45e jaargang (bladzijde 106) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Dit is de tekst zonder afbeeldingen. Zie voor afbeeldingen de papieren editie.
Elsenburg, de verdwenen buitenplaats Deel 6
Elsenburg III: Een zeer aanzienlijk, extra welgelegen en buitengemeen vermakelijk buitengoed
Auteurs: Jan Simonis
Hans van Bemmel
Jaap Kottman
In deze reeks artikelen over de verdwenen buitenplaats Elsenburg, ooit gelegen op het huidige landgoed Doornburgh, worden drie opeenvolgende huizen met de naam Elsenburg beschreven. We noemen deze Elsenburg I, II en III. In de voorgaande delen is aandacht besteed aan Elsenburg I en II. In dit artikel en twee volgende delen wordt een beschrijving gegeven van het grandioze Elsenburg III, dat rond 1795 gebouwd is en waarschijnlijk het grootste buitenhuis was dat ooit langs de Vecht is gebouwd.
Veranderingen in het Vechtlandschap
De bouw van buitenhuizen aan de Vecht in Maarssen bereikte in het derde kwart van de zeventiende eeuw een hoogtepunt en nam daarna geleidelijk af. In het vierde kwart van de achttiende eeuw - het begin van een periode gekenmerkt door economische teruggang, politieke onrust, revolutie en bezetting - was het stichten van buitenplaatsen geheel tot stilstand gekomen en begon de afbraak van veel van de bestaande buitenhuizen. De economische neergang trof niet iedereen in gelijke mate. Tegenover de grote structurele werkloosheid en de verarming van de bevolking stond zelfs een groeiende voorspoed van kleine groepen die profiteerden van activiteiten in de financiële sector. De historicus E.H. Kossmann zegt over deze periode: ‘(…) dat de regenten en grote bankiers een tijd van voorspoed doormaakten, de kleinere bankiers, de kooplui, de brede middenstand echter door de economische achteruitgang en de structurele wijzigingen in het economisch stelsel ernstig werden getroffen. Het lagere volk leed nood, maar met de boeren ging het goed.’ 1)
Aan de Vecht manifesteerde de economische achteruitgang zich vooral in het verdwijnen van de kleine buitenplaatsen; de bezitters van de grootste buitenplaatsen wisten zich beter te handhaven. Dit blijkt duidelijk uit de kadasterkaart van Maarsseveen uit de periode 1811-1832: veel kleine buitenplaatsen zijn daarop verdwenen. Hetzelfde gebeurde in andere landstreken met veel kleine buitenplaatsen, bijvoorbeeld Watergraafsmeer en langs de Amstel. Streken met grote buitenplaatsen zoals Kennemerland en ’s-Graveland doorstonden de Franse tijd beter. 2) Het gevolg van het verdwijnen van de kleine buitenplaatsen in de Vechtstreek was het ontstaan van een meer open landschap waarin bebouwing werd afgewisseld met weilanden en akkerlanden. In die tijd veranderden ook de tuinen van de buitenhuizen. De strenge geometrische stijl werd vervangen door een nieuwe landschapsstijl. Uiteindelijk veranderde ook de architectuur: ’Om beter in de gewijzigde situatie te passen werden de nieuwe huizen (en sommige bestaande huizen, auteurs) uitgevoerd met witte wanden (bedoeld is gevelwanden, auteurs) en in een strakkere vormgeving’. 3) Die trend zette zich in de negentiende eeuw voort.
