400
700
900
De heerlijkheid Maarsseveen; een tweede keus voor Huydecoper
Smits, W.

De heerlijkheid Maarsseveen; een tweede keus voor Huydecoper

46e jaargang (bladzijde 86) nr.3 / IN: Periodiek HKM


Plot

De heerlijkheid Maarsseveen; een tweede keus voor Huydecoper

Wally Smits

Tot ridder geslagen
Het was voor Johan Huydecoper (1599-1661) een hoogtepunt toen hij 10 augustus 1637 door koningin Christina van Zweden in de adelstand werd verheven. Hij was voor de handel op de Oostzee van zo groot belang geweest dat zij tot deze eervolle stap was overgegaan. Natuurlijk hoorde bij deze status een eigen wapen. Onder het wapen staat een tekst in het Nederduits (zeventiende-eeuws Nederlands):

“Waerom schenkt ghij een AERNT; die wijst een hooger goedt.
Waerom een OPEN HELM; dat is des ADELS TOON.
En waerom dit GEKROONT; uw ADELICK gemoedt:
Uw RIDDERLICKE deucht vercier ick met dees KROON.
Waer toe een SILVER SCHILT int midden ingebracht:
Bedeckt die nae uw Sin/en nae uw heerschappij:
Zijt RIDDER-EDELMAN voor u/en uw GESLACHT:
Die eere comt u toe: die eer erkennen wij.” 1)

Het gaat in dit artikel om het kleine zilveren schildje in het midden van het wapenschild, het zogenaamde hartschild, waarover in de laatste vier regels van bovenstaande ‘wapentekst’ gesproken wordt. Huydecoper mocht dat gezien de tekst naar eigen inzicht en gezag invullen: “Bedeckt die nae uw Sin/en nae uw heerschappij.” Daarmee beginnen de moeilijkheden.

Het kopen van een ‘heerlijkheid’
In een tijd dat nogal wat voorheen katholieke goederen te koop werden aangeboden, dacht Johan Huydecoper op een gemakkelijke manier aan een ambachtsheerlijkheid te kunnen komen. Hij had zijn oog laten vallen op een paar plaatsjes aan de Amstel en Kromme Mijdrecht, onder de rook van Amsterdam. Met de aankoop daarvan zou hij Heer van Uythoorn, Thamen, Blocklant en Cudelsteert worden.
Huydecoper benaderde daartoe Johan Albert graaf van Solms-Braunfels wiens zuster Amalia getrouwd was met stadhouder Frederik Hendrik, de Stedendwinger. Hij was dus zwager, maar door vroegere familiebanden ook nog eens achterneef van de stadhouder. Na de ‘confiscatie’ van katholieke goederen tijdens de Tachtigjarige oorlog werden die lucratieve goederen en gronden door onder anderen de stadhouder aan familieleden gegund om hun een eervolle positie in de Nederlanden te geven. Zo werd de graaf van Solms in 1633 tot proost en aartsdiaken van het oude kapittel van Sint Jan in Utrecht benoemd. Hoewel hij als militair veelal elders vertoefde, was hij een man met wie rekening werd gehouden, omwille van zijn machtige zwager. 2)

De graaf Van Solms en Johan Huydecoper kwamen overeen dat Huydecoper de heerlijkheden Uithoorn, Thamen, Blokland en Kudelstaart (voor zover dat in de provincie Utrecht lag) zou kopen. Huydecoper zou zowel de hoge, de middelste als de lage jurisdictie krijgen. De koopakte werd 1 oktober 1637 “int leger voor Breda geteykent”. 3) Het Beleg van Breda was immers aan de gang en zowel Van Solms als Frederik Hendrik was als militair ter plaatse. Op 27 oktober van hetzelfde jaar vond de officiële overdracht plaats en kon Huydecoper aan het invullen van het kleine hartschild beginnen.


