46e jaargang (bladzijde 141) nr.4 / IN: Periodiek HKM
Zegepraalende Vecht; ook welvarende dorpen?
Wim van Schaik
Het boek De Zegepraalende Vecht dat dit jaar driehonderd jaar geleden verscheen, gaf een magnifiek beeld van het buitenplaatsenlandschap dat toen in goed honderd jaar tijd langs de Vecht was ontstaan. Sindsdien is er veel geschreven over de buitens, hun bewoners, hun opkomst en ook over hun verval. De dorpen waarin en waaromheen dit alles plaatsvond, bleven daarbij echter nagenoeg geheel buiten beeld. In dit artikel wordt nagegaan in hoeverre de dorpseconomie door de ‘buitenplaatscultuur’ werd beïnvloed.
Hiernaar is tot dusver weinig onderzoek geweest. Toch moet de realisatie van deze kolossale projecten grote invloed op de toen nog kleine Vechtdorpen gehad hebben. Vragen over de bedragen die er met de aanleg van een buitenplaats gemoeid waren, door wie al dat werk werd uitgevoerd en hoe hoog de lonen waren in die tijd en nog veel meer, wachten nog op beantwoording. Dit artikel wil daartoe een aanzet geven.
De inleiding van De Zegepraalende Vecht uit 1719 laat er geen misverstand over bestaan: landgezichten en wel in het bijzonder de lusthuizen en buitenplaatsen zijn het onderwerp van dit monumentale werk. Dat klopt aardig want van de 98 afbeeldingen hebben er 85 betrekking op buitenplaatsen. Ze komen ook uitgebreid aan bod in het eveneens in het boek opgenomen dichtwerk Speelreis langs de Vechtstroom. Van de 109 strofen die dit dichtwerk van Claas Bruin telt, zingen er ruim 70 de lof van de buitens en hun eigenaren. Daarbij vergeleken was de informatie over de dorpen die de lezer op deze reis langs zag komen nogal karig. Behalve een afbeelding was er ook een beknopte opmerking per plaats: Maarssen was een ‘groot en neringrijk gehucht’ en Breukelen was herstellend van het Franse slagzwaard dat daar honderden lijken maaide. Vervolgens had Nieuwersluis een kostschool waar de jonkheid in tucht werd gehouden, Loenen werd het Stichtse paradijs genoemd en Vreeland een vaste stad die nooit vergaat. In (Nederhorst) den Berg tenslotte kon men leven zonder ‘zielsverdrieten, bevrijd van staats- en kerkgeschil’. Kortom: de buitenplaatsbewoners konden volop genieten van het lustoord dat zij op de oevers van de Vecht hadden gecreëerd, afgewisseld met een aantal lieflijke dorpen. De vraag die bij dit alles opkomt, is in hoeverre ook de dorpsbewoners deelden in deze zegepraal van de Vecht tijdens de zeventiende en de achttiende eeuw. Dit artikel beoogt daarvan een eerste indruk te geven. Aangezien over het dagelijks leven van de (individuele) dorpelingen in deze eeuwen, de gloriejaren van de buitenplaatsen, zeer weinig bekend is, gaat het hier om een schets die hopelijk aangevuld wordt.
Buitenplaatsen
Als kenmerken van de (Amsterdamse) buitenplaats worden genoemd: een eenheid van huis, bijgebouwen, tuin en park, welke gedurende een deel van het jaar bewoond wordt. In de platen van de door Stoopendaal afgebeelde grote buitenplaatsen komen de eerste vier kenmerken duidelijk naar voren. Essentieel voor de buitenplaatscultuur is echter het laatstgenoemde punt: de jaarlijkse verhuizing naar het platteland waar het stedelijk leven van mei tot september onder gewijzigde omstandigheden werd voortgezet. Dat was zowel op de grote als op de kleine buitens het geval.