Het vermoeden bestaat dat de Amsterdamse neoclassicistische bouwmeester Abraham van der Hart en zijn assistent B.H.W. Ziesenis een grote rol hebben gespeeld bij deze verandering in de bouwstijl van de Utrechtse buitenhuizen. Elsenburg, dat wil zeggen het rond 1795 gebouwde Elsenburg, is volgens Meischke een voorbeeld van deze veranderde architectuuropvattingen. Met het nieuwe Elsenburg, zo zegt hij, is de periode begonnen van het witte buitenhuis aan de Vecht. 4)
De opdrachtgever
Jan de Witt (1755-1809), de opdrachtgever voor het nieuwe Elsenburg (III), was een telg uit een rijke en vooraanstaande Amsterdamse patriciërsfamilie (zie afbeelding 1). De vader van Jan de Witt, François de Witt, was onder andere burgemeester, schepen en raad van de stad Amsterdam. Ook Jan zou als schepen en raad actief worden in het stadsbestuur. Hij erfde op twintigjarige leeftijd in 1775 het buiten Elsenburg (II). Zijn stiefmoeder Agneta Geertruida Baronesse van Lockhorst, tweede vrouw van zijn vader, bleef nog jaren op Elsenburg II wonen, terwijl erfgenaam Jan op ‘Grand tour’ door Europa ging. Bij zijn huwelijk op drieëntwintigjarige leeftijd in 1779 met Johanna Clifford, dochter uit een Amsterdamse bankiers-, handels- en regentenfamilie, werd het huis echter aan hem overgedragen. Net zoals Theodorus de Leeuw, begon de nieuwe eigenaar direct met de vergroting van zijn buiten door aankoop in 1780 van het naast Elsenburg gelegen kleine buiten Somerbergen (ook Moins et Content genaamd). Hij brak het huis af en voegde de bijbehorende grond toe aan Elsenburg. In 1784 kocht hij ook nog de hofstede Diependaal, gelegen aan de Diependaalsedijk achter Elsenburg. Bij zijn vertrek naar het buitenland in 1788 verkocht hij de hofstede echter weer. 5) Al met al zou De Witt het buitengoed nauwelijks uitbreiden, want bij de bouw van Elsenburg III had de buitenplaats een oppervlakte van 27 morgen en 300 roeden, dat is ruim 23 ha en dat was ongeveer gelijk aan de grootte van de buitenplaats bij aankoop door zijn vader.
De politieke spanningen in de Republiek tussen patriotten en prinsgezinden manifesteerden zich ook in het stadsbestuur van Amsterdam. Dit leidde uiteindelijk, na de inval van een Pruisisch leger, tot de verwijdering van de patriotten uit het bestuur van de stad door stadhouder Willem V in 1787. Jan de Witt vertrok met vele andere patriotten, onder wie een grote groep van rond tweehonderd regenten, naar het buitenland; eerst naar Brussel en daarna naar Parijs. 6) Hij woonde daar met andere vooraanstaande patriotse regenten in de buurt van de chique rue de la Chaussée d’Antin. Daar hadden onder andere de minister van financiën van Lodewijk XVI, Necker, en de revolutionaire leider uit de beginjaren van de revolutie, Mirabeau, hun woning. Hij verbleef ook vaak op zijn landgoed in Argenvillers en later op zijn kasteeltje in Condé-sur-Iton in Normandië, waar hij in 1809 op drieënvijftigjarige leeftijd zou overlijden.
De Parijse patriotten
De gevluchte patriotse regenten onderhielden vele en nauwe contacten met leden van de Franse regering en met de revolutionaire volksvertegenwoordigers. De Parijse groep van vluchtelingen, waarin De Witt een zeer belangrijke rol speelde, richtte zich vooral op het verkrijgen van Franse steun voor de bevrijding van de Republiek en op financiële ondersteuning van de vluchtelingen door de Franse overheid. De Witt was niet alleen politiek actief in Parijs, maar ontplooide daar ook zakelijke activiteiten via de in 1792 opgerichte ‘Association de Propriétés & Reconstructions des Maisons Bâtiments du Saint-Sépulcre’, waarvan hij samen met andere rijke Amsterdamse vluchtelingen de aandelen bezat. Deze onderneming ontwikkelde onder meer plannen voor de bouw van een winkel-, ontspannings- en appartementencomplex in Parijs onder de naam ‘Maison Batave’. Later, toen De Witt vanuit Holland definitief terugkeerde naar Frankrijk, zou hij nog veel meer bouwactiviteiten ontwikkelen die hem, naar het schijnt, tot een zeer rijk man maakten.
Na het uitroepen van de Bataafse Republiek door de patriotten in 1795 - met steun van het binnengevallen Franse leger - en de vlucht van Willem V naar Engeland, keerde De Witt terug naar Nederland, waar hij opnieuw lid werd van het stedelijk bestuur van Amsterdam. Namens deze stad werd hij ook lid van de ‘Provisionele Representanten van het Volk van Holland’, het hoogste bestuursorgaan van het gewest Holland dat de macht had overgenomen van de Staten van Holland en West-Friesland. De besluiten van dit bestuursorgaan zouden van grote invloed zijn op de staatkundige vormgeving van het latere Koninkrijk der Nederlanden. Vele vooraanstaande patriotse vluchtelingen kregen in de Bataafse Republiek belangrijke posities, zo ook De Witt. Hij werd benoemd tot ambassadeur van de Republiek in de Zwitserse kantons en in Graubünden (1795-1796).
