400
700
900
Hans van Bemmel, de mensen-mens
Franse, Rob

Hans van Bemmel, de mensen-mens

47e jaargang (bladzijde 14) nr.1 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Personen

Plot

Hans van Bemmel, de mensen-mens

Rob Franse

Met het grijze hoofd licht gebogen, zoals je dat wel vaker ziet bij lange mannen, luistert en praat hij zeker twee uur lang weloverwogen én met enthousiasme. Een evenwichtig man met echte levenservaring die deelt door te luisteren, te wegen, te glimlachen en te praten waarbij zijn mimiek en lichaamshouding de woorden als vanzelf ondersteunen. Heel gewoon Hans van Bemmel.
In 1951 kocht hij bij Boekhandel Van Kralingen in Breukelen het boek De buitenplaatsen aan de Vecht van R. van Luttervelt. Dat was niet vanzelfsprekend. Een 10-jarig, dyslectisch jongetje uit een arbeidersmilieu werd in die tijd stomweg voor dom versleten en zeker niet geprikkeld om zo’n boek te kopen. De motivatie daarvoor moet bij nader inzien waarschijnlijk gezocht worden in een intrinsieke nieuwsgierigheid naar de Vecht waar hij dagelijks langs kwam op weg naar school. Eerst lopend, daarna steppend en uiteindelijk op een fiets met blokken op de pedalen. Ergens in die periode moet het zaadje van nieuwsgierigheid naar de Vecht en haar historie ontkiemd zijn. Een ontkieming die gevolgd zou worden door toevalligheden die als voeding zouden dienen voor het tot volle wasdom komen van een niet aflatende interesse die onderzocht en gedeeld móest worden.

Water
Hans werd in 1941 geboren en groeide op aan het Zandpad vlakbij Cromwijck met uitzicht op de oude steenfabriek aan de overkant. Hij had een vier jaar oudere zus en was het lievelingetje van zijn moeder. Zijn vader voer de beurtdienst Breukelen-Utrecht en zijn grootvader was tot zijn 80e houtvester op Gunterstein. Vader was eigenlijk altijd aan het werk, ook al omdat ze een grote tuin hadden waarin onder andere varkens en kippen rondscharrelden. Het gezin Van Bemmel is dus al generaties verbonden aan de Vecht, aan Breukelen en aan Maarssen. De weg naar school was best lang. Hij ging acht jaar lang naar een lagere school in Breukelen. Dyslexie werd toen nog niet onderkend. ’Je was gewoon stom’. Daarna ging hij naar de ambachtsschool, waar hij direct de beste van de klas was en opgeleid werd tot timmerman.
Op z’n 18e moest hij in dienst. Omdat hij zelf een klein bootje had, gaf hij zich op voor de marine. Hij werd goedgekeurd voor de mariniersopleiding en dat was wel even schrikken. Uiteindelijk werd hij ‘gewoon’ matroos met het vooruitzicht om een wereldreis te maken met het vliegdekschip Hr.Ms. Karel Doorman. Die wereldreis werd uiteindelijk afgeblazen en zo kwam hij terecht op de Hr.Ms. De Ruyter en op de Hr.Ms. De Zeven Provinciën als peiler en plotter (dat is degene die onder andere de radar afleest). Dat betekende op de brug staan tussen hoge officieren met veel goud en dat was best indrukwekkend voor een jonge timmerman. Het was viceadmiraal Modderman die Hans op een zeker moment bij de arm pakte en zei: ‘Matroos, doe maar rustig aan. We zijn allemaal mensen’. Weer wat geleerd. De laatste drie maanden van zijn diensttijd heeft hij op Kattenburg doorgebracht. Een gouden tijd volgens Hans.
Weer burger ging Hans terug naar aannemersbedrijf Wiegeraad. In de jaren ’60 was timmerman nog een echt ambacht. Je had je eigen gereedschapskist en was druk met alles op bestelling en op maat te maken. Prefab bestond toen nog nauwelijks. Inmeten en alles met de hand fabriceren met je eigen gereedschap dat je zelf moest onderhouden. In die tijd leerde Hans ook om met andere ogen te kijken, met dank aan een architect op het werk, die hem leerde om het werk van Van Gogh écht te bekijken.

Brandweer
Een bezig mens als Hans beperkt zich niet tot timmeren. Zo is hij maar liefst 37 jaar vrijwillige brandweerman geweest. Hij was de eerste man van het korps (maar niet de beste zoals hij zelf zegt) die duiker werd; dat heeft hij maar liefst twintig jaar gedaan. Iedere drie weken werd er geoefend onder leiding van Gerrit van Ede (de eerste vrijwillige brandweerman die tevens duikinstructeur was). Helaas werd je als duiker natuurlijk ook met veel ellende geconfronteerd. De vrijwillige brandweer was gelukkig een echt team met een grote saamhorigheid. Je leerde niet alleen veel via cursussen, maar ook en vooral veel van en met elkaar op het gebied van medemenselijkheid. Tot op de dag van vandaag is er nog altijd een goed contact tussen de brandweermannen van weleer.
Op z’n 33e werd Hans door directeur Ouwerkerk van woningbouwcorporatie Goed Wonen gepolst om voor hen te komen werken. Men had een probleem met het toezicht. Hans werd deel van het ‘lager toezichthoudend personeel’. Dat betekende dat hij zich bezig ging houden met technische zaken bij klanten van Goed Wonen, huurders dus. Hier kon hij zich als mensen-mens mooi verder ontwikkelen. Hij handelde zaken niet schriftelijk af, maar ging naar de mensen toe. En dat hielp echt. Na precies 25 jaar, hij was inmiddels hoofdopzichter, kreeg hij de mogelijkheid om op 57,5-jarige leeftijd met de VUT te gaan. Een prachtige kans voor iemand met zoveel interesses en energie.

