400
700
900
Paepsche stoutigheden
Eigelshoven, Herman

Paepsche stoutigheden

47e jaargang (bladzijde 6) nr.1 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Oorlog En Vrede

Plot

‘Paepsche stoutigheden’

Herman Eijgelshoven

We gaan terug in de tijd naar de periode van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648): de opstand van de Nederlanden tegen de Spaanse overheersing. De Nederlanden werden toen bestuurd door een landvoogd, die met zijn eigen regering in Brussel zetelde. Hij was de zetbaas van de Spaanse koning, die altijd het laatste woord had.
De Spaans-Habsburgse Filips II was vanaf 1555 tot aan zijn dood in 1598 Koning der Nederlanden. In de jaren negentig van de zestiende eeuw versleet Filips II in Brussel zo'n tien landvoogden. In die jaren was het in de top van de Brusselse landsregering een chaos.
Onze opstand (van Nederland en België) tegen de extreem katholieke dynastie van Filips II was een venijnige burgeroorlog die verschillende oorzaken had. De religieuze factor, de strijd tussen katholieken en protestanten, kwam hierbij sterk op de voorgrond te staan. Deze was extreem bloedig.

De situatie in het gewest Utrecht; 't Sticht
In 1581 werd het in het gewest Utrecht definitief verboden om in het openbaar de katholieke, de lutherse, de doopsgezinde of overige godsdiensten te belijden. Alleen het calvinisme werd toegestaan. De rooms-katholieke godsdienst kreeg zo een koekje van eigen deeg. Inofficieel gold dit verbod al vanaf 1579. Katholiek roerend en onroerend goed werd vaak verbeurdverklaard en viel toe aan de Staten. Kerken werden veelal aan de calvinisten toegewezen.
Die kerkhervorming (van katholiek naar gereformeerd) liep in de tachtiger jaren in het gewest Utrecht niet van een leien dakje. Het calvinisme zag in die jaren geen kans de bestaande pastorieën in het Sticht te bemannen met voldoende betrouwbare, geëxamineerde predikanten. De residerende pastoors bleven in meerderheid de ‘paapse’ kerk trouw. Pastoors ’reformeerden’ zich in zoverre, dat zij wat meer gingen preken in de volkstaal, en onder het motto ‘u vraagt wij draaien’ op katholieke of protestante wijze doopten en trouwden. Het calvinisme ankerde niet in 't Sticht. De Staten vonden het wel goed zo, maar de calvinisten niet! Deze raakten gefrustreerd en werden steeds kwader. Ze richtten zelfs een spionagedienst op voor het platteland van Utrecht!

Acht jaar later: Filips II ten einde raad
Filips II werd in 1589 de burgeroorlog in Frankrijk ingezogen omdat de belangrijkste troonopvolger, Hendrik van Navarra, een protestant was. Op 1 augustus 1589 werd koning Hendrik III door een fanatieke ‘paapse’ monnik vermoord. Als gevolg hiervan werd Hendrik van Navarra na wat gedoe uiteindelijk de nieuwe Franse koning: Hendrik IV. Die brute moord van die ‘paapse’ monnik op Hendrik III pakte politiek voor Filips II helemaal verkeerd uit. Het buurland Frankrijk een protestante natie! De koning, die zichzelf zag als de wereldlijke plaatsvervanger van de katholieke God, lag nachtenlang naar het plafond te turen: wat te doen, wat te doen? Het geld om oorlog te voeren was op! Hij moest dus opnieuw gaan bedelen om leningen. Hij kreeg inderdaad ook nog wat los, onder andere van de paus.
In april 1590 gaf hij zijn neef Parma in Brussel het bevel om vanuit de Nederlanden met 20.000 soldaten Frankrijk binnen te vallen ten behoeve van de katholieke zaak. Toen realiseerden de Nederlandse politieke leiders zich nog niet welke kansen dit bood. Echter, toen Parma in 1591 opnieuw het bevel kreeg met een grote troepenmacht vanuit de Nederlanden Frankrijk binnen te vallen, viel het kwartje: pak die kans!
Onder leiding van Maurits van Nassau, de tweede zoon van Willem van Oranje, werden onder andere Zutphen (mei 1591) en Deventer (juni 1591) op de Spanjaarden heroverd. Ook andere regio's, buiten Zeeland en Holland, kwamen onder controle van Maurits. Door die oorlog tussen Frankrijk en Spanje werden de gewesten Zeeland en Holland in feite veiliggesteld. Ze hadden een goede bufferzone aangelegd. De handel ging explosief groeien. Een gouden tijdperk diende zich aan. Wat zal Filips II die moordende monnik vervloekt hebben...

