46e jaargang (bladzijde 125) nr.4 / IN: Periodiek HKM
Driehonderd jaar ‘De Zegepraalende Vecht’
Wally Smits
Driehonderd jaar geleden verscheen ‘De Zegepraalende Vecht’, vertoonende verscheidene gesichten van lustplaatsen, heeren huysen en dorpen; beginnende van Uitrecht en met Muyden besluytende’. 1) Daniël Stoopendaal koos de buitenplaatsen voor het boekwerk; hij tekende die en maakte van de tekeningen etsplaten. Andries de Leth schreef een ‘voorbericht aan de liefhebberen’ en Jan de Regt verluchtte de inleiding met het gedicht ‘De Vechtzang’. Een honderdtal etsen waarop de dorpen en de uitgekozen buitenplaatsen verbeeld waren, stonden erin en sommige buitenplaatsen werden wel in vier of vijf etsen vereeuwigd. De dichter Claas Bruin sloot het boekwerk af met het maar liefst 37 pagina’s vullende gedicht ‘Speelreis langs de Vechtstroom op de uitgegeevene gezichten van de Zeegepraalende Vecht’. 2)
Om de vraag te beantwoorden waarom Stoopendaal de ene buitenplaats buitengewoon veel aandacht gaf en de andere buitenplaats nauwelijks, is het zaak om het voorwoord van De Leth nader te bekijken. Hij stelde daarin dat er over allerlei onderwerpen de mooiste schilderijen waren gemaakt, ook over de langs de Vecht staande buitenhuizen, maar het nadeel daarvan was dat zo’n schilderij bij de bezitter in een kamer kwam te hangen, en voor het brede, geïnteresseerde publiek ontoegankelijk bleef. De ‘geestrijke Plaatsnyery’ daarentegen had dit probleem niet. De ets werd op papier afgedrukt en kon over ‘den geheelen aardkloot’ worden verspreid. Zij waren niet uniek, immers van Versailles, Windsor, Hamptoncourt en Het Loo waren ook al etsen gepubliceerd. Nu waren echter de landhuizen aan de beurt zodat ‘naagebuiren en vreemdelingen’ er bij thuiskomst nog van konden genieten. Sterker nog: het boek moest ook dienen als ‘modell en voorbeeld’ voor hen die van plan waren hun huis en tuin te veranderen. De Leth eindigt zijn voorwoord met het noemen van een paar klinkende namen van toenmalige tuinarchitecten: Jan en Samuel van Staden, Steven Jacobsz Vennekool, Simon Schijnvoet en zeker niet de minste Jac. Marot, de zoon van Daniël Marot die in Frankrijk een enorme invloed had op het ontwerp en de indeling van tuinen.
Selectie van objecten
Het doel van zowel Stoopendaal als van De Leth was dus om vreemdelingen en geïnteresseerden een boek te verschaffen om thuis nog eens te genieten van al het schoons dat zij in de Vechtstreek hadden gezien. Het boek ging echter ook verder: het kon dienen als voorbeeld voor anderen die van plan waren om hun huis en tuin aan te passen aan de moderne inzichten. Die inzichten waren gebaseerd op wat in Frankrijk en met name aan het koninklijke hof van Versailles in zwang was. Het was alles Frankrijk en Frans wat de klok sloeg. Het expliciet noemen van tuinarchitecten - in het bijzonder de Fransman Marot - gaf aan dat de geometrische, in strakke vlakken (perken) verdeelde tuin de standaard was geworden. Dit is volgens mij de belangrijkste reden waarom een huis werd opgenomen in het boek. Soms werd een huis wel genoemd, waarschijnlijk omdat de eigenaar te belangrijk was om zomaar over te slaan, maar meer dan een vage afbeelding of verwijzing zat er dan niet in. Zowel Huis ter Meer als Goudestein in Maarssen ondergingen dit lot. De suggestie dat men uitverkoren werd om in De Zegepraalende Vecht te komen als men betaalde, lijkt mij te ver gaan, want De Leth besteedde vrij veel aandacht aan het Goudestein van de familie Huydecoper, zelfs met een gedicht, terwijl het letterlijk slechts zijdelings geëtst is. Het eigenlijke woonhuis van Jan Elias Huydecoper, Gansenhoef, voldeed wel aan de eisen van de etser, want dat werd, evenals de ernaast gelegen buitens Hoogevecht en Otterspoor, veelvuldig afgebeeld. Vermoedelijk waren de tuinen en huizen in de buurt van Loenen al zo gemoderniseerd, dat ze aan de doelstellingen van Stoopendaal en De Leth dienstbaar gemaakt konden worden. De meeste buitens en tuinen die opgenomen werden in De Zegepraalende Vecht stonden in die omgeving.
