46e jaargang (bladzijde 130) nr.4 / IN: Periodiek HKM
Hoezo De ‘Zegepraalende’ Vecht?
Jos Odekerken
Je kunt geen folder of boekwerk over de Utrechtse Vecht openslaan of daarover een website bezoeken, of je komt onherroepelijk in de beschrijving de kwalificatie ‘Zegepraalende’ Vecht tegen, al dan niet in de achttiende-eeuwse spelling. De recente, kleurrijke flyer over de Nieuwe Hollandse Waterlinie bijvoorbeeld rept op de eerste bladzijde over ‘de geliefde plassen die direct ten oosten van de zegenpralende Vecht liggen’. Ga iets verder terug in de tijd, naar de ANWB Kampioen van 28 september 1940 en je leest dat de lezer wordt geadviseerd ‘eens inzage zien te krijgen van een buitengewoon merkwaardig boek over de Vechtstreek, dat in het jaar 1719 te Amsterdam is verschenen: Claes Bruins Speelreize langs de Vechtstroom, met als titel De Zegepraalende Vecht.
Succesverhaal
Dit forse boekwerk in groot-folio formaat met als hoofdmoot 102 virtuoze kopergravures van de hand van Daniel Stoopendaal (1672-1726), een gedicht van 35 bladzijden van Claas Bruin en een omschrijving van de afbeeldingen door prentkunstenaar en uitgever Andries de Leth, mocht zich meteen al bij verschijnen in 1719 in een grote populariteit verheugen. Dat blijkt wel uit de vele herdrukken die bijna een eeuw lang met behulp van de oorspronkelijke koperen drukplaten verschenen. Maar ook in de eeuwen daarna bleef dit geliefde prentenboek graveurs en tekenaars inspireren om soortgelijke eigentijdse boeken over de Vecht samen te stellen.
Ruim een eeuw later, in 1836, verscheen een waardige opvolger van De Zegepraalende Vecht van de hand van P.J. Lutgers (1808-1874), onder de titel Gezigten aan de rivier de Vecht, met 86 verfijnde lithografieën. Bijna 80 jaar later, in 1915, brak Jac. P. Thijsse alle verkooprecords met zijn De Vecht in de populaire serie Verkade-albums dat nu nog in menig Nederlandse huiskamer, met ingeplakte plaatjes en al, te vinden is. Eveneens in de twintigste eeuw werden twee inwoners van Loenen en Nieuwersluis, de heren E. Munnig Schmidt en A.J.A.M. Lisman, dusdanig door de naburige Vecht geïnspireerd dat zij in 1982 het boek Plaatsen aan de Vecht en de Angstel lieten uitgeven waarvoor C.J.Th. Schut (1912-2000) 97 tekeningen vervaardigde. Ook dit magnifieke boekwerk van 283 bladzijden vond gretig aftrek onder een breed publiek. In 1998 tenslotte bracht Uitgeverij Canaletto/Repro Holland BV in samenwerking met Boekhandel Bouwman uit Maarssen en Boekhandel Marinus van Kralingen BV uit Breukelen een facsimile heruitgave met genummerde exemplaren uit van de oorspronkelijke uitgave van De Zegepraalende Vecht.
‘Zegepraalende’
Maar waarom toch dat ‘Zegepraalende’ in de titel? Zegepralend is een wat archaïsch aandoend bijvoeglijk naamwoord dat volgens Van Dale ‘overwinnend, triomferend of triomfantelijk’ kan betekenen. Dat laatste woord lijkt het beste te passen bij de titel van dit iconische boekwerk. Sinds die verschijningsdatum in 1719 is de kwalificatie Zegepraalende een eigen leven gaan leiden. Die toevoeging aan de titel van het veel geciteerde boekwerk betekent in alledaags Nederlands zoveel als de rivier de Vecht die ons toefluistert: ‘Ik ben toch de allermooiste!’