Geschiedenis en kunst
Daar begint ook zijn nieuwe carrière, die misschien het best te omschrijven is als ‘kenner en verteller van Maarssen en omgeving op het gebied van historie en kunst’. Daardoor kreeg Hans zijn bekendheid. Hij heeft zich vastgebeten in de historie en is niet van plan los te laten. De Historische Kring Maarssen is zijn onderkomen en het Vechtstreekmuseum zijn tweede huis. Veldwerk wordt niet geschuwd, net als het speuren in vele oude geschriften en documenten. Dit onderzoeken en het nauwkeurig aantekeningen maken leiden vervolgens niet zozeer tot geschreven verhalen (ofschoon er wel gepubliceerd werd en wordt), maar vooral tot presentaties en tentoonstellingen.
Presenteren had Hans ook al gedaan bij de brandweer, maar na het voorstel van Hans Ringeling om een verhaal te maken, een tentoonstelling in te richten en een lezing te geven over ‘het kanaal’ is Hans echt losgegaan. Inmiddels heeft hij zo’n vijftien verschillende presentaties en lezingen gegeven (waarvan vele meerdere keren) en een flink aantal tentoonstellingen ingericht of helpen inrichten. Bij die lezingen wordt hij steevast ondersteund door Bert de Ruiter, die de PowerPoint en de techniek voor zijn rekening neemt. De lezingen kenmerken zich niet alleen door een deskundig verhaal met vele interessante weetjes, maar geven ook een soort huiskamergevoel, doordat het publiek er op heel natuurlijke wijze bij betrokken wordt. Hans geeft die lezingen met een zichtbaar genoegen. Als hij eenmaal begonnen is, voelt hij zich compleet op z’n gemak, wat zich toont doordat het publiek en hijzelf alles echt beleven. Hij haalt veel voldoening uit zo’n bijeenkomst. Toch kon hij zich in het verleden zo druk maken over een presentatie, dat hij er niet van kon eten. Het verraadt de grote betrokkenheid en het niet willen teleurstellen van de toehoorders die hij er zo graag bij betrekt.
Zoals bij zoveel succesvolle mensen werd Hans gedragen door een stabiel gezin, volgens Hans maakt dát alles mogelijk. Zijn vrouw Janny heeft als echte kunstliefhebber hem ook beter en anders léren kijken. Janny is ruim een jaar geleden helaas overleden. Dat kijken en zien is van blijvende waarde. Dat hebben Hans en Janny middels vele museumbezoeken ook willen overdragen aan hun drie dochters, wat hen zeker in de tienerjaren van de meiden niet altijd in dank werd afgenomen. De kleinkinderen hadden meer interesse om te kijken en te luisteren, maar toen vertelde opa Hans ook vooral over zijn brandweeravonturen. Hoe je het ook wendt of keert, ‘het zien’ zit erin of het zit er niet in. Net als nieuwsgierigheid.
Toekomst
Tegen het eind van het gesprek stel ik voor om nu niet verder in te gaan op activiteiten uit het (recente) verleden en de diverse eerbetonen. Ik wil zo graag weten wat de komende jaren gaan brengen. Dat voorstel is niet aan dovemansoren gericht. Bovendien vertrouwt hij me toe, dat hij van plan is om 98 jaar oud te worden. Allereerst wil hij zich nogmaals verdiepen in Willem van Leusden en zijn werk om daarover een mooie lezing te houden. Daarnaast zit er nog het een en ander in z’n achterhoofd. Zorgen maakt hij zich over het bouwen op historische plaatsen en ‘handhaving’ door de gemeente van historische panden en hun omgeving. Ook de alsmaar toenemende verkeersdrukte baart hem zorgen, naast vandalisme en natuurlijk het milieu. Goede raad is vaak duur, maar we moeten ervoor zorgen dat we wat mooi is ook mooi houden, zodat ook onze kinderen en kleinkinderen kunnen blijven genieten van onze prachtige en historische omgeving. In dat kader zou je kunnen overwegen om bijvoorbeeld het brugwachtershuisje een VVV-functie te geven en de Kaatsbaan meer een woonfunctie, zeker wanneer winkeliers onvoldoende interesse hebben. Misschien wel bewoning met bescheiden geveltuintjes. De Heilig Hartkerk moet sowieso blijven bestaan.
Hans zit er nog even enthousiast bij als aan het begin van ons gesprek. Hij weet, mocht hij zich al zorgen maken of somberen, de weg te bewandelen van verwondering en verdieping zonder al te hoge verwachtingen. ‘Gewoon doen als een gewone jongen’, zegt Hans. Oh ja, volgende week moeten we even verder praten over het artikel Transport in de Vechtstreek. Dat is Hans ten voeten uit. Op naar het volgende!
Maar nu eerst verder lezen in het nieuwe boek van Geert Mak.
Dank je wel Hans. Graag tot een volgende keer!