46e jaargang (bladzijde 74) nr.2 / IN: Periodiek HKM
Brug op instorten
Wally Smits
Alweer een paar jaar vaart gedurende het zomerseizoen de fietsboot tussen Nieuwersluis en Oud-Zuilen. Het is zowel voor bezoekers van buiten de Vechtstreek als voor Stichtse Vechtbewoners een belevenis om de buitenhuizen te zien vanaf de plek waarvan men ze in de zeventiende en achttiende eeuw ook zag, vanaf de Vecht. Toen reisde men met de trekschuit langs de buitenplaatsen waarvan de eigenaars maar al te graag wilden laten zien hoe welvarend ze waren. Op de fietsboot vragen de passagiers de schipper en zijn hulpje, de opstapper, de oren van het hoofd over de geschiedenis van de Vechtstreek. Met trots vertellen we dan ook over de verwoede pogingen om dit culturele erfgoed van zowel de overheid als particulieren te behouden. Ik zeg ‘we’, want sinds twee jaar mag ik als opstapper meehelpen om deze lijndienst tot een succes te maken. Bij het binnenvaren van Maarssen kan ik met trots vertellen over de restauratie van de boogbrug in het Zandpad bij Geesberge. Omdat deze brug onderdeel uitmaakt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, had men er alle belang bij om hem in oude luister te herstellen, zeker ook omdat er een aanvraag loopt tot erkenning als werelderfgoed. Tijdens de tocht komen we nog een andere brug tegen: het zwaar verwaarloosde bruggetje in het Zandpad tussen Vechtoever en Goudestein. Er is over de staat waarin het verkeert wel papier geproduceerd, maar tot daden is men tot nu toe niet overgegaan.
Op 1 augustus 2007 presenteerde ingenieursbureau Westenberg uit Harderwijk het rapport ’Technische inspectie gemetselde duikerbrug in het Zandpad’, deze bevindt zich aan het begin van de Machinekade. De inspectie vond nog plaats in opdracht van de Gemeente Maarssen. Gedetailleerd werd aangegeven wat er allemaal mis was met het bruggetje en als datum voor herstel werd bij ieder onderdeel 2007 vermeld. Wat opviel was niet zozeer de constatering dat het ‘kunstwerk’ dermate verwaarloosd was dat het op instorten stond, maar wel dat de herstelkosten slechts op € 21.924,00 werden begroot. In 2009 is in opdracht van de Dr. R. van Lutterveld Restauratie Stichting nogmaals een inventarisatie gemaakt van monumentnummer 26465 met dezelfde conclusie. In het laatste rapport werd nog summier ingegaan op de historie van het bruggetje en waarom het dus zo bijzonder is. Hoewel er in de directe omgeving nog drie van dit soort bruggetjes liggen, is dit wel een heel bijzondere, aangezien hier vroeger sluisdeuren in hebben gezeten. Dat wekte mijn belangstelling.
De omgeving
Op de bekende kaart van Balthasar Floris van Berckenrode uit 1629 staat het bruggetje al minuscuul aangegeven. Dit is niet verwonderlijk, want het achterliggende land moest vanaf de Vecht toegankelijk zijn. De hele Vechtstreek had te maken met de grilligheden van de rivier de Vecht. Van tijd tot tijd liep het omliggende land onder. Dat hoorde er nu eenmaal bij. Pas in 1932 kon men het waterpeil beheersen. Tot die tijd kon men aan de oevers van de Vecht en ver daarbuiten nog wel eens natte voeten krijgen. Je kon de natuur natuurlijk ook tarten... Dat deed Joan Huydecoper II (1599-1661). Hij was eigenaar van grote stukken grond in Maarsseveen, die hij liet afgraven. Op de vrijkomende stukken liet hij buitenhuizen bouwen, die hij weer verkocht aan veelal familieleden en bekenden. Voor de geschiedenis van ons bruggetje is een extract uit een testament van 7 mei 1647 van belang. 1) Het gaat me niet om het testament zelf, maar om wat er in de marge staat, en ook om de documenten die in dezelfde map te vinden waren. Wat blijkt? In 1632 had Joan Huydecoper aan zijn zuster, gehuwd met een Rotgans, vier morgen land verkocht om af te graven en de gewonnen klei in haar oven Cromwijk tot tichels en stenen te bakken. Volgens de verzamelaar van de documenten ging het over het land waarop later de hofsteden Mariënhof, Annenhof en Diependaal werden gebouwd. Na afgraving ging het land weer terug naar Huydecoper, die er nogmaals geld mee verdiende. Hij bouwde er Endelhoef (verkocht in 1646), Bruynenburg (verkocht in 1645 aan Cruydenier), Goudestein (hoewel dat er al was), Annenhof (verkocht 1655-1650; dat wist de opsteller niet helemaal zeker), Mariënhof (aan Hinlopen ten huwelijk gegeven; erachter stond 1648-1655), Diependaal (verkocht 1660), Zwanenhof (1650), Middelkoop (1654), Vierhoven (1656) en Petershagen (1655). Dit was natuurlijk een mooie handel, maar door het afgraven werd het gebied kwetsbaarder voor de luimen van de Vecht. Met name de hofstede Diependaal scheen hier erg veel last van te hebben.