In deze jaren besloot Jan de Witt het oude Elsenburg af te breken en te vervangen door een nieuw huis, Elsenburg III. Het werd een huis waarover Meischke schreef: ’Dit grandioze huis overtrof zelfs het Huis ter Meer in afmetingen en was waarschijnlijk het grootste buitenhuis ooit aan de Vecht gebouwd.’ 7)
Bronnen van informatie
Hoe zag het huis eruit en wie was de architect? Er zijn drie belangrijke bronnen van informatie waaruit geput kan worden. De eerste bron bestaat uit de bewaard gebleven tekeningen van de plattegronden, het palenplan en de ontwerptekeningen van de entreetrap en de zijgevel van het huis. Dat de tekeningen daadwerkelijk Elsenburg betreffen - daarover bestond twijfel -, is te zien op de pre-kadastrale inmeting van 1810. De omtrek van het huis op de kaart van deze inmeting komt precies overeen met de bewaard gebleven plattegronden. 8) Bovendien komt de indeling van het huis zoals weergegeven op de plattegronden, exact overeen met de beschrijving die het veilingbiljet (zie hieronder) van de indeling van het huis geeft.
De tweede belangrijke bron bestaat uit vier geaquarelleerde interieurtekeningen van het voornaamste vertrek van Elsenburg, de ‘Saal’ of salon. Deze tekeningen geven een beeld van de uiterst luxueuze inrichting naar de laatste mode van die tijd. Ook hier zijn in het verleden twijfels geuit of de tekeningen wel Elsenburg betreffen. De vier interieurtekeningen komen echter uitstekend overeen met de op één van de voornoemde plattegronden weergegeven ‘Saal’ of salon. Een vergelijking van de interieurtekeningen van de salon met de beschrijving die het veilingbiljet (zie hierna de derde informatiebron) geeft van de salon, laat ook zien dat er op verschillende punten overeenstemming bestaat tussen de interieurtekeningen en de beschrijving van de salon op het veilingbiljet. 9)
Zoals gezegd, bestaat de derde bron uit het twee meter lange veilingbiljet dat opgesteld werd in 1810 ten behoeve van de verkoop van het huis. Over dit biljet kunnen geen twijfels bestaan want de kop luidt: ‘Vrijwillige Verkoping van het nabeschreven Buitengoed genaamd Elzenburg, Gelegen onder den Gerechte van Nieuw-Maarseveen.’ In dit biljet worden onder andere alle vertrekken van het buiten beschreven.
Helaas geven de bewaard gebleven tekeningen niet direct het antwoord op de vraag wie de architect is, want de tekeningen zijn niet gesigneerd noch gedateerd. Van een deel van de tekeningen zijn ooit de randen afgesneden, waardoor de eventueel aanwezige signering en/of datering verloren kan zijn gegaan. De vraag wie de architect is, zullen we daarom trachten te beantwoorden op basis van gegevens in de drie genoemde primaire bronnen en literatuur waarin Elsenburg aan de orde komt.
Opvallend is dat de weinige auteurs over Elsenburg die verwijzen naar het veilingbiljet, geen moeite doen om het te vergelijken met de informatie uit de andere twee bronnen om zo eventueel meer zicht te krijgen op het antwoord op de vraag wie de architect was van Elsenburg III. Het veilingbiljet geeft in ieder geval al een antwoord op twee openstaande vragen. Ten eerste: het huis is werkelijk volgens de bouwtekeningen uitgevoerd. Ten tweede: de bestaande tekeningen hebben wel degelijk betrekking op het huis Elsenburg in Maarssen en niet op een ander Elsenburg in de nabijheid van Maarssen. Van Luttervelt en - wellicht in navolging van hem - Van Swigchem hebben deze laatste mogelijkheid genoemd in hun dissertaties. 10) Hieronder wordt eerst ingegaan op de vraag hoe het huis er uitzag.
