45e jaargang (bladzijde 103) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Dit is de tekst zonder afbeeldingen. Zie voor afbeeldingen de papieren editie.
Meer dan tachtig jaar Tuincentrum Van Ginkel
Auteur: Rob Franse
Ik heb wat moeite met het woord ‘tuincentrum’. Bij een tuincentrum heb je al snel een beeld van een uitgestrekt pakhuis vol tuinmeubelen, barbecues, buitenlampen en tuinhout. Wanneer je geluk hebt dan verkopen ze ook een paar plantjes en slechts een heel enkele keer worden er ook snijbloemen verkocht. Bij Van Ginkel is dat lekker anders. Ik snap dat ze op Google te vinden zijn als ‘tuincentrum’, maar dat doet ze tekort. Wat mij betreft zijn ze vooral een onderneming in het goede gevoel rond alles wat te maken heeft met bloemen, planten en de sfeer die dat brengt. Ze zijn ‘dorps’ in de goede zin van het woord; met persoonlijke aandacht voor de klant en liefde voor het product. Ze delen hun kennis en kunde op eigen wijze en blijven gaan voor kwaliteit, gevoed door jarenlange ervaring. Vader Gert van Ginkel zie je dan ook vooral ‘bezig’ tussen zijn prachtige collectie kamerplanten; planten die hij soms lijkt toe te spreken. Dochter Petra zie je vooral in en om de binderij. Een binderij zult u zeggen? Jazeker. Dat is een prominente plek binnen het bedrijf, de plek waar boeketten ‘op maat’ voor iedere gelegenheid gemaakt worden; een echt ambacht.
Ik vermoed dat dit ambacht niet alleen aangeleerd is, maar ook genetisch bepaald. Ik heb het dan over de genen van opa Gert. Opa Gert begon immers in 1937 op de buitenplaats Goudestein een eigen kwekerij. Dat zat zo: Gert werd geboren in 1903 op een boerderij tussen Wilnis en Kockengen en groeide op met vijf broers en zes zussen in een gezellig gezin. Hij ging werken in de bouw, maar toen daar in 1937 geen droog brood meer te verdienen was, besloot hij de stoute schoenen aan te trekken en zijn droom te volgen. Daartoe zocht hij contact met mevrouw Royaards-Huydecoper. De Royaards waren eigenaar van de buitenplaats Goudestein (dit was hun zomerhuis; in de winter woonden ze aan de Mariaplaats in Utrecht) en zij waren bereid hem hun één hectare grote moestuin aan de Vecht te verpachten om daar zijn eigen kwekerij te beginnen. Die tuin liep vanaf de oranjerie tot aan Silverstein, het huidige Vechtstreekmuseum en omvatte onder andere een druivenkas. Hij begon met het kweken van groente, maar al snel kwamen daar met name dahlia’s en chrysanten bij. Het bleek een ambacht te zijn dat hij echt van nature in z’n vingers had.
Op zondag 17 december 1944 om 2 uur ‘s middags, het gezin van Gert senior woonde inmiddels in Silverstein (het deel vlak tegen de Vecht aan), werd er een nakomertje geboren: Gert junior. Kleine Gert groeide op in en om de kwekerij. Een geweldige plek voor een ontdekkend kind, ook al omdat hij erg graag bij het water speelde met zelfgemaakte bootjes. Dat gaf trouwens zoveel onrust bij zijn moeder dat ze hem al op achtjarige leeftijd leerde zwemmen, ofschoon dit normaal gesproken pas vanaf je twaalfde kon. Kleine Gert speelde niet alleen maar, hij werkte ook mee in de kwekerij. Daarbij bleek hij enorm handig en snel te zijn, vooral waar het ging om het aanbrengen van beschermingspapier om de chrysanten.
Toen Gert pas achttien jaar was, overleden binnen een half jaar zijn beide ouders. Daar hij uitsluitend een aantal oudere zussen had, was de keuze snel gemaakt: hij nam de kwekerij over. Dat betekende trouwens ook dat hij de school voortijdig verliet. Het was hard werken, maar gelukkig wel in een vak dat hem op het lijf geschreven was. Hij stortte zich in die tijd ook meer en meer op zijn passie: het kweken van chrysanten en cyclamen. Een prachtige tijd lag in het verschiet. Het bedrijf zou snel groeien, niet in het minst dankzij zijn echtgenote Hennie Manten. Hennie was niet alleen Gerts droomechtgenote, maar was ook een harde werker die zeer geliefd was bij de klanten. Er verscheen ook een nieuwe kas, er kwamen meer klanten die meer kochten en er werd genoten van de prachtige werk en woonplek. Goudestein, Silverstein, de moestuin, de kwekerij, de oranjerie, de Vecht… Menig oudere Maarssenaar weet zich zonder twijfel het beeld van toen nog voor de geest te halen.
In 1991 moest het bedrijf verhuizen. De ontwikkelingen in en rond Goudestein hadden namelijk niet stilgestaan. De familie Royaards bleef tot 1958 wel eigenaar van Goudestein, maar bewoonde het, ook in de zomer, niet meer. In de oorlog was het huis gevorderd door de Duitsers en deze zorgden in die tijd voor extra werk omdat ze wilden dat Van Ginkel groente voor hen kweekte en de meisjes zorgden voor aanloop van veel jong, mannelijk volk met specifieke interesses. In 1946 werd er een meisjesinternaat in het huis gevestigd. Later kwamen de panden in eigendom van de gemeente Maarssen en kreeg Van Ginkel in Silverstein de afdeling bevolking als buren. Zo’n ambtenarenapparaat heeft de natuurlijke neiging om te groeien en zo ontstond het plan, onder leiding van burgemeester d’Hondt, dat er een nieuw gemeentekantoor gebouwd zou worden, gedeeltelijk op de plek van de kwekerij en tuinderij van Van Ginkel.
