46e jaargang (bladzijde 69) nr.2 / IN: Periodiek HKM
Elsenburg, de verdwenen buitenplaats
Deel 8
Abraham van der Hart, architect van Elsenburg III
Jan Simonis
Hans van Bemmel
Jaap Kottman
In de twee voorgaande delen van deze reeks werd een beschrijving gegeven van de vertrekken op de woonverdieping van Elsenburg III. Welke aanknopingspunten biedt deze beschrijving nu voor het antwoord op de vraag wie de architect was van Elsenburg III?
Onbekende architecten
We kennen weliswaar de namen van enkele beroemde architecten van buitenhuizen aan de Vecht, maar in algemene zin is op te merken dat niet echt bekend is wie de bouwmeesters waren van de vele buitenhuizen in de Vechtstreek in de zeventiende en achttiende eeuw. Die anonimiteit van de bouwmeesters neemt toe als er in de achttiende eeuw een ander type architect langs de Vecht werkzaam is: de theoretisch onderlegde architect wijkt voor de aannemer-architect of burgerbaas. 1) Het waren practici die dachten in geijkte bouwtypen. Hun aandacht ging vooral uit naar de uitvoering en de detaillering. Deze ‘burgerbazen’ bouwden in de achttiende eeuw vele buitenhuizen langs de Vecht, maar ook hier geldt dat er slechts vermoedens bestaan over wie wat bouwde. Zo wordt bijvoorbeeld de Amsterdamse architect-timmerman J. Hagen genoemd als mogelijke bouwmeester van het nieuwe Goudestein uit 1754.
Deze situatie geldt deels ook voor Elsenburg. Elsenburg I is het werk van de beroemde Philips Vingboons, maar de naam van de bouwmeester van het volledig veranderde of nieuwe Elsenburg II is niet bekend. Daniël Marot, de vader van Jacob Marot, wordt in verband gebracht met Elsenburg II, maar waarschijnlijk betreft dit de tuinarchitectuur en de bouw van een theekoepel. Ook over de architect van het nieuwe Elsenburg III weten wij tot nu toe niets met zekerheid. Al jaren vindt er een discussie plaats waarin verschillende namen worden genoemd: Jean-Baptiste Dubois als uitvoerend architect van een ontwerp van Elsenburg van de hand van Michel de Triquetti, Leendert Viervant, Roelof Roelofsz. Viervant, Jacob Otten Husly, Abraham van der Hart en zijn leerling Bartholomeüs Ziesenis. 2) Er zijn echter verscheidene aanwijzingen die het waarschijnlijk maken dat Abraham van der Hart de architect was van Elsenburg III.
Van Abraham van der Hart (1747-1820), Amsterdams stadsbouwmeester, weten we inmiddels nagenoeg zeker dat hij de ontwerper is geweest van het voornaamste vertrek van Elsenburg III, de grote zaal of salon. Het was de hoogleraar geschiedenis van de architectuur en directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg C.A. van Swigchem die in 1965 in zijn dissertatie deze stadsbouwmeester in verband bracht met Elsenburg III als ontwerper van de ‘Saal’ van dit buitenhuis. 3) Zie hierna de conclusie van Van Swigchem.
Stadsbouwmeester van Amsterdam
Abraham van der Hart werd in 1777 tot stadsbouwmeester van Amsterdam benoemd en hij bekleedde deze functie tot aan zijn dood in 1820. Naast zijn werk voor de stad Amsterdam, werkte hij in zijn vrije tijd ook voor particulieren. Als particulier architect was Van der Hart, aldus Van Swigchem, werkzaam voor de rijke, zeer rijke patriciërs. Door zijn werk kwam hij dagelijks met hen in contact. Hij bouwde of moderniseerde niet alleen hun woningen in de stad, maar was ook betrokken bij het ontwerpen en/of de modernisering van hun buitens. Hij was befaamd als ontwerper van stijlvolle interieurs en was mede daarom een gevraagd architect. In zijn loopbaan van meer dan veertig jaar heeft Van der Hart veel voor particulieren ontworpen. Er zijn weinig tekeningen bewaard gebleven van de ‘lusthoven’ die Van der Hart ontworpen heeft, maar gelukkig wel ‘het ontwerp voor de inrichting van een salon voor het Huis Elsenburg aan de Vecht’.