De koepelzalen van Elsenburg III
Er bestaan geen afbeeldingen van een rond 1795 gebouwd Elsenburg; die zijn (tot nu toe) niet gevonden. De navolgende beschrijving van het huis door Meischke is dan ook gebaseerd op de bewaard gebleven plattegronden:
’De plattegrond van het huis is rijker van aanleg dan die van enig ander buitenhuis in ons land. Zowel aan de voor- als aan de achterzijde was er een uitgebouwde koepelkamer, die tezamen de hoofdas van de plattegrond vormden. Loodrecht daarop stond een tweede as, die het trappenhuis en de grote zaal verbond. Het ruime onderhuis wijst erop dat er veel huishoudelijk personeel was. De enige (zij-)geveltekening die bewaard bleef wekt de indruk dat we met een wit huis te maken hebben.’ (zie afbeeldingen 2 en 3). 11) De auteur acht dit mogelijk, omdat ook andere Utrechtse buitenhuizen in die tijd een wit uiterlijk kregen.
In de beschrijving van het huis valt de term ‘koepelkamer’. Dat is een term die gebruikt wordt voor een nieuw type ruimte dat in het midden van de zeventiende eeuw zijn intrede deed bij de grote buitenhuizen, maar later ook bij andere huizen werd toegepast. De term brengt de verwantschap met de tuinkoepel tot uitdrukking. ’De tuinkoepels geven een kleine doch vaak zeer zuivere vorm van koepelzaal te zien.’ 12) Er zijn drie typen, te weten de Italiaanse, de Franse en de Amsterdamse variant. Bij Elsenburg zien wij de Franse variant en zelfs in tweevoud. Dat is de variant waarbij de zaal zich bevindt in het midden van de (achter)gevel, uitspringt en wat vorm betreft rechthoekig, rond of driezijdig kan zijn. Gezien de uitbouw, kunnen we ook spreken van erkerkamers of -zalen. Meestal waren deze koepelzalen, althans bij de Italiaanse en Franse variant, ook de grootste ruimte van het huis. Bij Elsenburg vormen de twee koepelzalen inderdaad een belangrijk structurerend element in de plattegrond van het huis. In de achttiende eeuw raakte de Franse variant in de mode bij buitenhuizen. Andere voorbeelden ervan in Maarssen zijn het huis De Boomgaard (1723) aan de Herengracht en het nieuwe Vechtoever (circa 1740).
Op de genoemde tweede as van het huis lag onder andere de ‘Saal’ of salon, uitgevoerd in marmerstuc. Het was de voornaamste ruimte in het huis en bestemd voor representatie. De ingekleurde interieurtekeningen, de plattegrond en het veilingbiljet maken het mogelijk een beeld te schetsen van deze grote ‘Saal’, waarin men de gasten ontving.
De ‘Saal’
Het liefst twee meter lange veilingbiljet dat bij de verkoop werd opgesteld, bevat een beschrijving van de vertrekken van het huis en de inrichting van de omliggende gronden. Volgens het biljet omvatte het huis 22 kamers en kabinetten en was het ontworpen ’naar de beste antique smaak’, dat wil zeggen in neoclassicistische stijl.
De ‘Saal’, 30 voet lang en 24 voet breed, wordt in het veilingbiljet als volgt omschreven: ’(…) een extraordinair kostbaar geordineerde Zaal, welke rondom zo wel als de Zoldering en Lambrisering ongemeen rijk en naar de fraaije Antique Smaak is Gestucadoord, en waarin zich bevindt een fraaije Engelsche Schoorsteen met Groen Geaderde Egyptische Marbere Mantel, ingelegt met Witte Ornamenten, als mede … (onleesbaar) groote Spiegels met Vergulde Lysten, uit Welke Zaal men met drie tot op den Grond Ronddraaijende Italiaansche Raamen komt in de Perystyle (zuilengang) (…).’
De entree bestond uit een grote dubbele deur in de gebogen korte zijde van de zaal (zie A op afbeelding 4 en zie afbeelding 5). Deze deur was de voornaamste toegangsdeur en groter en hoger dan de andere deuren in het vertrek. Boven de deur bevond zich een zogenaamde ‘dessus-de-porte’, dat is een met beeldhouwwerk, stuc of een schildering versierd en met lofwerk omlijst paneel boven een deur in een interieur. In Elsenburg was deze versiering in stuc uitgevoerd. Aan weerszijden van de dubbele deur waren op de gebogen wand rechthoekige panelen met arabeskendecoratie aangebracht. De arabesken zijn opgebouwd uit ’symmetrische ranken, die omhoogkomend uit een antieke vaas, een puntig medaillon omgeven. In de kern daarvan bevinden zich een of meer godengestalten.’ 13) Het licht in de zaal viel naar binnen door de drie ‘Italiaanse ramen’ in de tegenover gelegen korte wand waarachter zich de zuilengang bevond (zie B op afbeelding 4 en zie afbeelding 6). Aangezien deze ramen tot aan de grond liepen en draaibaar waren, zouden wij ze nu openslaande deuren noemen. Door deze deuren was de zuilengang bereikbaar. Tussen deze deuren zijn hoge spiegels geplaatst met gouden lijsten.