Jammer dat er verhuisd moest worden, maar er was zeker geen man overboord. Het bedrijf draaide op dat moment uitstekend met een vaste en trouwe clientèle. Van Ginkel had bovendien al een stuk grond aan de Tuinbouwweg. De gemeente bleek bereid om het bestemmingsplan voor die locatie te wijzigen en zo kon er op een ruim perceel een nieuw bedrijf en een eigen woonhuis gebouwd worden. Het woonhuis werd door Hennie zelf ontworpen. Dat nieuwe bedrijf, moderner en ruimer van opzet, draaide direct lekker en klanten konden het, ook op de fiets, goed vinden.
Helaas heeft Hennie nauwelijks kunnen genieten van haar huis en van haar vernieuwde bedrijf. Haar overlijden was een drama voor het gezin en voor het bedrijf. Gert is door die periode heen gekomen met hulp van alles en iedereen, niet in de laatste plaats van de klanten, maar bovenal van dochter Petra. Zij heeft op een essentieel moment veel energie gebracht. Energie en creativiteit die ze nog steeds brengt en waardoor er nu een prachtig vader-dochterbedrijf staat; een bedrijf dat er om vele redenen mag én moet blijven.
Tijdens het interview in de kantine van Van Ginkel kwam Petra met enige regelmaat binnen; niet alleen met energie, maar ook met oude foto’s. Op zo’n moment krijg je een prachtig inkijkje in de samenwerking tussen vader en dochter; een samenwerking met een volstrekt logische taakverdeling. Gert was trouwens zo gaan zitten dat hij de zaak en de klanten in de gaten kon blijven houden. Ik bedoel met in de gaten houden vooral het ‘kunt u het vinden?’ en ‘kom, ik zal u even helpen’. Daarop doorvragend blijkt ook al snel dat het vader en dochter echt gaat om de tevredenheid van hun klanten. Tevredenheid met de producten, het bezoek, de service en het ‘met een goed gevoel weer naar huis gaan’. Op een zeker moment moest ik denken aan het lied ‘Breng eens een zonnetje onder de mensen, een blij gezicht te zien dat doet zo goed’.
Gert en Petra en geven dat goede gevoel; niet op basis van marketing maar op basis van wat zij zélf goed en prettig vinden. Petra heb ik er niet naar gevraagd maar Gert wel. Het verhaal begint voor beiden op de kwekerij in Goudestein en met een geweldige jeugd aldaar. Voor Gert spelen de jaren vijftig en zestig daarbij een voorname rol. Hij noemt de Lanenfeesten van destijds op de Driehoekslaan en de Kortelaan. Ook noemt hij het wekelijks kopen van LP’s in de jaren zestig, want zo’n beetje wekelijks werd er een nieuwe LP uitgebracht. De ene fantastische band volgde de andere op; een tijd van veel en grote creativiteit. Voor alles noemt hij het gevoel van saamhorigheid in die tijd. ‘Gemoedelijk, verdraagzaam en niet klagen’. Een prachtig voorbeeld dat hij noemt is het beslaan van paarden, ook op zaterdagmiddag, bij smederij Van Schoonhoven in de Kaatsbaan. Het stonk verschrikkelijk, maar niemand die erover klaagde.
Soms zeg je dan als reactie op zo’n verhaal ‘vroeger was níet alles beter’. Maar bij Gert van Ginkel doe je dat niet. De reden daarvoor is buitengewoon simpel: hij heeft, eerst samen met Hennie en later samen met Petra, de combinatie weten te maken tussen de mogelijkheden en techniek van nu en de gemoedelijkheid en saamhorigheid van toen. Niet zeuren maar doen…
Van zijn vader heeft hij twee lijfspreuken echt onthouden: Allereerst: ’Jochie, wat je niet begrijpt, moet je maar bewonderen’ en direct daarna: ’Diegene die op twee hazen jaagt, vangt er meestal geen’. Met die spreuken in het achterhoofd blijft hij nuchter en rustig met beide benen op de grond staan. Wat het de Van Ginkels en ons als klanten oplevert, kunnen we dagelijks aanschouwen (en kopen) tussen de kamerplanten en perkgoed, vaste planten en kruiden, Riverdale en bloembinderij, gerookte paling en een kopje koffie.
Aan het einde van ons gesprek - ik heb m’n blocnote al dichtgeslagen - stelt hij mij nog een aantal vragen, uit pure interesse zo neem ik aan. Een mens die nieuwsgierig is naar andere mensen. Weglopend door de zaak zie ik om mij heen en in mijn verbeelding deels de huidige zaak en deels de oude zaak in Goudestein. Beelden die in elkaar overgaan.
Onderschrift afbeelding
Rechts de kassen en verkoopruimte van bloemisterij Van Ginkel. Links daarvan de nog steeds bestaande oranjerie en links daarnaast (niet op de foto) lag de kwekerij. Archief Van Ginkel.