Alle schrijvers die zich sindsdien zo lovend over de Vecht hebben uitgelaten, hebben zich zonder uitzondering mede gebaseerd op dat populaire werk van drie eeuwen geleden waarin tekenaar Stoopendaal de boventoon voert. Naar hem heeft Maarssen een straatnaam vernoemd in de nieuwe woonwijk Hoge Brug; Loenen deed dat in de nieuwe wijk Cronenburgh. Nu, in 2019, is het exact 300 jaar geleden dat De Zegepraalende Vecht verscheen, met als ondertitel: ‘…Vertoonende verscheidene gesichten van lustplaatsen, heeren huysen en dorpen, Beginnende van Uitrecht en met Muyden besluitende’. Alle reden dus om aandacht te schenken aan dit kennelijk nog steeds zo invloedrijke boek en aan de culturele context waarin het is verschenen.
Daniel Stoopendaal
Wat weten we over de kunstenaar Daniel Stoopendaal (1672-1726)? In het archief van de Burgerlijke Stand Amsterdam lezen we dat hij op 15 mei 1672 in de Westerkerk in Amsterdam werd gedoopt en werd vernoemd naar zijn grootvader. Zowel grootvader als vader Bastiaen en ook zijn broer Harmanus oefenden het beroep van tekenaar en graveur uit. In het jaar1700 trouwde hij met Machtelina Cock. Samen kregen zij vier zonen en drie dochters. Er is helaas geen portret van hem bewaard gebleven. Hoogstwaarschijnlijk werd hij door zijn vader opgeleid tot prentmaker en tekenaar. Tussen 1685 en 1713 werkte hij in Amsterdam en bouwde een reputatie op met gravures en etsen van kaarten en wereldkaarten, waarvan een aantal in 1714 werd opgenomen in een uitgave van de Bijbel. Stoopendaal specialiseerde zich in het tekenen van bekende stadshuizen en buitenplaatsen van onder andere rijke Amsterdammers. Hij verwierf een internationale reputatie met kopergravures, waaronder bekende buitenplaatsen in vogelvlucht. De 102 platen (elk 14,6 x 19,6 cm) die hij vervaardigde voor de publicatie van De Zegepraalende Vecht zijn volgens kenners van een buitengewone verfijning. Verder weten we dat hij woonde aan de Looiersgracht 25 in Amsterdam en werd begraven in de Westerkerk.
[Volgende afb. 2 + 3 naast elkaar]
Prentkunst
Boeken met etsen en gravures kenden in de zeventiende en achttiende eeuw een grote populariteit. Veel beroemde olieverfschilderijen werden als een gravure of ets gekopieerd en vergrootten daarmee de populariteit van het oorspronkelijke kunstwerk. De graveurs werkten niet zelden zelfs in opdracht van beroemde schilders, die hun naamsbekendheid daardoor alleen maar zagen stijgen. Zie bijvoorbeeld de kopie die Weissenbruch maakte van het schilderij van Engel de Ruyter (1649-1683), gemaakt door een beroemde tijdgenoot van Rembrandt (1606-1669), Ferdinand Bol (1616-1680). De verspreidingskansen van een prent lagen uiteraard veel hoger dan die van het originele kunstwerk. Daardoor bleef de kostprijs laag. Van één gravure konden immers honderden afdrukken worden gemaakt. Gelukkig maar, want van veel originele schilderijen zijn de kopieën in prentafdruk nu nog de enige getuigen. Bovendien opende de ontwikkeling van de prentkunst voor minder draagkrachtige burgers de mogelijkheid om hun huis met kunst te versieren. Steeds vaker werden de gravures ingekleurd omdat men deze dan aantrekkelijker vond om in te lijsten en aan de muur te hangen. Zodoende ontstond er een markt voor ateliers waar afbeeldingen met de hand werden ingekleurd. Aan deze populariteit van de prent dankt Nederland drie belangrijke prentenkabinetten: die van het Rijksmuseum in Amsterdam, het Teylers Museum in Haarlem en Museum Boijmans van Beuningen in Rotterdam.