’Aan de lange wanden wordt het zwaartepunt in de compositie gevormd door een schoorsteenpartij aan de ene en, in symmetrie daarmee aangebracht, een spiegelpartij aan de andere zijde’ (zie C en D op afbeelding 4). 14) Aan weerskanten van deze twee middenpartijen bevinden zich deuren met dessus-de-portes, in stuc uitgevoerde en door lijstwerk omgeven ronde of achthoekige medaillons boven de deuren (zie afbeelding 7 en 8). De resterende wandruimte en de lage lambrisering zijn verdeeld in verticale en horizontale rechthoekige vlakken. Boven aan de wand is een brede fries te zien die gedecoreerd is met rozetten. De wanden en de vlakken zijn op de tekeningen ‘gemarbreerd’ (marmerimitatie) en zijn net zoals de arabeskpanelen in marmerstuc uitgevoerd. De wanden worden gekenmerkt door een drieledige opbouw: lambrisering, daarboven panelen en een afsluiting met een kroonlijst.
Kleurstelling
De tekeningen informeren ons ook over de kleuren waarin dit staatsievertrek was uitgevoerd, hoewel de tekeningen onderling wel verschil in tint vertonen. Mogelijk heeft de tijd daar invloed op gehad, maar het waren natuurlijk alleen voorbeelden voor de werkelijke uitvoering. De basiskleur is een pasteltint in roze of oudroze. In deze tint uitgevoerd zijn de plint, de kroonlijst, het fond van de lambrisering en de wandvlakken (zie 1 op afbeelding 7). Naast dit roze is als tweede kleur okergeel aangebracht, zoals op de grote velden en op het fries van de lijst (zie 2). De kleur stemt overeen met het goud van de spiegellijsten en het verguldsel van de damtafels. In contrast met deze kleuren hebben een aantal belangrijke onderdelen van de wanden witte decoraties op een turquoise (blauwgroene) ondergrond. Dat is te zien bij de stucpanelen met de opgelegde versiering van witte vazen en ranken (zie 3). Bij de witte decoraties in de medaillons boven de deuren en in de ovale medaillons op de stucpanelen is in het midden van de medaillons het turquoise vervangen door donkerblauw (zie 5). De schoorsteen is van groen marmer met wit marmer ingelegd. Op de wandvlakken naast die met de arabesken en links en rechts van de spiegelpartij keert de turquoise kleur terug als een extra kader tussen het roze van de basis en het geel van de panelen (zie 4). Het wit dat gebruikt is voor de lambriseringslijsten en de omlijsting van de grijsbruine deuren, is ook toegepast bij de gordijnen die verder afgewerkt zijn met turquoise franje en kwasten.
In de twee volgende delen van deze artikelenserie wordt de beschrijving van Elsenburg III voortgezet. Een wandeling door het huis, op basis van de plattegrond en het veilingbiljet, maakt het mogelijk een indruk te krijgen van de indeling van het huis en de inrichting van de vele vertrekken. Vervolgens komt de vraag aan de orde wie de architect was van Elsenburg III.
Noten
1. E.H. Kossmann (1986). De Lage Landen 1780-1980. Twee eeuwen Nederland en België. Deel 1. 1780-1914. Elsevier, Amsterdam/Brussel. p. 43.
2. R. Meischke. Inleiding: De ontwikkeling van buitenhuizen aan de Vecht. In: E. Munnig Schmidt en A.J.A.M. Lisman (1997). Plaatsen aan De Vecht en De Angstel. Canaletto, Alphen aan de Rijn i.s.m. Oudheidkundig Genootschap Niftarlake. p. 20. De beschrijving van de veranderingen in de Vechtstreek is gebaseerd op deze publicatie.