Polemiek
Beide heren, Van Solms en Huydecoper, hadden echter met hun handel buiten de Staten van Utrecht gerekend. Die, en in het bijzonder de Domeinen van Utrecht, waren als enige gemachtigd om kapittelgrond en de daaraan hangende titulatuur te verkopen. Er ontstond een drie jaar durende strijd tussen Huydecoper en de Staten van Utrecht waarin een heftige briefwisseling plaatsvond. De graaf Van Solms werd al spoedig buiten deze ruzie geplaatst. Er werd gesteld: “hoe qualijck sijne genade den heere Grave van Solms geïnformeert is geweest”, maar Huydecoper zette zijn hakken in het zand en bleef proberen zijn gelijk te krijgen. Hij ergerde zich duidelijk aan de opstelling van de Staten en schreef op de voorkant van (hopelijk een duplicaat van) een brief aan de Staten: ”Dit is de heeren Staeten overgelevert om te toonen hoe eerloos en godtloos (het is, auteur) de coop van de heerlijckheijden Tamen en Blocklant …te niet te doen”. In zijn frustratie schreef hij er ook nog eens onder: “Wee het lant daer Godtlose rechters sijn”. 3) In oktober 1638 had hij nog enige hoop dat hij de strijd zou winnen, want in een testament legateerde hij aan de kerk van Thamen 500 gulden, maar hij liet er uit veiligheidsoverwegingen wel in opnemen dat “als hij, ofte sijn huysvrouw ofte d’erfgenamen in de possessie van de voorsc. Heerlijkheijden werden geturbeerd”, het bedrag naar zijn erfgenamen zou gaan.
Uiteindelijk dreven de Staten het conflict op de spits door Huydecoper in 1639 zijn titel te ontnemen en te verklaren de verkoop “null crachteloos ende van onwaerden (was, auteur), ende als onwettel(ijk) en ongedaen te houden.” 4) Aan deze impasse kwam pas een eind toen Frederik Hendrik zich ermee ging bemoeien en uiteindelijk een compromis wist te bereiken. Johan Huydecoper zou afstand doen van zijn Heerlijkheden, hem werd door de Staten een vergoeding uitgekeerd van 30.000 gulden (ook voor andere illegale verkopen door graaf Van Solms) en hij zou als pleister op de wonde de ambachtsheerlijkheid Maarsseveen en Neerdijk krijgen. Op 1 december 1640 deed Huydecoper uiteindelijk afstand van de omstreden heerlijkheden. Op zijn ridderschapsverklaring streepte hij heel dun de namen van zijn vorige heerlijkheden door.

Heer van Maarsseveen, Neerdijk etc.
Door de in 1608 door zijn vader - notabene van het Kapittel van Sint Jan - gekochte boerderij Gouden Hoef had Johan Huydecoper al banden met Maarssen. Hij bezat wel wat grond in Maarsseveen, maar van een echte band kon nog niet worden gesproken. De landen die hij exploiteerde voor de steen- en dakpannenindustrie, behoorden tot het gerecht Maarssen. Het zou toch een vreemde constructie worden als onze ridder ambachtsheer van Maarsseveen zou worden, terwijl hij zelf (’s zomers) in Maarssen verbleef. Dit werd ten koste van de Heer van Maarssen opgelost.
De Gouden Hoef, die tussen de Tiendweg (Diependaalsedijk) en de Vecht lag, en Diependaal, dat zich uitstrekte van de grens van de Meerhofstede (Ariënslaan) tot aan Breukelen, werden aan zijn ambachtsheerlijkheid toegevoegd. De grens tussen de Gouden Hoef, Diependaal en Maarsseveen werd gevormd door de huidige Zogwetering. Neerdijk was de weg die we nu Oude Dijk noemen, maar ook het land boven en beneden deze weg droeg deze naam. Tegen de achtergrond van wat hierboven is beschreven, kunnen we nu de ietwat cryptische beschrijving begrijpen van de akte van 5 februari 1641 waarin Huydecoper benoemd wordt tot ambachtsheer van Maarsseveen, Neerdijk etc. 5) Het ‘et cetera’ slaat op Diependaal en de Gouden Hoef. De Staten van Utrecht “doen te weten, dat wy ten respecte van de intercessie van syne hooch(heid) den doorluchtigen Prince ende heer heere Frederick Henrick door Godes genade Prince van Oraniën, tot accommodatie van het different, ontstaen uyt zaecke van de vercopinge vande heerlicheyt van Thamen ende Blocklandt gegunt ende gegeven hebben gelijck wij gunnen ende geven bij dezen … Johan Huydecoper … de ambachtsheerlycheyt van Maerssenveen, daer onder gereguleert de landeryen opde oostsyde van de Vecht tot aent gerecht van Breuckelen, beginnende van de Maersensche brugge aff ende gaende den Dijck recht uyt tot aent het landt van de Meerenhoffstede… “.
Maarsseveen en Neerdijk werden vanaf toen Oud-Maarsseveen genoemd en De Gouden Hoef en Diependaal Nieuw-Maarsseveen. Pas in 1795 werden deze twee rechtsgebieden weer gesplitst in twee afzonderlijke gerechten. 6) Wat nog onder het gerecht van Maarssen bleef, was de Meerhofstede, maar Huydecoper was er alles aan gelegen om ook dat onder zijn jurisdictie te krijgen. Dat lukte op 7 oktober 1646 onder voorwaarde dat hij zich niet ook nog eens Heer van Maarssen ging noemen.