Van de buitenplaatsen die in de loop van de tijd langs de Vecht hebben bestaan, resteren relatief veel grote; van de kleinere zijn verreweg de meeste verdwenen. Hoewel Stoopendaal die niet afbeeldt, kunnen we daar nog wel een idee van krijgen aan de hand van de huizen die nog wel bestaan, zoals Mariënhof (Maarssen), Nieuw Hogerlust (Breukelen), Bosch en Vecht (Loenen) en zo nog een aantal. Alles bij elkaar resulteerde de behoefte aan buitenleven van de Amsterdamse elite in een lintbebouwing van ongeveer 200 buitens, waarvan het merendeel tussen 1630 en 1750 werd gebouwd. 1) Bovendien moesten vrij veel nieuwgebouwde buitenplaatsen na de verwoestende Franse inval van1672-1673 weer geheel of gedeeltelijk opnieuw worden opgebouwd. Dit alles bracht een enorme bouwactiviteit langs de Vecht met zich mee. Eén van de gangmakers daarvan was Joan Huydecoper (1599-1661), die niet alleen zelf een aantal buitenplaatsen liet bouwen, maar daarnaast ook bouwpercelen aan anderen verkocht. Door zijn toedoen verrezen in de periode tussen 1629 en 1661 rondom zijn buitenplaats Goudestein meer dan dertig, meest kleinere buitens.
De bovenlaag van de Amsterdamse regenten, kooplieden en bankiers liet ieder jaar in het voorjaar de stad achter om zich met hun familie en personeel naar de Vecht te begeven. Nadat de nodige spullen met een aantal personeelsleden om het huis bewoonbaar te maken met de schuit vooruit waren gestuurd, volgden ook de eigenaren met hun familie en enkele personeelsleden in hun rijtuig. Een stoet van gouvernantes, koetsiers, schippers en personeel voor de trekschuit (ook in deze tijd van het jaar werd contact met de stad onderhouden), wasmeisjes, schoonmaaksters, kooksters en ander bedienend personeel nam hier zijn intrek. 2)
Dit alles zal ook zeker invloed gehad hebben op de dorpseconomie. Achtereenvolgens wordt hier aandacht besteed aan de bouwsector, de tuinlieden, de overige neringdoenden en het dorpsbestuur.
Bouwnijverheid
De architecten van wie de namen vaak aan de ontwerpen van Vechtbuitens gekoppeld worden, zoals Jacob van Campen, Philips Vingboons, Adriaan Dortsman, Herbert Kramer en Jean Coulon, hadden meestal al eerder in Amsterdam voor dezelfde opdrachtgevers gewerkt en werden door hen meegenomen naar de Vecht. 3) Afgezien van een mogelijk kortstondig verblijf op een bestaande buitenplaats of, minder waarschijnlijk, in een plaatselijk logement, hadden zij weinig bemoeienis met het dorp.
Aannemers
Voor wat betreft de aannemers, die toen meestal werden aangeduid als meestertimmerman, metselaarsbaas en dergelijke, was het een andere situatie. Hoewel de architecten de supervisie hadden en bij een aantal van hen (Vingboons, Dortsman, Kramer) ook sprake was van een bouwtechnische achtergrond/familie, lag de verantwoordelijkheid voor de technische realisatie, alleen al vanwege de afstand tussen stad en platteland, bij de ambachtsbazen. 4) De opdrachtgevers deden rechtstreeks zaken met hen. Zo liet Joan Huydecoper in de jaren 1626-1628 door de timmerman Frans Mersen de hofstede Goudenhoeff verbouwen tot de buitenplaats Goudestein. 5) Het zou kunnen zijn dat deze timmerman door Huydecoper uit Amsterdam is gehaald, maar dat is allerminst zeker.