Gunstige tijd voor de calvinisten.
Het begin van de negentiger jaren was dus een gunstige tijd voor de hardliners om in de Nederlandse gewesten de gereformeerde schroeven flink aan te draaien, vooral in dat laconieke gewest Utrecht. In Utrecht eisten zij dan ook van de Staten dat deze een einde zouden maken aan het katholieke gedoogbeleid. Het plakkaat van 1581 was toch duidelijk, de Statenleden konden toch lezen! Alléén het calvinisme en niets anders; punt uit! Geen ’na-laticheyt ende slappigcheyt in dese hoge saecke des Heeren.’ Handhaven en zo nodig tuchtigen!
Om van het ’gesodemieter’ af te zijn riepen de niet zo fanatieke Staten van Utrecht een commissie in het leven die de kerken op het Utrechtse platteland diende te ’visiteren’. Waarom waren de Staten van Utrecht niet zo fanatiek? Ze handhaafden onder andere het standpunt dat benoemingen van predikanten in het Sticht de goedkeuring van de Staten moesten dragen; géén alleenheerschappij hierin van de calvinisten! De commissie die door de Staten in het leven werd geroepen, werd dan ook bemand door leden die achter het standpunt van de Staten stonden. De commissie staat bekend als de ’Visitatiecommissie van 1593’. ‘Stoutigheden’ van pastoors, voorgangers en dergelijken moesten gerapporteerd worden en daarna moest actie tot inhoudelijke verbetering volgen. Hieronder volgt een weergave van de bevindingen van de commissie bij de visitatie van de kerken in onze regio.