Rembrandts selfies
Wat is een gravure dan precies en wat is het verschil met een ets? Bij etsen denken we onmiddellijk aan Rembrandt die de etstechniek als geen ander beheerste en waarmee hij in zijn jonge jaren veel geld verdiende. Om te oefenen in de techniek maakte hij talloze, virtuoze selfies die destijds ‘tronies’ werden genoemd en waarin een levendige handel bestond. Van hem zijn 300 etsen bekend. Deze techniek houdt grofweg in dat je een metalen plaat afdekt met was. Dan kras je met een scherp voorwerp een tekening in die was. Twee van dit soort scherpe voorwerpen zijn de burijn en de droge naald. Vervolgens dompel je de plaat in een bijtende vloeistof. Daar waar de was is weggekrast, bijt het zuur zich in de koperen plaat. Het gevolg is dat de tekening nu in dunne lijntjes in de plaat ‘geëtst’ staat. De tekening kan worden afgedrukt. Eerst wordt een inktlaag aangebracht; de overtollige inkt wordt verwijderd, zodat deze alleen in de ingebeten groeven achterblijft. De plaat gaat dan met papier door de diepdrukpers. Etsen is een gemakkelijker techniek dan graveren. Bij het graveren is het begin van het proces anders. De tekening wordt gemaakt door met een naald rechtstreeks diep in een plaat te krassen. Je steekt dus rechtstreeks het koper als het ware uit de plaat. Met de tekenlijn soepel variëren is daardoor veel moeilijker. Bij het maken van kopieën van gravures is het kwaliteitsverlies bij grote aantallen geringer dan bij het kopiëren van etsen.
Evenwichtige compositie
Terug naar De Zegepraalende Vecht. Volgens kenners moeten de kopergravures die Stoopendaal voor dit boek produceerde tot de top behoren van wat in de achttiende eeuw op dit gebied is geproduceerd. Denk daarbij aan eigenschappen als een evenwichtige compositie, dieptewerking en fraaie stoffering. Dit laatste was vooral belangrijk voor de eigenaren van de afgebeelde buitens, waaronder wellicht ook rechtstreekse opdrachtgevers, voor wie opname in het boek status- en prestigeverhogend werkte. Het geheel diende vooral het maken van een grootse en welvarende indruk. Complete uitgaven van het origineel zijn tegenwoordig zeldzaam en kosten duizenden euro’s.
Dik voor elkaar
Wat waren dat voor lieden die zo graag prominent met hun buitenhuis in De Zegepraalende Vecht wilden worden opgenomen en voor een extra bladzijde de uitgever hoogstwaarschijnlijk op een douceurtje trakteerden? Vergeet de artistieke grootmeesters van de ets uit de zeventiende eeuw zoals Rubens en Rembrandt en bekijk de gravures van Stoopendaal op hun eigen merites, geplaatst tegen de achtergrond van het culturele klimaat van de achttiende eeuw. Geert Mak noemt de eeuw waarin Stoopendaal leefde ‘de eeuw van de onbeweeglijkheid’. Een bijna letterlijk voorbeeld van die onbeweeglijkheid is het portret dat Bartholomeus van der Helst (1613-1670) schilderde van Andriesz Bicker (1622-1666), een voorloper van de geslachten van regenten uit het einde van de zeventiende en begin van de achttiende eeuw. De ‘dikke Bicker’ in de volksmond, was de zoon van de machtige Amsterdamse koopman en meermalen burgemeester Andries Bicker. Als je zoals Andriesz op het fortuin van je voorvaderen kon teren, behoorde je in de eerste plaats niets te doen. Een gezet postuur paste daarbij, want dat stond voor welvaart en rust in je leven. De elite van de achttiende eeuw had het letterlijk ‘dik voor elkaar’. Met pa’s fortuin kon je een fraai buiten als Boom en Bosch verwerven, zoals Engel de Ruyter in Breukelen deed, of de centen die je uit je grondbezit trok, hier of in het buitenland beleggen.
In wat voor afbeeldingen waren de kopers van gravures in die tijd vooral geïnteresseerd? In de eerste plaats in gedetailleerde prenten van de meest welvarende stad in die tijd: Amsterdam. Begaafde tekenaars als Daniel Stoopendaal, Han de Beijer (1703-1780), Cornelis Pronk (1691-1759) en anderen gingen daar helemaal voor. Het Amsterdamse Stadsarchief heeft een enorme collectie van wel 1700 tekeningen waarin de stad wordt geportretteerd. Hoe buitengewoon verfijnd deze tekencultuur kon zijn, is fraai te zien in de tekening die Pronk in 1748 maakte van een zonsverduistering op de Keizersgracht.