Van Swigchem onderscheidt drie perioden in het werk van Van der Hart. In de eerste decennia laat hij zich zien als een representant van de neoclassicistische richting uit de Lodewijk XVI-tijd. De tweede fase begint rond 1790 waarin hij, via zijn leerling B. Ziesenis, in aanraking komt met het werk van de achttiende-eeuwse neoclassicistische Schotse architect en interieurontwerper Robert Adam (1728-1792). 4) In een reeks van interieurs die hij in die jaren ontwierp, zien wij deze invloed weerspiegeld. Vanaf het begin van negentiende eeuw staat Van der Hart overwegend onder invloed van de Franse architectuur, in het bijzonder van Durand en de hofarchitect van Lodewijk Napoleon, Thibault, met wie hij samenwerkte.
De architect van de ‘Saal’
Van Swigchem noemt bepaalde ‘elementen’ die telkens terugkeren in het werk van Van der Hart. Kenmerkend voor zijn werk zijn de zalen of salons met afgeronde of afgeschuinde overgangen tussen muren en plafonds en de toepassing van gebogen wanden. Die afgeronde overgangen zijn bijvoorbeeld te zien in de ontwerpen van het Deutz-huis (ambtswoning van de burgemeester van Amsterdam aan de Herengracht uit 1672, maar rond 1791 door Abraham van der Hart ingrijpend verbouwd), het Hodshon Huis (neoclassicistisch stadspaleisje aan het Spaarne in Haarlem uit 1794), Huis Kops (neoclassicistisch woonhuis in Haarlem uit 1794), het Barnaart-huis (herenhuis in neoclassicistische stijl aan de Nieuwe Gracht in Haarlem uit 1804) én ook in het ontwerp van de salon van Elsenburg.
In de vroege interieurs van Van der Hart is een voorkeur te zien voor uitvoering in hout, in tegenstelling tot later toen hij juist veel prachtige interieurs maakte in stuc, zoals het geval is bij de ‘Saal’ of salon van Elsenburg. Deze interieurs in stuc, die hij na 1790 onder invloed van de Schotse architect Robert Adam (zie hierna) maakte, zijn representatief voor de overgang van de Lodewijk XVI-stijl naar de empirestijl. Vaak is dan sprake van een tegenstelling tussen een sober neoclassicistisch exterieur en een kleurrijk, rijkelijk gedecoreerd interieur.
Kenmerkend voor Van der Hart is ook de uitvoering van zijn stuczalen en -kamers in pasteltinten als lila of groen, blauw met wit, ook wel lichtblauw en wit gecombineerd met donkerblauw en (oud) roze. Deze kleurstelling wijst eveneens op de invloed van Robert Adam. Ook bij Elsenburg worden in de ‘Saal’ of salon deze kleuren toegepast, zelfs in een nog grotere verscheidenheid van kleurtegenstellingen.
Een vergelijking van de kenmerken van de ‘Saal’ of salon van Elsenburg met die van de salons in huizen waarvan vaststaat dat zij van Van der Hart zijn, doet Van Swigchem concluderen dat het ontwerp van de salon van Elsenburg van de hand van Van der Hart geweest moet zijn. ‘Wanneer wij de in stuc uitgevoerde antichambre van het Deutz-huis vergelijken met de ontwerptekeningen voor een zaal in de buitenplaats Elsenburg en de blauwe zaal in het Hodshon-huis is de overeenkomst frappant. Deze drie zalen vormen duidelijk één serie’. 5) Deze conclusie wordt in Van Swigchems dissertatie op nog meer huizen betrokken: ’Er valt een duidelijke stilistische verwantschap te bespeuren tussen de salons in de Huizen Kops, Deutz, Hodshon, Barnaart en Elsenburg, die slechts is te verklaren, als we aannemen dat deze door één architect zijn ontworpen.’ 6)
Van Swigchem beschikte bij zijn analyse van Elsenburg niet over de derde belangrijke bron van informatie met betrekking tot Elsenburg III, het veilingbiljet dat in 1810 voor de verkoop van het huis werd opgesteld (het huis werd niet verkocht en twee jaar later afgebroken). Het biljet is belangrijk als bron van informatie over het interieur van de andere vertrekken van het huis en daarmee voor de vraag wie de architect was van Elsenburg.