Het Zwarte Varken
Op 3/13 augustus 1641 vond de officiële inauguratie plaats. Op de prent van Hendrik Winter biedt schout Jacob Augustijns van Maarsseveen en Neerdijk aan Johan Huydecoper eerbiedig een pronkbeker aan. Hij is afgebeeld met een degen, het traditionele attribuut van de schout. Huydecoper en zoon Joan, zestien jaar oud, worden met rijlaarzen en sporen afgebeeld als ridders en de rest van het publiek staat netjes met de hoed in de hand als teken van eerbied. Buiten worden vreugdeschoten afgevuurd, maar wat voor Huydecoper en ook voor dit verhaal het belangrijkste is, is dat het zilveren hartschildje nu eindelijk is ingevuld met… het Zwarte Varken van het gerecht Maarsseveen.
Achter dit artikel staat een bijdrage van Ton Simonis waarin een vertaling wordt gegeven van de Latijnse tekst en, waar nodig, een toelichting wordt gegeven.

Wie de vijf schepenen zijn die staan afgebeeld, is moeilijk aan te geven. Ik kom rond augustus 1641 twee lijsten met schepenen tegen, maar durf niet met stelligheid te zeggen wie van hen op de prent staan afgebeeld. Wel is het interessant om te vermelden dat de ambachtsheer zijn schepenen kon kiezen uit een lijst die werd opgesteld door de schout. 7) Deze lijst van “inwoonderen van Maersenveen gequalificeert totte bediening van ‘t schepenampt aldaer” bevat achttien benoembare mannen. “Schepenen in der tijt” waren Jan Cornelissen van Lichtenberch, Jan Cornelis van Nuycop, Peter Martens den Ouden, Gijsbert Aertsz en Herman Jansz Snel. Ik neem aan dat met “in der tijt” wordt bedoeld de tijd voordat Huydecoper ambachtsheer werd. Ruim een maand na de inhuldiging werden op 6/16 september 1641 de nieuwe schepenen benoemd. Het waren Jan Cornelissen van Lichtenberch, Dirck Pauwelsen, Claes van Eyck “in Neerdijck”, Harmen Zeyling en Cornelis Corneliss, “Calckbrander”. Aangezien de kalkoven op Diependaal stond en Claes van Eyck uit Neerdijk kwam, kun je stellen dat de afzonderlijke gebieden van het gerecht evenredig vertegenwoordigd waren. Huydecoper had sowieso niet zoveel keus, want de verzamellijst sloot het merendeel van de volwassen mannelijke bevolking uit. Er waren elf namen van “dachhuerder en alsulcs ongequalificeert”, maar liefst zes mennonieten die geen openbare functie mochten bekleden, twee mannen die te oud waren, maar ook nog eens vier weduwen, terwijl ik toch nergens een aanwijzing heb kunnen vinden dat vrouwen benoembaar waren. Tot slot worden de zeven “inwoonderen” van de Gouden Hoef en Diependaal nog apart vermeld. Als ik voorbij ga aan de dubbeltellingen - bij de mennonieten valt de naam Ottensz maar liefst vier maal - kom je in totaal op 48 namen, zodat je met een optimistische vermenigvuldiging van vier personen per huisgezin op een bevolking van ongeveer tweehonderd personen uitkomt. Was dit al geen reden tot optimisme voor de nieuwe ambachtsheer, Maarsseveen had ook nog eens - en dit in tegenstelling tot zijn vorige ambachtsheerlijkheid - geen eigen parochie; men kerkte te Maarssen.

Een Hollands Arcadia
Huydecoper ging echter met zijn tweede ‘keus’ niet bij de pakken neerzitten. Hij ging vol ijver met de exploitatie van zijn nieuwe ambachtsheerlijkheid aan de slag en maakte er een Hollands Arcadia van. Klei werd afgegraven, gebakken en naar Amsterdam vervoerd in de vorm van dakpannen en stenen. Op de vrijgekomen grond werden - alleen al op het kleine stukje Goudestein richting de Zogwetering- maar liefst tien statige huizen gebouwd, die weer een aanzuigende kracht hadden op bouwvakkers, hoveniers en dienstpersoneel, maar ook op dichters, schilders en collega-bewindhebbers van de Verenigde Oostindische Compagnie. Hoewel het dus niet zijn eerste keus was, had Maarsseveen zonder de inbreng van Huydecoper nooit de uitstraling gekregen die het in de zeventiende en achttiende eeuw had en waar wij, samen met vele toeristen, nog steeds van kunnen genieten.


Noten
1. Het Utrechts Archief. Archief familie Huydecoper, toegang 67, inv. nr. 32.
2. Frits Doeleman. De heerschappij van de proost van Sint Jan in de Middeleeuwen 1085-1594. Zutphen 1982, pp. 194/195.
3. Het Utrechts Archief. Archief familie Huydecoper, toegang 67, inv. nr. 1217.
4. Het Utrechts Archief. Archief familie Huydecoper, toegang 67, inv. nr. 1068.
5. Idem inv.nr.1067.
6. RHCVV Dorpsgerechten. Archief Maarsseveen, inv. nr. 49.
7. Het Utrechts Archief. Archief familie Huydecoper, toegang 67, inv. nr. 1082.