Zien en gezien worden
Amsterdamse kooplieden wilden hun vermogen goed beleggen. Ze hadden in eerste instantie interesse in investeringen in grond en fabriekjes buiten Amsterdam, ook langs de Vecht. Denk aan kleine industrieën zoals dakpan- en steenfabrieken, glasfabrieken en verbouwde boerderijen met grote moestuinen. Het jaagpad langs bevaarbaar water tussen Utrecht en Amsterdam opende nieuwe mogelijkheden voor een grootscheepse verhuizing van en naar de stad door een verkorte reistijd per trekschuit. Om de drukte en onaangename luchtjes van zomers Amsterdam met zijn open riolen te ontvluchten, werd het nog aantrekkelijker om langs de Vecht een buitenplaats te bouwen, nu ook om te recreëren en gezond te leven. Boerderijen ontwikkelden zich tot ware lustoorden. Een prachtig ingerichte tuin met het gezicht naar de Vecht werkte statusverhogend voor de trotse bewoner. Voeg daarbij nog enkele fraaie bijgebouwen zoals een theekoepel langs het water, een oranjerie, een koetshuis en een indrukwekkende menagerie, en je status als succesvol koopman leek volmaakt. Op één ding na: hoe laat ik op discrete, maar overtuigende wijze aan derden zien hoe smaakvol en deftig mijn buitenverblijf erbij ligt?
Bijbels en atlassen
Hier diende zich, na de bovengenoemde Amsterdamse stadsgezichten, een nieuwe markt voor prenten aan en komt Daniel Stoopendaal met zijn graveerkunst in beeld. Wereldkaarten, waar vader Bastiaan en zoon Daniel bij betrokken waren, hadden al een ijzersterke reputatie opgebouwd via de beroemde Statenbijbels van de familie Keur uit Dordrecht. Deze vraag in de markt sloot op een ander niveau naadloos aan bij de lucratieve internationale trend die gezet was door de beroemde atlassen met koperdrukplaten van de familie Blaeu in het midden van de Gouden Eeuw. De lancering van het boek met Stoopendaals gravures van buitenhuizen langs de Vecht tussen Utrecht en Muiden kwam dus niet helemaal uit de lucht vallen en werd eveneens een kaskraker van jewelste. Verzamelaars stortten zich nu op de verfijnde topografische afbeeldingen van de bekende buitenplaatsen tussen Utrecht en Muiden, vaak weer in vogelvluchtperspectief. Stoopendaal en zijn uitgever voeren er wel bij.
Ommuurd paradijs
Hoe ging Stoopendaal te werk? Hij tekende het paradijs zoals de gegoede burger zich dat in de achttiende eeuw voorstelde. Voor hen was de natuur iets dat getemd moest worden, de woeste wereld van bossen, gebergte en wild stromende rivieren moest verbannen worden. Betekende het woord paradijs in zijn oorspronkelijke Oud-Perzische betekenis immers niet ‘ommuurde tuin’? Dat concept sloot perfect aan bij wat architecten als Philips Vingboons (circa 1607-1678) met hun classicistische bouwstijl beoogden. Daarbij paste de met fraai smeedwerk afgezette tuin waarbinnen van de natuur in vaste symmetrische patronen met kaarsrechte lanen en gemanicuurde heggetjes op veilige wijze kon worden genoten. Hier stormde, regende of sneeuwde het niet; hier dwarrelde geen blad onverwacht op het minutieus aangeharkte pad; hier was geen bloem verwelkt of tak verdord. Vanuit zijn met getrimd loof omgeven prieel of tuinhuis, met zicht op passerende boten of flanerende wandelaars, zag de vanuit de stad neergestreken landjonker dat het goed was. Dit is wat de welgestelde stedelingen wilden. De Groningse historicus Johan Huizinga (1872-1945) noemde dit verlangen naar ‘de behaaglijke rust van een blij buitenleven’ een kenmerk van onze Gouden Eeuw.