Abraham van der Hart, architect van Elsenburg
Als nu valt aan te nemen dat Abraham van der Hart de architect was van de ‘Saal’ van Elsenburg, is het dan niet zeer aannemelijk dat hij ook de architect is geweest van heel Elsenburg III? Waarom zou Van der Hart - stadsbouwmeester en een bekend en veel gevraagd architect in de rijke Amsterdamse patriciërskringen - wel het meest prestigieuze deel van het huis hebben ontworpen, maar niet de rest van het huis? Dat is een weinig plausibele veronderstelling. Bovendien bestaat er tussen de ‘Saal’ van Elsenburg en de andere vertrekken van het buitenhuis een overeenstemming in kenmerken, een zekere eenheid in ontwerp en inrichting. Een dergelijke overeenstemming maakt aannemelijk dat Abraham van der Hart niet alleen de architect was van de ‘Saal’, maar van het hele huis.
Zoals gezegd ondergaat het werk van Van der Hart vanaf 1790 onder invloed van de Schotse architect Robert Adam een stijlverandering. Hij gaat bij voorkeur in stuc werken en de interieurs worden uitgevoerd in een specifiek decoratieprogramma met een specifiek kleurengamma. Kijken we nu naar Elsenburg, dan valt te constateren dat het gebouwd is in de periode, namelijk rond 1795, waarin Abraham van der Hart veel in stuc is gaan werken en dat - zo blijkt uit de beschrijving van het veilingbiljet – niet alleen de ‘Saal’, maar alle kamers van Elsenburg in stuc zijn uitgevoerd en veelal op een wijze die kenmerkend was voor Van der Hart, namelijk met afgeronde overgangen tussen plafond en muur. Over verschillende vertrekken van Elsenburg wordt in het veilingbiljet immers opgemerkt dat zij koepelsgewijs zijn gestukadoord, dat wil zeggen dat de overgang van wand naar plafond uit een gebogen vlak bestaat.
De eenheid in stijl komt ook tot uitdrukking in het gegeven dat niet alleen de ‘Saal’, maar ook vele andere kamers zijn ingericht met een ‘Engelsche’ schoorsteen van gekleurd marmer en met spiegels met vergulde lijsten. De kleuren van het marmer (groen met wit, volledig wit, agaat met wit) komen overeen met het door Van der Hart gebruikte kleurengamma.
Tot slot valt te constateren dat opdrachtgever en architect elkaar van nabij gekend moeten hebben. Jan de Witt was Amsterdams stadsbestuurder en Abraham van der Hart was Amsterdams stadsbouwmeester en gevraagd ontwerper van stads- en buitenhuizen voor de Amsterdamse kooplieden en regenten. Bekend is dat beide mannen nauw betrokken waren bij de bouw van de Franse Schouwburg aan de Amstel in Amsterdam in 1788. Abraham van der Hart was de architect van het gebouw en Jan de Witt behoorde tot het gezelschap dat het initiatief nam voor de bouw en voor de financiering zorgde.
De bovenstaande aanwijzingen maken het waarschijnlijk dat Abraham van der Hart de architect geweest moet zijn van Elsenburg III.