De ‘stoutigheden’ in onze buurt
Nichtevecht
De kerk is redelijk onderhouden maar nog paaps ingericht. De kerkmeesters wisselen hier snel. De pastoor is Hessel Robrechtssen. ’In sijne bedieninge is hij noch gansch paepsch’. Soms trouwt hij ook ’in duytsch’. ’Seyde, wat de refomatie belangde, te blijven bij sijne antwoorde (van 1590) dat hij altijds catholijck geweest was, ende alsnoch begeerde te blijven’. De koster, Egbert Cornelissen, is ook schoolmeester. Hij is katholiek en net als zijn pastoor bitter gestemd ten aanzien van de Commissie. Ze wilden met haar geen discussie aangaan, ook al was deze in het huis van Bacchus (de herberg). Eerst in de tweede helft van de 17de eeuw zou Nichtevecht zich ontwikkelen tot een overwegend protestant dorp.
Over-Meer (Nederhorst ten Berg)
De kerk ziet er goed uit. Jan Hermanssen is er al 37 jaar pastoor. Hij heeft geen huisvrouw maar woont wel samen met een ‘eerlijcke oude weduwe, die hem dient en sijn huys voorstaet’ (d.w.z. als goede kennis vaak in zijn huis aanwezig is). Hij is en blijft paaps: ‘zul’cx dat hij verclaerde, dat hij noch voor de dooden 't gebed dede, omme niemant te argeren’. Deze man moet van de Commissie geëxamineerd en opnieuw opgeleid worden. Hier duurde het tot ver in de zeventiende eeuw voordat de katholieken een kleine minderheid werden.
Ankeveen
De Commissie noteerde dat deze parochie ’ten dele Hollands ende ten dele Stichts’ was. De kerkmeesters weigerden de commissie te woord te staan. Ze beriepen zich op het Hollandse kerkmeesterschap: ’daer nochtans de kercke op den Stichtsen boden staat’? Lambrecht Stapperts was er pastoor, maar was goedgekeurd als predikant. ’Ondervraecht zijnde in eenige fundamentele saecken der christelijke religie, antwoordde zeer confuselijck (d.w.z. verward). Vermengde de goede werken in 't stuck salicheyt met de verdiensten Christi! Is oock in de bedieninge van doop ende huwelyck gansch onverstandich, ende sonder alle behoorlijcke forme’. Er is ook een koster, Claes Jacobssen; onbekwaam als schoolmeester. Ankeveen bleef ook in de 17de eeuw hoofdzakelijk katholiek. De paapse godsdienst ‘kon't eenmaal niet uijt het dorp Anckeveen worden weggevaegt’ .
Corte-Houve
De kerk is goed onderhouden, maar is wel nog paaps ingericht. Pastoor is Nicolaes Martenssen. ’Dese man een weynich ondertast (d.w.z. ondervraagd) zijnde in de hoofdstukken van de religie en wist gansch niet goets te antwoorden. Beriep hem opt oude ende verclaerde van gene meyninge te zijn, omme hem na yets beter te vougen (d.w.z. over te stappen naar het gereformeerde geloof), hem dragende (zo hy seyde) in doopen ende trouwen, in latijn ende duytsch, gelijk als 't de lieden begeerden’. Zijn motto: de klant vraagt, ik draai. Ook hier duurde het tot ver in de tweede helft van de 17de eeuw voordat de katholieken een minderheid werden.
Vree-lant
De kerk is in goede staat, maar is ook nog paaps ingericht, onder andere met altaren. Er zijn twee kerkmeesters. Eén wordt gekozen door de dorpelingen, de ander is van buiten de parochie. De rekeningen worden betaald door de Maarschalk en het Gerecht. Het inkomen van de kerk bedraagt 9 gld. en 13 st.
De predikant is Guilielmus Aegidii. Hij is er al acht jaar en doet het best aardig. Wat er overblijft van de St. Anthonis Vicarie, wordt onder de armen verdeeld. De Vicarie is een heel mooie pastorie met een boomgaard. Er is echter geen kostershuis, noch een school.
De lokale bevolking vindt het niet erg als de predikant zou vertrekken. De predikant heeft een ’oude faulte van drincken’. De Visitatiecommissie: ’ons dunckt dat dit versouck gedaen wert, ten aansien van eenige voorige kibbelingen ende harde woorden, daer wt (uit) geresen waer-over eene aversie van sijne persoon schijnt te wesen’.
Ter-Aa
De kerk is verbrand, maar binnen is een afdak gemaakt. Men kan er dus prediken. Henricus Dussius Alberti is er al tien jaren predikant. Hij is wettelijk geëxamineerd en doet het volgens de regels. De koster is ook hier schoolmeester. Alberti heeft een groot probleem: ’dat hij in doopen ende trouwen zeer geempecheert (gehinderd) wert bij papen tot Vincke-Veen ende Wilnis’. Daar zaten kwaaie tegenstanders. Met die pastoors moest je geen ruzie krijgen. Laten we even kijken wat de Commissie over hen zegt.
Mathias Arnoldi uit Vinkeveen: erkend dronkaard, woesteling en vechtersbaas. Zijn bijnaam was ’de grote godt van Vinckeveen’. Hij probeerde, totaal bezopen, de vrouw van de predikant van Mijdrecht te versieren. Zijn drankzucht werd hem noodlottig. In de herberg nog schreeuwend om bier en onder de uitroep ’dat's goede soepe’, viel hij stomdronken in een grote ketel met kokend water. Ook pastoor Wicher Jansen uit Wilnis is een dronkaard en ’gansch onverstandich in de religie ende vast van leven als die van Vinckeveen. Heeft noch op Paesschen sijn Broot-Godt vercocht’. Broot-Godt is de hostie; klaarblijkelijk verkocht hij ook brood als Broot-Godt.
Het is dus begrijpelijk dat predikant Alberti een beetje bang was voor die twee ‘raasbollen’ (schreeuwers) en zijn mond tegen de Commissie eens flink opentrok.
Brueckelen
De kerk is’van binnen noch woest, onversien van bancken voor de vrouwen, ende noch vele reliquien van outaren en andere paepsche dingen’.