Een waar kunstgewrocht
Een soortgelijke overrompelende aanblik moet in de achttiende eeuw ook het park van Boom en Bosch in Breukelen, gedeeltelijk te zien vanaf de Vecht, de sprakeloze toeschouwer hebben geboden. Een strak uitgevoerde tuinaanleg in Franse stijl met geometrische parterres, lanen, terrassen, vijvers, fonteinen, priëlen, een grote verscheidenheid aan planten en bomen met bovenal veel beelden en tuinvazen, karakteristiek voor deze buitenplaats. Nog ruim 150 jaar later rept Jacobus Craandijk (1834-1912) in zijn Wandelingen door Nederland met pen en potlood (1875) van ‘…een waar kunstgewrocht, met zijn tempels, zegebogen, kabinetten, terrassen, met zijn prachtige digte berceaux en zijn kunstig geschoren hagen, met zijn vijvers, zijn fonteinen, zijn met Tritons rijk versierde waterbekken achter het huis.’
Engel de Ruyter
Daar ging wel het een en ander aan vooraf. We weten dat het huis moet zijn gesticht na de verwoestingen door de Fransen in 1672. In 1680 krijgt Engel de Ruyter, zoon van Michiel de Ruyter (1607-1676), de percelen grond in handen. Deze waren ettelijke malen groter dan het huidige Boom en Bosch. Engel werd in 1649 in Vlissingen geboren als zoon van de beroemde Admiraal Michiel Adriaansz de Ruyter en Neeltje Engels. Hij klom op tot de rang van vice-admiraal bij de Admiraliteit van Amsterdam en woonde in Amsterdam in een huurhuis pal naast dat van zijn vader, tegenwoordig Prins Hendrikkade 131. Na de dood van zijn vader wenste Engel een huis buiten en kocht in 1680 van de erfgenamen van Boddens en Man een hofstede met het grondbezit aan de Vecht in Breukelen, dat hij de passende naam Ruyter-Vegt gaf. De jonge Engel ‘vocht in den slag voor Solsbay in zijn vaders smaldeel, als Kapitein en werd door een grooten splinter op de borst gekwetst.’ Als gevolg daarvan kwakkelde hij met zijn gezondheid en wilde het rustiger aan gaan doen. Hij overleed echter ongehuwd in 1683 op 34-jarige leeftijd. Uit de taxatielijst van zijn roerende goederen, waaronder een koets, drie paarden en een bolder- en speelwagen, blijkt dat zijn huisraad in totaal f 4.500 waard was.
Theodorus Boendermaker
Via vererving aan de kinderen van zijn zus Alida en verkoop komt het gehele bezit uiteindelijk in 1709-1711 in bezit van Theodorus Boendermaker. Dit is de man die gezichtsbepalend is geweest voor de verfraaiing van huis en tuin van Boom en Bosch, een naam die toen waarschijnlijk al bestond. De kosmopoliet Boendermaker werd in Frankrijk geboren en verwierf grote rijkdom door de handel die hij dreef op Klein-Azië. Na de opheffing van het Edict van Nantes door Lodewijk XIV in 1685, waardoor Franse protestanten (Hugenoten) het recht op godsdienstvrijheid weer werd ontnomen, vertrok Boendemaker definitief naar ons land. Hij vergrootte Boom en Bosch in Breukelen met twee zijvleugels en liet formele tuinen aanleggen, precies zoals toonaangevende Franse tuinarchitecten als Marot en Le Nôtre dat gedaan zouden hebben. Uit archivalia uit 1711 weten we dat hij een uitgebouwde steiger met trapje in de Vecht liet metselen voor het terras tegenover de deur in de achtergevel, de zijde waar vroeger de gasten aankwamen.
Unieke beelden
Bedenk dat de hoofdingang aan de Vechtkant gelegen was. Het sierlijke smeedwerk waarmee het terras werd afgesloten, zien we op plaat 31 die Stoopendaal ervan heeft vervaardigd: ‘Het Huis van den Hr. Boendermaker, over de Vecht te sien’. In de tuin liet hij een halfcirkelvormige afsluiting van strak geschoren hagen planten. Daarvoor ziet u bovengenoemde levensgrote beelden op voetstukken staan, aan elke kant vier, een uniek ensemble voor de Vechtstreek destijds. Naar wij nu weten, werden de beelden vervaardigd door Ignatius van Logteren (1685-1732). Ook werd een klaverbladvormige vijverpartij ontworpen met daarin een fontein met beelden.