Slot
Lang zou de familie De Witt niet in het nieuwe grandioze Elsenburg verblijven, want rond 1800 vestigde De Witt zich weer in Parijs, de stad waar hij eerder al zeven jaar had doorgebracht. Hij verkocht zijn buitenplaats aan de Utrechtse familie Nepveu. Het hoofd daarvan, mr. Laurens Johannes Nepveu, was voor de Bataafse revolutie van 1795 lid van de vroedschap van Utrecht geweest. Hij behoorde in 1814 tot de vergadering van notabelen aan wie de goedkeuring van de grondwet werd voorgelegd. In een genealogisch overzicht van de familie staat het volgende over hem: ’Hij leefde als een rijk man op grooten voet, was eigenaar van het prachtige buitengoed Elsenburg (…). In 1812 kreeg hij een knak in zijn fortuin en noemde zich geruïneerd, ofschoon hij aan ieder zijner 6 kinderen nog een ton gouds naliet. Elsenburg werd geslecht. Hij betrok Nieuw-Amelisweerd, waar Koning Lodewijk in 1808 zijn intrek had genomen. In 1817 verliet hij dit wegens de vochtigheid van het huis en kocht een buitentje bij Zeist, dat hij Ma Retraite noemde, (…)’. 7)
In 1810 verschenen er advertenties in verschillende kranten te Utrecht en Amsterdam waarin Elsenburg te koop werd aangeboden. Ook verschenen er advertenties waarin grote bomen van het landgoed te koop werden aangeboden:’Verkopinge, te Nieuw-Maarsseveen (…) op 29. October 1810 en volgende dagen (…) van 544 extra zware gave BOMEN, waar onder à 3 en 3 ¼ voeten over het Kruis, en 80 à 90 voeten lang, te weten 243 Beuken, 242 Eiken, 21 Iepen, 31 Linden, 4 Kastanje Quina en 3 Essen, nabij de Riviere de Vecht gelegen, dus gemakkelijk te vervoeren -. (…) Voorts van eene gantsche partij zwaar Eiken HAKHOUT (…).’ 8)
Toen er geen koper bleek te zijn, onderging Elsenburg het lot van vele buitenhuizen in die tijd: het werd in 1812 gesloopt. Enige maanden later verschenen er advertenties in de kranten waarin opnieuw honderden bomen van de buitenplaats te koop werden aangeboden.
In 1813 verkocht Nepveu tenslotte de grond van de buitenplaats, opgedeeld in drie stukken, aan verschillende kopers: de Voorplaats met boomgaard voor f 4610,00 aan buurman Willem Huydecoper van Doornburgh, de weilanden achter de Overplaats aan Anna Elizabeth Hooft en de Overplaats, ruim negen morgen groot, voor f 3900,00 aan Unico Cazius, grondeigenaar uit Utrecht. 9) Een deel van de gronden van Elsenburg keerde dus weer terug naar de oorspronkelijke eigenaren, de familie Huydecoper.
Noten
1. R. Meischke. Inleiding: De ontwikkeling van buitenhuizen aan de Vecht. In: E. Munnig Schmidt en A.J.A.M. Lisman (1997). Plaatsen aan De Vecht en De Angstel. Canaletto, Alphen aan de Rijn i.s.m. Oudheidkundig Genootschap Niftarlake. pp. 19 en 20.
2. Zie artikel van J. Heijenbrok en G. Steenmeijer, Meer dan Welgelegen: Abraham van der Hart en de familie Hope. In: Themanummer Abraham van der Hart (Lex Bosman), KNOB Bulletin, nr. 5/6 2008. pp.194-211.
3. C.A. van Swigchem (1965). ‘Abraham van der Hart (1747-1820). Architect Stadsbouwmeester van Amsterdam’ (1965). Scheltema en Holkema, Amsterdam.
4. B. Ziesenis was in Engeland in de jaren 1790-1792 bij Robert Adam in de leer geweest.
5. Van Swigchem (1965). p.125.
6. Van Swigchem (1965). p. 195. Op p. 213 wijst de auteur ook nog op de antichambre van het Deutz-huis. De wanden hebben vakken, ook de kleine boven de deuren, die tot in details overeenkomen met het ontwerp voor Elsenburg.
7. A.L.T.A. Nepveu tot Ameyde (circa 1905). Kort genealogisch overzicht betreffende de familie Nepveu. Drukker/uitgever: T. Horneer, Gorinchem. p. 24 e.v.
8. Zie: Utrechtsche Courant 14-9-1810.
9. Zie: Albers Adviezen (2011). Hofstede Elsenburg. Historische studie in het kader van de herbestemming. Utrecht. p. 4-13 van 17.