Predikant is Erasmus Backer. Hij volgt in ‘sijne bedieninge de christelijke ceremonie ende gebeden, achter den Catechismus gedruckt. Hier is een bequaam pastoors huys met eenen hof, ende eene costorie, bequaem omme de school te houden’. Dit, ondanks het feit, dat hij weigerde de Nederlandse Geloofsbelijdenis te ondertekenen. Ook beweerde hij, dat je niet alles moest geloven wat de apostelen zouden hebben gezegd. In het dorp stond Erasmus bekend als een dronkaard die 's avonds aan huis doopte en huwelijken sloot.
In 1606 vermeldde de predikant van Breukelen dat hij enige ‘communicanten’ heeft. De reformatie was bij lange niet een gelopen zaak
Maerssen
In 1588 werden de oude kerk en de pastorie aan de Kerkweg onteigend en overgedragen aan predikant Schepers. Na een paar maanden vertrok deze weer. Jonkheer Zoudenbalck benoemde na het vertrek van predikant Schepers stoutweg Cornelis Petri (Petersen) als pastoor! Deze was daarvoor uit Breukelen verbannen wegens openbare katholieke godsdienstoefeningen.
De Visitatiecommissie van 1593 over Petri: ’(...) en heeft sijn huisvrou noch niet getrout, niettegenstaende hem zulx bij mijne E.E. Heeren de Staeten bevolen is. Hij seyde oock wtdruckelijck, dat hij se in 't openbaer niet en wil trouwen, daerbij voegende dat hij se wel begeerde te verlaten, also hij sonder haer wel conde leven, ja presenteerde-se wel spottelijck aen yemant over te stellen, indien hij se van doen hadde’ (indien deze haar wilde hebben).
Petri deelde ook mede niet mee te willen doen aan een nieuw examen. In zijn geweten wilde hij noch door de Staten, noch door iemand anders gedwongen worden. De commissie stelde ook dat vele dingen ’qualijck toegaen, doopen ende trouwen’. Enige tijd later werd hij afgezet en Maarssen werd bij Breukelen gevoegd.
Maar als de tijd rijp is voor een betere kwaliteit, dan gebeurt dat ook! In 1599 krijgt Maerssen de van Utrecht afkomstige Van Blochoven als predikant. Wat voor predikant haalde Maarssen binnen?
Op zijn Utrechtse slaapkamer had Gerrit van Blochoven behoorlijk wat buitenhuwelijkse seks met zijn dienstmaagd Adrianekins Dierix: ’gehadt hebbende een maecht (maagd), die soe het schynt, wat schoonder was dan syn huysfrouwe, ende lieffelycker van gelaet, is bewegen geweest (d.w.z. heeft hem er toe gebracht) deszelffs maechts borstkens ende buycxken somtyts te taste.’ Hij kon het ’tasten van haere secreete plaetse aen haeren blooten lychaeme’ niet laten. Zijn vrouw kwam erachter en heeft ’die maecht ten huyse vuytgedreven’. Klaarblijkelijk vond Maarssen de stoutigheden van Blochoven niet zo erg. Overigens: Blochoven was één van de spionnen en was ook lid van de Visitatiecommissie van 1593.
Ook in de zeventiende eeuw vlotte het niet zo met de calvinisering. Eerst in 1606 hield een predikant met Pasen voor het eerst een avondmaal. In 1653 ging de calvinistische kerkenraad van Maarssen, opgericht in 1620, bij de Staten klagen over de ‘stoutichheden’ van de Portugese joden. Zij eiste dat de diensten in de synagoge zouden worden stopgezet. In 1657 protesteerde de kerkenraad bij de Staten tegen de katholieke processie. Deze paapse ommegang werd gelopen op zondag. De Maarssense bevolking schijnt hier in groten getale aan deelgenomen te hebben. De kerkenraad sprak van een Bacchusfeest met drank en vechtpartijen. Zij wilde dat de Staten de ommegang zou verbieden. Drie jaar eerder was haar dat al een keer gelukt. Ook het gemengde samenwonen tussen calvinisten en papen kwam regelmatig voor. De schout van 1668 woonde samen met een katholieke vrouw die hun kind ook katholiek liet dopen. Dat was flink tegen het zere been van de kerkenraad.
Tot 1680 vonden de katholieke godsdienstoefeningen her en der plaats in particuliere huizen. Vanaf 1680 in een schuilkerk, die zich bevond in een boerenschuur/stal waar nu de ingang van Kamelenspoor is. In 1752 werd de schuilkerk verplaatst naar de Straatweg (Beresteyn). In 1828 werd bij het kerkje aldaar een (katholieke) begraafplaats gevoegd.
Thien-hoven
Op 3 juli 1593 bezocht de commissie Tienhoven. Haar bevindingen waren verre van rooskleurig. De kapel bestond nog, maar zij was bouwvallig en hoognodig aan herstel toe en dus niet geschikt voor de predikdienst. De kerkmeesters, die werden aangesteld door de buren (dat zijn de leden van de lokale kerkgemeente), legden jaarlijks in het openbaar rekening en verantwoording af in de kerk. Nog niet lang geleden had er een paap geresideerd, afkomstig van De Meern, maar deze was na enkele maanden vertrokken naar Emderland, ’doordien hem de huysluyden om sijn quaet leven beorloeft (veroordeeld) hadden, alzo hij daer door in den haet van alle menschen gecomen was’.Tot de kapel behoorde een stuk land gelegen te Breukeleveen, dat jaarlijks twintig gulden opleverde en diende tot onderhoud van de ‘paap’. De priester had tot aan zijn vertrek ook het onderricht van de jeugd op zich genomen. De pastorie, die nu verlaten was, kon zonder problemen worden ingericht tot school. Aan het slot van het rapport wordt voorgesteld een schoolmeester aan te stellen, die zich ’oefene tot het predicampt, item, de ziecken vertrooste’. Tienhoven zou zich geleidelijk aan ontwikkelen tot een echt protestant dorp.
West-brouck
Paap Hendrik Hendriksen: ’gemeyn mispaap’ en een grote dronkaard. Hij wordt beschuldigd van ’heymelijcke paepsche diensten... ende bekende zelf, dat hij eenige kinderen gedoopt hadde, sonder nochtans zout, zmout, ofte exorcisme daerin vermengd te hebben’. Wat zout op de tong bij het dopen geschiedde omdat Jezus zijn volgelingen zag als het ‘zout der aarde’. Een beetje dierlijk zalfvet (zmout of smout) werd op de dopeling gesmeerd om ziekten te weren. Een klein exorcisme-gebed had het bezweren van de boze geesten tot doel.