Invloed van De Zegepraalende Vecht
De uitgave van 1719 was een daverend succes. Dit succes zou de hele achttiende eeuw voortduren met regelmatige herdrukken, wisselende titels en uitgevers. De eerste druk werd uitgegeven door de weduwe van Nicolaus Visser die een boekenzaak had op de Dam, genaamd De Visser en één van de laatste herdrukken, zonder voorwoord en gedichten, werd gerealiseerd door Rademakers in 1791. Uiteindelijk werd het in 1807 voor het laatst opgenomen in de Hollandsche Arkadia. P.J. Lutgers liet in 1836 zijn ‘Gezigten aan de rivier de Vecht’ verschijnen, weliswaar met als uitgangspunt het werk van Stoopendaal, maar met nieuwe tekeningen en ditmaal in steendruk. Daarna moesten we tot 1982 wachten voor er weer een uitgave verscheen met aandacht voor de buitenplaatsen, ditmaal aan de Vecht en de Angstel, van de heren Lisman en Munnig Schmidt. De tekeningen werden gemaakt door de heer Chris Schut. In de tussentijd, in 1948, was echter van de hand van R. van Lutterveld het standaardwerk ‘De Buitenplaatsen aan de Vecht’ verschenen. Hij ging heel diep in op allerlei facetten van de oorsprong, bouw en bewoning van de buitenplaatsen, maar ook op de tuinarchitectuur.
Vele malen zijn de prenten van Stoopendaal gebruikt voor andere uitingen. Er werd behangsel gemaakt met afbeeldingen van de buitenplaatsen uit het boek, en van Rupelmonde is bekend dat het in een drinkglas is gegraveerd. Er werden ook grote tuinvazen geproduceerd met daarop een herkenbare kopie van een prent van Stoopendaal. Tegeltableaus van 8 bij 8 tegels met voorstellingen van buitenhuizen werden er gebakken. Ook op luxe tabaksdozen verschenen reproducties van de prenten van Stoopendaal. Zelfs in de twintigste eeuw werd Stoopendaal weer gebruikt om het schoolvak Vaderlandse Geschiedenis te verluchtigen. Uitgeverij Wolters liet in de jaren twintig van de vorige eeuw een tekening van (?) de buitenplaats Petersburg (in 1717 door tsaar Peter de Grote van Rusland bezocht) bewerken en in 1956 werd aan J. H. Isings gevraagd om een schoolplaat te maken van het buiten Elsenburg. Het is net of Stoopendaal in het gevolg van Peter de Grote is meegereisd. De tsaar bezocht in 1717 de buitens Zijdebalen, Ouderhoek en Petersburg en juist die buitens werden door Stoopendaal overdadig geëtst.
Stadhoudersservies
Het zal zeker geen toeval zijn dat tussen 1772 en 1774 in het Duitse Meissen het zogenaamde Stadhoudersservies is vervaardigd voor stadhouder Willem V. Volgens het dagboek van J. Bicker Raye was Willem V in het jaar 1772 met het Amsterdamse Stads- of Statenjacht over de Vecht gevaren en waarschijnlijk heeft dat tochtje enkele heren van de VOC op het idee gebracht om een maar liefst ruim 400-delig servies te laten bakken bij de Königliche Porzellanmanufaktur Meissen in het Duitse Meissen. Dit veelkleurige servies, met niet alleen buitenplaatsen, is in de loop van de negentiende eeuw verspreid, en een aanzienlijk deel is weer in bezit gekomen van museum Paleis Het Loo. De afbeeldingen op de borden en sauskommen zijn nog kleurecht en geven aan dat de makers met grote precisie de prenten van Stoopendaal hebben gekopieerd en van kleur hebben voorzien. Met het afnemen van de belangstelling voor de zogenaamde Franse tuinen en de opkomst van de Engelse landschapstuinen taande ook de interesse in de na 1750 dus ouderwetse, Franse stijl. De boeken met prenten vonden minder aftrek en verstoften op de planken. Pas in de loop van de twintigste eeuw kwam er weer belangstelling voor de ooit zo imposante buitenplaatsen. De weinige exemplaren van De Zegepraalende Vecht werden vaak verknipt en de prenten ingelijst. Zij kregen een plek aan de muren van menig Vechtstreekbewoner, terwijl het toch echt de bedoeling van De Leth was dat dit boek een naslagwerk zou zijn vol goede ideeën op het gebied van met name tuinaanleg. Met de integrale uitgave van het oorspronkelijke werk in 1998 door uitgeverij Marinus van Kralingen uit Breukelen kwam het voorwoord van De Leth weer voor een breder publiek tot zijn recht en kon men weer kennisnemen van de schitterende buitenplaatsen langs onze unieke Vecht.
Noten
1. Het merendeel van de gegevens komt uit de heruitgave van De Zegepraalende Vecht uit 1998 waarin niet alleen de etsen, maar ook het voorwoord van De Leth zijn opgenomen. Achterin beschrijft de heer Lisman de geschiedenis van het boekwerk en ook de opvolgers van dit werk in de negentiende en twintigste eeuw. Verdere gegevens komen uit het werk van R. van Lutterveld uit 1948 ‘De Buitenplaatsen aan de Vecht’.
2. Zowel de spelling van Stoopendaal en van Zegepraalend wijzigt nog wel eens. Zowel Stopendaal als Stoopendaal wordt geschreven, maar ook Zegepralend in plaats van Zeegepraalend.