Bij de grote verbouwing van het middeleeuwse slot Loenersloot tot een achttiende-eeuwse buitenplaats leverde de Utrechtse metselaar Albert Maag in 1773 metselwerk waarvoor onder andere door steenbakkerij Vecht en Rhijn in Breukelen grote hoeveelheden baksteen werd geleverd. De eveneens Utrechtse Hendrik van Doornenburg leverde het timmerwerk en daarnaast werden echter ook door loodgieter J. Duijff en meestersmid Pieter Lambert uit Loenen grote delen van het werk uitgevoerd. 6) Uit andere bronnen blijkt dat plaatselijke ambachtslieden ook in staat waren hele buitenplaatsen te bouwen. Lisman vermeldt dat meestertimmerman Gerrit van der Paau in de jaren 1749-1754 van Pieter Trip het in die tijd opzienbarend hoge bedrag van f 40.336,- ontving voor de nieuwbouw van de buitenplaats VreedenHoff. 7) De veronderstelling van Lisman dat deze Gerrit van der Paau heel goed dezelfde zou kunnen zijn als de Loenense timmerman die in 1745 de steeds verder verzakkende kerktoren in dat dorp wist te stabiliseren, is zeer plausibel. In dezelfde tijd kreeg de Loenense meestermetselaar Jacobus van den Hoet de opdracht om de nieuwe buitenplaats Beek en Hoff te bouwen, waarvoor hij waarschijnlijk ook het ontwerp leverde. 8) Deze plaatselijke ambachtslieden konden dus wel wat! Voor de meer kunstzinnige werkzaamheden, zoals behangselschilderwerk, beeldhouw- en stucwerk, werden kunstenaars/ambachtslieden van elders ingehuurd.
Ook het onderhoud van de panden leverde veel werk op voor de ambachtsbazen en hun personeel. Aan de hand van een nagelaten kasboek van Jacob de Malapert, die van 1739 tot 1781 Bolenstein bewoonde, maakte Wally Smits daarvan het overzicht dat in de bijlage bij dit artikel is opgenomen. 9) Van genoemde ambachtslieden kwamen verreweg de meesten uit Maarssen, inclusief Maarsseveen, Maarssenbroek en Oostwaard. Het ging bij deze werkzaamheden om forse bedragen, vooral in de eerste jaren: f 6252 in 1739 en f 4249 in het daarop volgende jaar. Daarna nam het af tot het nog steeds respectabele bedrag van gemiddeld f 515 per jaar. De hierboven reeds genoemde Jacobus van den Hoet wordt ook genoemd voor onderhoudswerk op VreedenHoff: in de periode 1750-1767 ten bedrage van f 17.422. 10)
Tot slot nog een tragisch voorbeeld. Op 15 december 1741 was de Maarssense metselaarsbaas Willem van Loenen naar Amsterdam gegaan om bij enige heren die hun hofsteden in de omgeving van zijn dorp hadden en voor wie hij diverse karweitjes gedaan had, zijn ‘Niwejaars reeckeningen te brengen’. Hij inde de rekeningen, vervolgens dronk hij vrij veel borreltjes, viel van een kade en met zijn hoofd te pletter op een zolderschuit. 11) Deze voorbeelden die nog met een aantal zouden kunnen worden uitgebreid, geven aan dat de buitenplaatsen een behoorlijke bron van inkomsten vormden voor de lokale ambachtsbazen.
Bouwvakkers
Om alle bouwprojecten uit te voeren was veel personeel nodig. Dat was een probleem, aangezien de meeste dorpen volgens de beschikbare (belasting)gegevens slechts ongeveer een vijftal timmerlieden en evenzoveel metselaars onder hun ingezetenen telden. Een deel van dit probleem werd opgelost doordat de verhuisgeneigdheid in deze tijd vrij groot was, met name vanuit de omliggende dorpen, maar ook vanuit Amsterdam en de stad Utrecht. De ambachtslieden volgden het werk. Zo is van de timmerlieden- en aannemersfamilie Van Schaik gedurende een tiental generaties het spoor te volgen vanaf achtereenvolgens Lage Weide, Maarsseveen, Loenen, Nieuwersluis naar Breukelen. Daarnaast was er in ieder dorp nog een vrij groot aantal inwoners dat de kost verdiende als daghuurder. Zij oefenden geen specifiek vak uit en konden per dag ingehuurd worden. Er was zodoende een arbeidsreserve die door de plaatselijke ondernemers naar behoefte kon worden ingezet.