Wat we er nu nog van kunnen zien zijn de fraaie tuinvazen op hoge voetstukken aan de rand van het terras grenzend aan de Vecht. Een ander pronkstuk van het buiten lag aan de zuidkant van het huis. Het bestaat nu niet meer, maar Stoopendaal heeft er een aparte gravure van gemaakt, plaat 32, ‘Dr Hr. Boendermakers groote Kom, nevens de Terras en haer Cabinetten’. We zien een besloten tuin met een soort tuinhuis en halfcirkelvormige terrassen. Achterin stond een beeldengroep, voorstellende ‘De Roof van Proserpina door Hades’, met het jaartal 1712, toegeschreven aan de beeldhouwer Jan Pieter van Bauerscheit de Oude (1669-1728). Deze beeldengroep staat nu in de kasteeltuin van Gunterstein.
P.J. Lutgers
We maken een sprongetje in de tijd en bekijken wat die andere succesvolle tekenaar, Petrus Josephus Lutgers (1808-1874) met Boom en Bosch en 85 andere buitens gedaan heeft in de bestseller uit 1836 over ‘dat gedeelte van de Provincie Utrecht, door de Vecht besproeid.’ Lutgers werd geboren in Amsterdam maar woonde het grootste deel van zijn leven in Loenen, Dorpsstraat nr. 2 en nr. 98, waar hij op 65-jarige leeftijd overleed. In Loenen is eveneens een straatnaam naar hem vernoemd. In zijn succesvolle boek past hij de relatief nieuwe steendruktechniek toe, waarbij de tekening met krijt of inkt op steen wordt aangebracht. Lutgers zelf signaleerde toen al dat veel waardevolle gebouwen in de Vechtstreek dreigden te verdwijnen. Hij zegt daarover ‘Vele zijn er voorzeker door de treurige omstandigheden des Vaderlands gesloopt, andere hebben sedert merkelijke veranderingen ondergaan. Nieuwe zijn aangebouwd, zoodat eene tweede getrouwe navolging wenschelijk werd.’ Met deze ‘tweede navolging’ bedoelde hij een tweede visuele documentatie van het gebied, volgend op die van Stoopendaal. Hiermede plaatst Lutgers zich nadrukkelijk in de traditie van Stoopendaals De Zegepraalende Vecht.
Ignatius van Logteren
Vergelijk Lutgers’ techniek met die van Stoopendaal en we zien waar de charme van zijn werk ligt. De indruk die de prenten achterlaten, lijkt zachter door de korrelige structuur; alsof ze met potlood zijn getekend. Een mooi voorbeeld daarvan is de manier waarop hij in de prent Boom en Bosch nabij Breukelen de spiegeling van gebouw en tuin in het water van de Vecht weergeeft. Ruim een eeuw later naar dezelfde plek kijkend, constateren we dat de acht beelden, gemaakt door Ignatius van Logteren, er nog steeds staan. Na die datum lijken ze op miraculeuze wijze uit de tuin van Boom en Bosch te zijn verdwenen … tót het moment dat een oplettende drs. P.M. Fischer ze in 1965, al wandelend door de Arnhemse parken Sonsbeek en Zypendaal, herontdekt, bekend als hij was met het werk van Van Logteren. Bram de Klerck bericht in de NRC van 10 november 2006 over deze vergeten beeldhouwer uit de achttiende eeuw, waarover dezelfde Fischer een monografie geschreven heeft. Vader Ignatius en zoon Jan van Logteren zijn verantwoordelijk voor beeldhouwwerk en stucdecoraties in menig Amsterdams grachtenpand, maar ook bijvoorbeeld voor het stucwerk in buitenplaats Nieuwerhoek in Loenen aan de Vecht. Ignatius verwierf echter vooral faam door zijn tuinbeelden. Ziedaar de link met de beelden van Boom en Bosch.