Sluisdeuren en regelgeving
Op 12 en 19 november 1754 gingen de heren gedeputeerden van de Staten van Utrecht, te weten Grave van Rechteren, de heer van Zuylen en Van Asch van Wijk zelf kijken waaruit de overlast bestond en wat daaraan te doen was. 2) In hun rapport gingen ze er al van uit, dat er voor het bruggetje een ’schut off sluysdeuren’ moesten komen tussen Vechtoever en Endelhoven. Naar aanleiding van hun rapport kwamen de partijen 23 september 1755 tot een overeenkomst. Betrokken waren de heren Willem Henskes, eigenaar van de hofstede Diependaal, Adriaan Cloeting van Westenappel, eigenaar van Vechtoever en Paulus ’Renohart’, eigenaar van Endelhoven aan de ene kant en Jacob Landsman, eigenaar van Swaanenhoff en mevrouw Alida Meyn, weduwe van Jacob Botten Jaspersz, eigenaar van de hofsteden Vierhoven en Petershagen aan de andere kant. Voor rekening van de eerstgenoemden, de eigenaren van Vechtoever, Endelhoven en Diependaal, ’sal een schut off sluys worden gelegt’ en aan weerszijden van het bruggetje zal het zandpad worden verhoogd. 3) De kosten voor het verhogen van het Zandpad kwamen echter uitsluitend voor rekening van de eigenaars van Vechtoever en Endelhoven.
Peiltekens
Om te bepalen wanneer de deuren wel of niet geopend moesten worden, werden er drie peiltekens op de deuren of in de zijvleugels aangebracht met de letters A, B en C. Als het water op peilteken A stond, bevond het moesland van de hofstede Diependaal zich nog twee voet boven het water. Dan moest de schut openblijven en mocht door niemand worden gesloten. Als het water tot peilteken B gestegen was, stond het water slechts één voet en vier duim onder de moeshof. Dan moesten de schut- of sluisdeuren gesloten worden. Alleen bij dringende zaken mochten ze geopend worden en daarna direct weer worden gesloten. De ’knegt, tuynman off daghuurder’, die dat naliet, zou een boete krijgen van een dukaat. De boete zou ten goede komen aan de Maarsseveense armen en door zijn baas moeten worden ingehouden op zijn loon. Bij het peilteken C stond het water nog slechts één voet onder de moestuin van Diependaal en mochten de deuren in het geheel niet worden geopend. Het zou dan kunnen gebeuren dat het land erachter een watertekort zou krijgen. Om dat te voorkomen werd er in één der deuren een schuif met een slot gemaakt zodat, als het water zes opeenvolgende dagen te hoog stond in de Vecht, men de schuif gedurende korte tijd open kon zetten. Iedere belanghebbende kreeg een sleutel. Bij misbruik kreeg de overtreder een boete van maar liefst vier dukaten, weer ten gunste van de Maarsseveense armen, en moest hij het herstel van de ontstane schade aan de tuin van Diependaal ook nog eens betalen. Om - als het peilteken op de laagste stand A stond - nog met geladen schouwen te kunnen varen, werd iedere buurtbewoner wel verplicht om de ’oude bodem’ goed uit te diepen. De eigenaar van Diependaal moest de houten brug die bij hem over de sloot lag, ook nog eens verhogen ten gunste van zijn achterburen. Om alles te controleren zou er ieder jaar op 20 juni een schouw worden gehouden. Ook toen draaiden de ambtelijke en notariële molens niet zo erg snel, want pas op 24 mei 1757 werd de afspraak notarieel bekrachtigd bij notaris W.G. van Nes en was deze definitief. Je zou zeggen dat hiermee de kous af was en de problemen voorbij. Maar als drie partijen gezamenlijk iets moeten onderhouden, is de (opgelegde) eensgezindheid niet eeuwigdurend.
In 1891 bleek dat de brug en de sluis eronder dusdanig in verval waren geraakt dat reparatie dringend noodzakelijk was. 4) De eigenaren waren elk voor een derde aansprakelijk: J.H. Kluitgen van Vechtoever, K.J.M. Huydecoper (mede namens broers en zusters) en N. Wijnen van Diependaal en J. Hageman van Endelhoven. Uitgezonderd Hageman was ieder ervan overtuigd dat reparatie dringend noodzakelijk was. Hageman zag de noodzaak niet zo en verklaarde zelfs, dat hij bij een overstroming of doorbraak de schade geheel voor zijn rekening zou nemen. Zou het aan de plek liggen of is het een ‘historisch’ toeval dat in 1891 de toenmalige eigenaar van Endelhoven de noodzaak van reparatie van het bruggetje niet inzag en dat bijna 130 jaar later de huidige ’bewoners’ op dezelfde plek zich ook niet bepaald sterk maken om een beeldbepalend monumentje te restaureren?
Noten
1. Het Utrechts Archief (HUA). Archief familie Huydecoper. Toegang 67, inventarisnummer 1071.
2. RHCVV Dorpsgerechten. Inventarisnummer 1471.
3. De namen van de eigenaars komen uit de overeenkomst van 1757.
4. HUA. Archief familie Huydecoper. Toegang 67, inventarisnummer 1185.