In Tabel I zijn daarover enige cijfers verzameld waarbij ter vergelijking met de Vechtdorpen ook gegevens zijn opgenomen van het nabijgelegen Maartensdijk. In agrarische dorpen, zoals Maartensdijk, werden de daghuurders of daggelders ingehuurd door de boeren, maar in Maarssen met 15 boeren en 100 daghuurders waren dat hoofdzakelijk de ambachtsbazen. Dat gaat in meerdere of mindere mate op voor alle vier de hier genoemde Vechtdorpen. Een aanzienlijk deel van de beroepsbevolking, Breukelen 21%, Loenen 14%, Maarssen 34%, Nieuw-Maarsseveen 14%, was beschikbaar voor los werk. Zij konden worden ingehuurd voor werkzaamheden die niet al te veel oefening vereisten, hoofdzakelijk door de boeren of de ambachtsbazen. Vooral bij de bouw van de buitenplaatsen, maar ook bij latere projecten was er veel van dit soort werk.
Tabel I.
Het aandeel van vier beroepsgroepen in de bevolking van vijf dorpen omstreeks 1780
Breukelen Loenen-Nieuwersluis* Maarssen Nieuw-Maarsseveen Maartensdijk
aantal huishoudens 214 120 296 132 240
aantal daghuurders 50 17 100 19 14
aantal ambachtslieden 20 14 14 7 4
aantal boeren 31 6 15 3 61
aantal tuinlieden 11 3 13 9 2
Bron: RHCVV, Breukelen nr. 148; Loenen-Nieuwersluis nr.79; Maarssen nr. 140; Maartensdijk (Oostveen) nr. 12; Nieuw-Maarsseveen nr. 35. *Loenen bestond uit twee gerechten: Loenen-Nieuwersluis en het (veel kleinere) Loenen Kronenburg. Van het laatste gerecht zijn geen voor dit overzicht bruikbare cijfers bewaard gebleven.
Tuinaanleg en onderhoud
De tuinaanleg speelt met name een rol bij de grote buitenplaatsen. Zoals dat ook bij de architecten het geval was, kwamen de tuinontwerpers van elders. Namen die daarbij met het nodige voorbehoud kunnen worden genoemd, zijn bijvoorbeeld Daniël Marot (Elsenburg, Vijverhof) en Gijsbert van Laar (Loenersloot, Sterreschans). Zij kwamen van elders, evenals de leveranciers van ornamenten zoals tuinvazen, beeldhouwwerken, schelpengrotten, obelisken, hermitages en dergelijke. Het ruwe werk werd waarschijnlijk evenals bij de gebouwen door plaatselijke ondernemers uitgevoerd die daarvoor een beroep konden doen op de arbeidsreserve van daghuurders. Lisman vermeldt een betaling van ruim f 17.000 aan een zekere Jan Spruijtenburg voor de aanleg van de tuin bij VreedenHoff en een kleine f 1.500 voor de aanschaf van tuinbeelden. 12)
De hierboven in Tabel I genoemde tuinlieden waren naar alle waarschijnlijkheid de tuinbazen. Zij hadden nogal wat verantwoordelijkheden zoals overleg over de te verbouwen groenten, de zorg voor de oranjerie, het bepalen van het tijdstip voor de oogst en het overleg met de keuken over het aanleveren van groente voor de inmaak. 13) Dat er daarbij topprestaties geleverd werden, blijkt uit het feit dat op de buitenplaats Vijverhof in Nieuwersluis door Agnes Block de eerste ananas in Nederland gekweekt werd. 14) Ook hier werd, naast enig eigen personeel, gebruik gemaakt van daghuurders; dus ook hier was sprake van een welkome bron van werkgelegenheid.