3. Meischke (1997). p. 20.
4. Zie voor afbeeldingen van de buitenplaatsen in hun nieuwe gedaante: P.J. Lutgers (1836). Gezigten aan de rivier de Vecht. Zie heruitgave door A. Lisman en E. Munnig Schmidt in 2001 namens Oudheidkundig Genootschap Niftarlake en De Stichting Nederlandse Buitenplaatsen en Historische Landschappen i.s.m. Uitgeverij Canaletto/Repro-Holland B.V., Alphen aan den Rijn.
5. De gegevens over Jan de Witt zijn voor een deel ontleend aan: R.E. van Ditzhuyzen (1984). Het huis Elsenburg aan de Vecht en zijn eigenaren (1637-1813). In: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie (1984). Den Haag. p.178.
6. Zie voor de rol van Jan de Witt in Parijs de omvangrijke en gedetailleerde studie van Joost Roosendaal (2003). Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795. Uitgeverij Vantilt. Uit deze studie blijkt dat Jan de Witt een belangrijke rol speelde in het bepleiten van de patriotse belangen bij de Fransen. Hij wordt vele malen genoemd in deze studie.
7. Meischke (1997). p. 21.
8. P. Doeve (2010). Tuingeschiedenis van de buitenplaats Doornburgh en de verdwenen buitens Elsenburg, Somerbergen en Vechtleven te Maarssen. In: Jaarboek Niftarlake. p. 58.
9. Verschillende elementen van de beschrijving van de salon in het veilingbiljet komen frappant overeen met de interieurtekeningen:
a. Het betreft een zaal die volledig in stuc is uitgevoerd (lambrisering, wanden en plafond) met een Engelse schoorsteen in de kleuren groen met wit en met grote spiegels in vergulde lijsten.
b. Het betreft een zaal met drie tot op de grond ronddraaiende Italiaanse ramen die toegang geven tot een perystyle (zuilengang). Zie afbeelding 6 van de korte wand met de drie grote ramen.
c. Op de plattegrond van de woonverdieping is te zien dat de entree van de ‘Saal’ een gebogen wand heeft. Ook op de gekleurde interieurtekening van de ‘Saal’, zie afbeelding 5, is die wand gebogen weergegeven. Zie het verloop van de rozetten op de kroonlijst en links en rechts de slechts half zichtbare delen van de wand.
10. R. van Luttervelt (1948) in zijn dissertatie De Buitenplaatsen aan de Vecht (1e druk). De Tijdstroom, Lochem en C.A. van Swigchem (1965) in zijn dissertatie Abraham van der Hart (1747-1820). Architect Stadsbouwmeester van Amsterdam. Scheltema en Holkema, Amsterdam. Meischke noemt in zijn hierboven aangehaalde publicatie wel het biljet, maar benut de informatie niet.
11. Meischke (1997). p. 21.
12. Meischke (1997). pp. 15 en 16.
13. Van Swigchem (1965). pp. 236 en 237.
14. Van Swigchem (1965). p. 236.
Onderschriften afbeeldingen
Afbeelding 1: Portret van Jan de Witt rond 1800 door Reinier Vinkeles. Bron: Rijksmuseum.
Afbeelding 2: Plattegrond van de woonverdieping van Elsenburg III met de twee hoofdassen. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).
Afbeelding 3: De neoclassicistische zijgevel met zuilengang van Elsenburg III.
Daarachter bevinden zich de grote Italiaanse ramen van de ‘Saal’. Bron: RCE.
Afbeelding 4: Uitsnede plattegrond woonverdieping: de ‘Saal’. A is de gebogen korte wand, B is de korte wand aan de raamzijde, C is de lange wand met schoorsteenpartij, D is de lange wand met spiegelpartij.
Afbeelding 5: De gebogen korte wand van de ‘Saal’ (A) met dubbele toegangsdeur aan de entreezijde. Bron: Het Utrechts Archief (HUA)
Afbeelding 6: De korte wand met de drie grote Italiaanse ramen en spiegels (B) met daarachter de zuilengang. Bron: HUA.
Afbeelding 7: De lange wand van de ‘Saal’ met uitspringende schoorsteenpartij (C) en deuren met ronde medaillons daarboven. Bron: HUA.
Afbeelding 8: De andere lange wand van de ‘Saal’ met spiegelpartij (D) en deuren met achthoekige medaillons daarboven. Bron: HUA.