarssen bedroeg het aandeel van elders geboren dorpsbestuurders in de periode 1780-1789 14% en in de periode 1820-1829 zelfs 36% van de bestuursleden. De zittingsduur van de Maarssense bestuurders bleef lang: Hageman was al (ver) voor 1795 schepen en Van Nieuwenhuizen was via de municipaliteit opgekomen. De genoemde stereotypen waren dus maar zeer gedeeltelijk van toepassing op Maarssen.

Conclusie
Ondanks de ambities van de revolutionairen was het democratisch gehalte er onder de opvolgende staatsvormen op achteruit gegaan. Weliswaar hadden de katholieken stemrecht gekregen, maar aan de andere kant was het aantal stemgerechtigden door de hoge welstandseis aanzienlijk beperkt. Ondanks deze beperking bood het dorpsbestuur een behoorlijke weergave van de samenstelling van de bevolking. Door de veelvuldige herbenoemingen waren de zittingsduren lang. Ook de schouten/burgemeesters bleven lang in functie. Twee van de vier waren geboren en getogen in Maarssen en speelden daarnaast ook een rol op een hoger bestuurlijk niveau. Of dit bestuur erin slaagde een eigen beleid te voeren, komt in het volgende artikel aan de orde.

Bronnen
RHC Vecht en Venen: Archief Gerecht Maarssen 1614-1813.
RHC Vecht en Venen: Archief Gemeente Maarssen 1813-1938.
H.W.G. van Schaik (2017). In de maat en uit de pas, Utrechtse dorpsbesturen 1780-1830.


Noten
1. Over de samenstelling: 'de schepenbank was, afgezien van de rechterlijke taak, een ambtelijk bestuursorgaan, dat belast was met de uitvoering van het beleid zoals dat lokaal werd bepaald door de geërfden...' In: C. van Schaik, Overlangbroek op de kaart gezet, dorp landschap en bewoners, waaronder een familie De Cruijff, Hilversum 2008, p. 26.
Over de bestuurskracht: 'Het platteland stond geheel en al onder de voogdij der Staten: deze waren het, die het eigenlijke bestuur in handen hadden, en het door hunne ambtenaren in de dorpen lieten uitoefenen. Men was blijkbaar van de volkomen onmacht van de plattelandsgemeenten om zichzelve te besturen overtuigd, vanwaar anders die op alles vereiste goedkeuring?' In: P.W. van Heusde. De autonomie der gemeente in Nederland: historisch-staatsregtelijk onderzoek. Utrecht 1871, p. 80.
2. J. van de Water. Octrooi van die van Maarsseveen, 2 mei 1530. In Groot placaatboek II, p. 1188.
3. D.Th. Enklaar. Schepenbank ten platten lande van Utrecht. In: Mededelingen van de Vereeniging tot uitgave der bronnen van het oud-vaderlandse recht. Achtste deel, nr. 1, pp. 61- 6.
4. J. van de Water. Ordonnantie van de Ed. Mog. Heeren Staten ’s Lands van Utrecht, rakende de dorpslasten, 28 november 1657. In: Groot placaatboek II, pp. 494-497.
5. F. Vogelzang. Revolutie in Utrecht, Steden en platteland 1795-1798. In: Jaarboek Oud-Utrecht 2011, p.178.
6. RHC Vecht en Venen. Gerecht Maarssen 3. Notulen van het gerecht 7 februari 1795.
7. Idem 57. Reglement betreffende de samenstelling en taken van de municipaliteit; Inmiddels kennelijk alleen voor Maarssen; Maarsseveen werd niet genoemd.
8. Idem 4. Vergadering van stemgerechtigde burgers. 31 december 1797.
9. K. Strengers-Olde Kalter. Kansen voor revolutionair en katholiek. Bestuurlijke omwenteling in Maarssen 1795-1798. In: Historische Kring Maarssen 38 (2011), pp. 15-23.
10.Voor een uitgebreide beschrijving: K. Strengers-Olde Kalter. Eerst de heren, vervolgens de burgers. De invloed van notabelen op het plaatselijke bestuur van Maarssen na 1813ʻ. In: Jaarboek Oud Utrecht 2011, pp. 198-199.
11. Maria, een dochter van Gijsbertus van Hulst, was getrouwd met Johannes Ludovicus Dolmans, één van de leden van de commissie van contribuabelen. Gijsbertus was bij zijn aftreden overigens de tachtig al gepasseerd.
12. In plaatsen met een grote, rooms-katholieke meerderheid, zoals Maarssenbroek, kwamen ze wel voor.

Afbeeldingen:

1. Stadhouder Willem V, mikpunt van het patriots verzet tegen het centralistisch bestuur aan het eind van de Republiek der Verenigde Nederlanden, kopergravure R. Vinkeles. Bron: Het Utrechts Archief (HUA) 32013.

2. Nominatie schepenen voor het jaar 1793. Bron: RHC Vecht en Venen.

3. Links naast de berceau van Ter Meer, de herberg De Zwaan die dienst deed als rechtshuis. Bron: HUA 206392.

4. De Bolensteinsestraat aan het eind van de achttiende eeuw. Bron: HUA 200703.

5. Aan de grondwet van 1798 was overigens ook een via een volksstemming verworpen versie vooraf gegaan. Bron: RHC Vecht en Venen.

6. Koning Willem I. De tijd van de grote mannen was herleefd.