Omdat de tuinbazen nogal eens in de administratie van landgoedbezitters werden genoemd, weten we ook iets over de hoogte van de lonen in deze tijd. In de jaren 1732-1751 werd op Goudestein aan de tuinbaas f 250 per jaar betaald, aangevuld met f 10 turf en f 3 als nieuwjaarsgift. Het dagloon van een daghuurder bedroeg 16 stuivers, bij een inzet van 150 dagen per jaar kostte deze f 120. 15)
De overige neringdoenden
Het meeste huispersoneel kwam mee uit Amsterdam. In dat opzicht brachten de buitenplaatsen, afgezien van de tuinman en de huisvrouw die in de periode september-mei op het huis pasten, weinig extra werkgelegenheid met zich mee. Wel ging het hier om een behoorlijk grote groep consumenten als afzetmarkt voor de plaatselijke middenstand. 16) Ook hier levert het artikel van Smits weer de nodige informatie. In 1769 ging er op Bolenstein 1700 liter bier door; de wijn werd waarschijnlijk uit de stad meegebracht. Daar zijn geen gegevens over. Bij slager Hendrik Timmer in Maarssen werden in dat jaar 333 pond schapenvlees, 332 pond ossenvlees, 188 pond kalfsvlees, 64 pond worstvlees, 2 lamsachterbouten, 20 kalfsschinkels en 32 kalfspoten ingekocht. Ook werd er natuurlijk brood gegeten. Daarvoor werd 4 mud tarwe gekocht, dat op de Maarssense molen werd gemalen en door een niet nader genoemde plaatselijke bakker tot brood gebakken. 17) Over leveranties van zuivel, groente en fruit zijn geen gegevens gevonden. Waarschijnlijk kwam dat (deels) uit eigen tuinen of van eigen pachters. Zo beschikten de bewoners van het inmiddels verdwenen Wallestein in Loenen over een stuk bouwland dat zowel weiland als graanakker geweest kan zijn, twee grote moestuinen, (lei)fruitbomen en kassen voor fruit en bloemen. 18)
Nu waren Bolenstein en Wallestein grote buitenplaatsen en zal de consumptie daar waarschijnlijk bovengemiddeld geweest zijn, maar deze cijfers en het grote aantal buitens wijzen op een interessante afzetmarkt voor de middenstand.
Het dorpsbestuur
Hierboven bleek dat de plaatselijke nijverheid behoorlijk profijt trok van de aanwezigheid van de buitenplaatsen. Hoe zat dat met de overheid: werden deze ‘opgezetenen’ die slechts een deel van het jaar in het dorp woonden, ook voor de dorpslasten aangeslagen net zoals de permanente inwoners, de ‘ingezetenen’? Van de dorpsbesturen werd bestuurlijk nogal wat verwacht. Bijdragen vanuit de nationale of provinciale overheid waren er niet; zij dienden er dus zelf voor te zorgen dat hun financiële huishouding op orde was. Zij deden dat door het totaal van de gemaakte kosten om te slaan over de gezinnen. Het gaat dan over de salarissen van onder andere schout, schepenen, secretaris, schoolmeester en vroedvrouw, de uitgaven aan brandbestrijding, nachtwacht, gezondheidszorg, onderhoud van straten, wegen en dijken en zo nog een aantal posten. Ieder gezin werd afhankelijk van hun geschatte welstand door middel van zogeheten ‘dorpslasten’ aangeslagen voor een deel van de totale uitgaven. Helaas werden de buitenplaatsbewoners in de registers van de dorpslasten meestal niet afzonderlijk vermeld. Een gelukkige uitzondering is het gerecht Loenen-Nieuwersluis. Daar werd in 1782 in de heffing consumptieve lasten (een provinciale belasting) een aantal personen aangeduid als ‘elders wonende en komen eenige tijd op hun buitengoed onder onze gemeente’. Dat is de groep waar wij het hier over hebben. 19) Om alle uitgaven over het jaar 1782 te dekken inden schout en schepenen een totaalbedrag van f 575 bij 120 Loenense huishoudens. Daarvan waren 18 huishoudens die slechts een deel van het jaar in het dorp woonden. Deze betaalden bij elkaar een bedrag van f 267. Dat is gemiddeld vijf keer zoveel als de ingezetenen die het hele jaar in Loenen woonden. 20) Het dorpsbestuur bracht aan hen dus bijna de helft van het totaal benodigde bedrag in rekening. Voor de bewoners van de buitens ging het hier niet om indrukwekkende bedragen, maar aan de dorpsbesturen gaf het wel de gewenste armslag.