Eis van de Commissie
De commissie eiste op grond van deze bevindingen van de Staten van Utrecht dat er iets moest gebeuren. Er moesten betere predikanten komen. Op veel plaatsen verbleven: ’botte, ongeleerde, onvernuftige pastoors, tot veler mensen onheil en grote blaam van deze en omliggende provinciën, om wie de naam des Heren dagelijks gelasterd wordt’.
Die kwaliteitsverbetering werd een langdurige en pijnlijke kwestie. Volgens de Hollandse harde-lijn calvinisten was het Stichtse verbeterplan één gróte mislukking.

Loenen tot slot
De vreemde eend in de bijt is Loenen. Het behoort tot het Gewest Holland. Loenen zelf werd door de Commissie in 1593 niet bezocht. In 1578 was de kerk van Loenen overgegaan tot de reformatie. De kasteelheer van Kronenburg doet dat niet. Hij en zijn adellijke familie (de vrouwelijke en de mannelijke lijn) blijven standvastig katholiek. De kasteelheer, vanaf 1578 is dat Van Lynden, heeft op grond van zijn patronaatsrecht beslissingsbevoegdheden over kerkelijk roerend en onroerend goed. Hij heeft ook heerlijkheidsrechten over Loenen, Loenersloot, Ter Aa, Oukoop en Loosdrecht. Hij stelt onder andere de schout aan en deze was een katholiek. Ter Aa valt kerkelijk gezien onder 't Sticht. Met toestemming van de kasteelheer van Kronenburg wordt hier al snel een katholieke schuilkerk geopend in de boerderij 't Honderd: het Papie-Nessie. In 1648 komt er ook een schuilkerk aan de Slootdijk. De Vrouwe van Kroneneburg schenkt hiervoor de bouwgrond.
Als Joannes Kickius in 1644 predikant in Loenen wordt, gooit hij de knuppel in het hoenderhok. In april 1648 wordt de classis (dat is een regionale vergadering van een gereformeerd kerkgenootschap die voor de desbetreffende regio regels opstelt) in Amsterdam gehouden. Kickius klaagt op deze vergadering dat de ‘paep’ op 't Honderd gewoon door blijft gaan met zijn katholieke diensten. In 1649 brengt hij het gedoogbeleid ten aanzien van de katholieken opnieuw ter sprake, maar gooit er nog een schepje bovenop. Hij vertelt dat een vrouw die tot de kerk van Loenen behoort, getrouwd is met een ’quat papist’. Erger nog, zij heeft zich ‘ontijdelijk’ bij hem neergelegd en bevalt drie maanden na het huwelijk van een kind. De vader heeft het kind vervolgens bij de ‘paep’ laten dopen. Hij neemt de jonge moeder ook mee naar de ‘paepsche’ diensten. Hij vraagt de classis om advies. Het antwoord van de classis is niet mis. Als de man nog eens ’qualyck’ optreedt, bijvoorbeeld door haar te slaan, kan de schout worden opgedragen de man om te brengen. Als dat gebeurt, moet Kickius ervoor zorgen dat de jonge moeder voor de eeuwigheid behouden blijft.
Als Kickius in 1651 de schout van Loenen opnieuw aanspoort om de uitoefening van de katholieke godsdienst te verbieden, antwoordt deze gevat: ‘dat hy niet stond onder de graeffelyckheidt van Hollandt en dat hy alleen aan den Heer van Cronenburch den eed hadde afgelegd.’ In 1657 meldt de schout aan het Hof van Holland dat: ‘soodanige paepsche godsdienst aldaar niet opentleyk in den dorpe alias Cronenburgh gepleehgt wort.’ De schout speelde het tactisch: wel een onderzoek, maar met de conclusie dat er niet veel aan de hand is.