Leentjebuur in Arnhem
Een artikel in het Zondagsblad van de Arnhemse Courant van 14 oktober 1923 bracht opheldering omtrent de verhuizing van de beelden van Boom en Bosch naar Arnhem. Fischer rapporteert hierover in het Arnhems Historisch Tijdschrift. In het kort komt het erop neer dat de beelden in 1847 werden aangekocht door voormalige eigenaren van Queekhoven, mevrouw Brand tot Cabauw en haar echtgenoot baron van Brakell tot den Brakell. Laatstgenoemde vestigde zich in 1859 in Arnhem, ging daarbij kleiner wonen, kon de beelden niet in zijn tuin plaatsen en schonk ze bij die gelegenheid aan de stad Arnhem. De Arnhemse Janssingel, Eusebiusbuitensingel en de Velperbinnensingel zijn sindsdien zwaar schatplichtig aan het berooide Breukelse Boom en Bosch, want daar in Arnhem staan de beelden tot op heden te pronken.
In datzelfde jaar 1847 werd Boom en Bosch vervolgens aangekocht door de Amsterdamse koopman Daniel Willink van Collen, toen al eigenaar van ridderhofstad Gunterstein. In 1913 komt het buitengoed aan Albertina Willink van Collen, douarière van jonkheer L.C. Quarles van Ufford. Twaalf jaar later, in 1925, wordt het huis aan de Gemeente Breukelen verkocht.
Natuurlijk Verkade
Van P.J. Lutgers springen we een eeuw verder naar wat wel de meest succesvolle Nederlandse reclamecampagne van de twintigste eeuw is genoemd. Die campagne speelde zich af rondom de bekende Verkade-albums waarvan er één gewijd werd aan de Utrechtse Vecht. In 1999 werd het laatste Verkade-album gepresenteerd. De verschillende titels zijn voor miljoenen Nederlanders een inspiratiebron geweest om nader met natuur en milieu kennis te maken. Tussen 1903 en 1945 werden ruim twee miljoen Verkade-albums verkocht en tussen 1965 en 1995 nog eens bijna 400.000. Inclusief latere facsimile-afdrukken werden meer dan drie miljoen albums onder het Nederlandse publiek verspreid; zelfs voor moderne begrippen een overrompelend succes.
Jac. P. Thijsse
In 1915 gaf de firma Verkade & Comp. te Zaandam het album getiteld De Vecht uit, geschreven door Jac. P. Thijsse. Thijsse, roepnaam Ko, werd in 1865 in Maastricht geboren. Het gezin verhuisde via Grave en Woerden naar Amsterdam. Kleine Ko zwierf het liefst door de vrije natuur. Vanaf zijn veertiende jaar bezocht hij de Gemeentelijke Kweekschool voor Onderwijzers en Onderwijzeressen. Daar kreeg hij les van dr. C. Kerbert, de latere directeur van Artis. Thijsse werkte als onderwijzer en schoolhoofd, onder andere in Den Burg op het eiland Texel. In 1892 keerde hij, inmiddels gehuwd, terug naar de hoofdstad. Uiteindelijk belandde Thijsse in Bloemendaal waar hij werkzaam was aan het Kennemer Lyceum. De albums van de koek- en beschuitbakkerij boden hem alle gelegenheid zijn liefde voor en kennis van de natuur uit te dragen. In 1930 ging hij met pensioen, maar hij bleef tot aan zijn dood in 1945 publiceren op het gebied van natuureducatie en natuurbescherming.
Beroemde oude buitens
Toen in 1914 in verband met de oorlogsdreiging in juli de mobilisatie werd afgekondigd, besloten Verkade en Thijsse te gaan publiceren over de Vecht. Thijsse bestudeerde Stoopendaals De Zegepraalende Vecht intensief en citeert in zijn nieuwe boek vrolijk uit de tekst van dichter Claes Bruin uit dat werk. ‘Nu stappen we flink stroomafwaarts, want we hebben ons voorgenomen, om vandaag de Vechtoever af te wandelen tot aan Nieuwersluis en in ’t bijzonder te letten op de beroemde oude buitens, waarvan we het een en ander hebben gelezen in het merkwaardig plaatwerk: ‘De Zegepraalende Vecht’. Daar behoort een gedicht bij van Claas Bruin, waaruit ik zeker af en toe wel iets zal moeten overschrijven.’ Ook laat hij een kaart van het gebied uit De Zegepraalende Vecht afdrukken. Thijsse maakte zijn verkenningstochten per fiets of te voet en meestal in het gezelschap van zijn vrouw. Vanwege de mobilisatie waren tussen de buitenplaatsen her en der stellingen opgericht en op tal van plaatsen stonden schildwachten verdekt opgesteld, vaak juist op de plekjes waar Thijsse een kijkje wilde nemen. Dat leidde zelfs tot een, weliswaar tijdelijke, aanhouding van het echtpaar.