Conclusie
Het geheel overziend kunnen we vaststellen dat er sprake was van een florerend bedrijfsleven, werkgelegenheid voor vast en los personeel, een mooie afzetmarkt voor de middenstand en een tevreden overheid. Kortom: ook de dorpen voeren wel langs De Zegepraalende Vecht.
Noten
1. Roel Mulder. Herfsttij der buitenplaatsen. In Niftarlake Jaarboekje 2006, p.41.
2. Van het personeelsbestand van de grote buitenplaats Ouderhoek, dat omstreeks 1733 uit elf personen bestond, bleven daar alleen de tuinman, een dienstbode en een huisvrouw gedurende het hele jaar. J. Pijzel-Domisse.18e-eeuwse inventaris van een verdwenen buitenplaats: Ouderhoek. In Niftarlake Jaarboekje 1978, p.25.
3. E. Munnig Schmidt, A.J.A.M. Lisman en C.J. Th. Schut. Plaatsen aan de Vecht en de Angstel, p.19; A.J.A.M. Lisman. De buitenplaats VreedenHoff aan de Vecht, p.15.
4. Hoewel Vingboons uit een meer artistieke dan technische familie stamde, zijn er aanwijzingen dat hij zich door zelfstudie en mogelijk via leerperioden bij een meestertimmerman of een architect de nodige praktische kennis eigen maakte. Koen Ottenheym. Philips Vingboons, p.23.
5. Idem, p.37.
6. P.W.M van Velzen en E. Munnig Schmidt. De verbouwing van de Ridderhofstad Loenersloot tot achttiende-eeuws landhuis. In Niftarlake Jaarboekje 1985, p.51-54.
7. Lisman, p.17.
8. E. Munnig Schimidt. Beek en Hoff van buitenplaats tot gemeentehuis, p.4.
9. W. Smits. Bolenstein in de 18e eeuw. In HKM Periodiek12 (1985-1986), p.27-28, 32-36.
10. Deels samen met de Loenense timmerman Gerrit Suydhoek. Lisman, p.19.
11. Jacob Bicker Raye (1703-1777). “Notitie van het merckwaardigste meyn bekent”, p.93.
12. Lisman, p.21.
13. René W. Chr. Dessing. De Amsterdamse buitenplaatsen, een vergeten stadsgeschiedenis, p.143.
14. Jos Odekerken. Breukelse noten. In Tijdschrift Historische Kring Breukelen, 33 (2018) 2, p.6
15. HUA, 67. Familie Huydecoper, 1152. Aantekeningen betreffende de opbrengsten en lasten op de buitenplaats Goudestein c.a. 1662-1750.
16. Zo zouden er alleen al op Goudestein volgens een schatting van Hans van Bemmel 20 à 25 personeelsleden geweest zijn.
17. Smits, p.33.
18. E. Munnig Schmidt. Apotheose van het buiten Wallestein’. In Niftarlake Jaarboekje 1999, p.36-37.
19. RHC Vecht en Venen. Gerecht Loenen-Nieuwersluis. 79 uitzettingen en omslagen van de belasting op de consumptie 1782-1800.
20. RHC Vecht en Venen. Gerecht Loenen-Nieuwersluis. 78 uitzettingen en omslagen van de dorpslasten 1782-1800.