De Staten van Holland waren in de eerste helft van de zeventiende eeuw noodzakelijkerwijs ook verdraagzamer geworden ten aanzien van de katholieken, de lutheranen, de joden en andere godsdiensten. Ze moesten wel. De regenten, kooplieden, handelsreizigers, kleine zelfstandigen en de vele immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden waren niet allemaal calvinistisch. Door het calvinisme de status te geven van een formele staatsgodsdienst zouden dezen uit het gewest vertrekken of het gewest Holland mijden. Daarnaast was er de sterk groeiende internationale handel. Niet alleen met de lutherse en katholieke landen, maar ook met de ‘nieuwe’ landen aan de andere kant van de wereld en deze landen hadden weer hun eigen (ware) godsdiensten.
Geld, kennis en talentvolle mensen stroomden rijkelijk de gewesten binnen. De Staten van Holland volgden in toenemende mate een strategie van praktische verdraagzaamheid en knepen een oogje toe. Veelvormigheid was geen vloek. Er bestond tenslotte het recht op de ‘vrijheid van geest’.

Geraadpleegd
P.H.A.M. Abels, J. Briels, J.J. Dodt van Flensburg, M. de Graaf, A.A. Manten, H. Noordzij, L.J. Rogier en G. v.d. Zee.
J. Gerobulus, Visitatie der kerken ten platten lande in het sticht Utrecht ten jare 1593.
Periodiek HKM: 1975.4, 1978.4, 1983.4, 1985.3 en 1986.4. TVE: 2004 1 en 2. 2008.4. Vechtkroniek HKL: 1994.2, 1996.2, 2001.1.