Aquarellen
Illustraties voor De Vecht werden onder andere gemaakt door Willem Wenckebach (1860-1937), huisvriend van de familie Verkade. Hij behoorde tot de generatie Tachtigers. Behalve door zijn werk voor de Verkade-albums verwierf hij ook bekendheid door zijn pentekeningen van Amsterdam. Thijsse en Wenckebach hadden grote waardering voor elkaars werk en werden dikke vrienden. Jan Voerman, kleinzoon van E.G. Verkade sr., was pas vijftien jaar oud toen hij voor de albums ging tekenen. Hij zou uiteindelijk één van de belangrijkste illustratoren van de Verkade-albums worden.
Over het algemeen vertonen de aquarellen van Verkade uit de aard van de zaak een frisheid en artisticiteit eigen aan het medium, die scherp contrasteren met de zwart-wit gravures uit voorgaande periodes. Het merendeel van de voor Verkade vervaardigde aquarellen is van hoge kwaliteit. Alle miniatuur-aquarellen, in totaal ongeveer 3800 originele kunstwerkjes, worden in het archief van de Stichting Behoud Cultureel Erfgoed Verkade bewaard.
Omziend naar de illustratoren die de Vecht in beeld gebracht hebben - we kunnen hier slechts de allerbekendsten presenteren - is er één gemeenschappelijk kenmerk dat hen verbindt: respect voor een rijk en schoon verleden. We sluiten ons graag aan bij de woorden van de Fa. Verkade in het voorwoord van De Vecht: ‘Menschenwerk en natuur hebben zich vereenigd om dit stukje van Nederland een ware vreugd te doen zijn voor ieder die er wandelt. We hopen dat ge er ruim van zult genieten.’
Bronnen
A.J. van der Aa. Biografisch woordenboek der Nederlanden. J.J. van Brederode, Haarlem 1874.
Roland Blijdenstijn en Kees Volkers. Over historische wegen. Stokerkade Historische Uitgeverij, Amsterdam 2018.
A. van Dale. Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Utrecht/Antwerpen 1984
Rene W. Chr. Dessing. De Amsterdamse buitenplaatsen. Kantoor Verschoor, Heemstede 2017.
Jacobus Craandijk. Wandelingen door Nederland met pen en potlood. 1875. Heruitgave Cosimo Klassiek, New York 2012.
Johan Huizinga. Homo Ludens. Amsterdam University Press 2009.
Yme Kuiper en Ben Olde Meierink. Buitenplaatsen in de Gouden Eeuw. Uitg. Verloren, Hilversum 2015.
A. Leth, D. Stoopendaal en weduwe N. Visscher. De Zegepraalende Vecht. Amsterdam 1719.
P.J. Lutgers. Gezigten aan de rivier de Vecht. Heruitgave Uitg. Mij. Canaletto, Alphen aan de Rijn 1970.
Geert Mak. De levens van Jan Six. Uitg. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2016.
Arie Manten en A. Laméris Marina. Breukelen. Uitg. Kerckebosch BV, Zeist/SPOU-Utrecht 2008.
E. Munnig Schmidt en A.J.A.M Lisman. Plaatsen aan de Vecht en de Angstel. Uitg. Mij. Canaletto, Alphen aan de Rijn 1997.
A. Prins-Schimmel. Boom en Bosch. Breukelen 1984.
Jac. P. Thijsse. De Vecht. Bakkerij ‘De Ruijter’ der firma Verkade & Comp., Zaandam 1915.
Wim Weijs. Natuur & landschap van de Vechtstreek. Stichting Uitgeverij KNNV, Zeist 2011.