400
700
900
De bijzondere geschiedenis van een baanwachtershuisje en zijn eerste bewoners. Het baanwachtershuisje in de Bethunepolder.
Visser 't Hooft, Clan

De bijzondere geschiedenis van een baanwachtershuisje en zijn eerste bewoners. Het baanwachtershuisje in de Bethunepolder.

47e jaargang (bladzijde 17) nr.1 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Geschiedenis, Algemeen

Plot

Het baanwachtershuisje in de Bethunepolder
De bijzondere geschiedenis van een baanwachtershuisje en zijn eerste bewoners

Clan Visser ’t Hooft

Afbraak en opbouw van het huisje
In de Periodieken 2017 nr. 4 en 2018 nr. 1 en 2 is de Bethunepolder uitvoerig beschreven. De polder is met veel moeite aan het einde van de negentiende eeuw uiteindelijk drooggemalen ten behoeve van agrarisch gebruik. Het gedeelte grenzend aan het dorp Tienhoven lag 2,50 meter onder ANP en werd gebruikt voor een melkfabriek, een tuinderij en weidegrond voor boerenbedrijven. Het gras was er van redelijke kwaliteit en van de (melk)opbrengst konden de boeren een sober bestaan leiden. Heel anders was dat voor de Veenderij, het laagste deel van de polder, 4 meter onder NAP! Het gras op het laagveen zorgde ervoor dat de melk van de koeien die daarop graasden wat betreft hoeveelheid en kwaliteit minder opbracht, dus met lage inkomsten als gevolg. De boeren die daar hun toevlucht zochten waren dus arm.
Zo kwam het dat één van hen, de oude boer Hogenhout, gebruik maakte van het aanbod van de Nederlandse Spoorwegen om voor een prikje een baanwachtershuisje af te breken dat langs de spoorlijn van Utrecht naar Rotterdam stond. Het spoor moest namelijk worden verbreed en het huisje in Hekendorp stond daarbij in de weg. Hogenhout, die met zijn gezin in Breukeleveen woonde en geen geld had om een huis te kopen, nam het aanbod met beide handen aan. Hij had namelijk een lap grond op de kop weten te tikken, ongeveer 6 hectare groot, langs de Nieuweweg voor f 3000,-, maar er was geen woning bij…
‘s Avonds na het werk ging hij op pad met zijn oudste zoon Arie en met ‘Snakie’ de Graaf die in Tienhoven zijn bijnaam verworven had door allerhande werkzaamheden aan te pakken. Dat kwam nu goed van pas! Hij was in het rijke bezit van een boot met een motor. Met z’n drieën braken ze het huis steen voor steen af om het later in de polder weer op te kunnen bouwen. Dat was geen eenvoudige klus, want overdag kon er wel aan de afbraak gewerkt worden, maar het vervoer van de stenen, de balken en de dakpannen over water moest vooral ’s nachts gebeuren, want ’s nachts reden er toentertijd geen treinen. Alle materialen moesten namelijk over de rails heen naar de boot gedragen worden aan de overkant van het spoor. Daarna volgde de reis over water naar Tienhoven, naar de Nieuweweg. Zo ging dat drie weken lang…
Eenmaal daar aangeland, moest alles overgeladen in een kruiwagen en de dijk afgereden worden. Het opbouwen liet nog even op zich wachten, want eerst moesten de stenen stuk voor stuk worden afgebikt en van cementresten ontdaan. Dat was de taak van de jongste zoon van het gezin, Huib. Vader Hogenhout en Arie controleerden en sorteerden de stenen voordat ze voor de bouw geschikt werden bevonden. Was dat misschien de reden dat het huis uiteindelijk maar twee derde van de omvang kreeg van het oorspronkelijke baanwachtershuis? In ieder geval werd het huis dat er nu nog staat stevig gebouwd met draagbalken om de 50 cm; er was immers wel hout genoeg. Het heeft er zeker toe bij gedragen dat het huis het heeft overleefd, toen de polder in de oorlog door de Duitse bezetter onder water werd gezet om de onderduikers uit de Veenderij te verdrijven!
Alles wat niet bruikbaar was voor de bouw werd in de grond gestopt om het terrein om het huis heen te verharden. Voor latere bewoners was het een behoorlijk karwei om er een tuin aan te leggen, want overal bleken stenen een allerhande ondefinieerbare voorwerpen in de grond verstopt te zitten!

Uit Kockengen wist Hogenhout een timmerman en een metselaar te ronselen, nadat er eerst palen in de grond waren geheid, zodat het huis stevig in de veengrond verankerd zou staan op de zandlaag die twee meter diep zat. Eindelijk was het dan zover en kon het gezin Hogenhout met zes kinderen, vijf zonen en een dochter, er hun intrek nemen. Beneden werd geleefd; er was een bedstee voor het echtpaar, plus achter een gordijn een slaapplek voor hun dochter. De vijf jongens sliepen op zolder. Overigens is die zolder maar 110 cm hoog aan de zijkanten en alleen in het midden kan je er rechtop lopen, als je tenminste niet al te groot bent…

Oorlogsherinneringen
Vader Hogenhout had zes koeien en van de opbrengst moest het gezin rondkomen. Géén vetpot dus, in tegendeel! Huib vertelt dat hij bijverdiende door ’s zomers bij de jachthaven van de oude Peter Manten met een roeibootje mensen naar de overkant te zetten voor twee cent. Als hij geluk had kreeg hij af en toe wel eens een dubbeltje toegeschoven. Dat ging direct in de huishoudpot. Een hele zomermaand overzetten leverde soms wel eens zestien gulden op. Elke bijdrage aan het huishouden was welkom en ook hoognodig.
In het begin van de oorlog had Hogenhout onderdak voor zijn koeien nodig. Aan het bestaande huis werd een achterhuis gebouwd dat ruimte moest bieden aan een simpele keuken en verder dienst moest doen als koeienstal. Voor de bouw van de deel was opnieuw materiaal nodig, met name hout dat in de oorlogsjaren schaars was en waarvoor je een vergunning moest hebben om het te mogen kopen. Hogenhout stapte op de burgemeester van Tienhoven af, Van der Hoorn, en kreeg in ruil voor wat boter van zijn eigen koeien toestemming om hout aan te schaffen. Voor wat hoort wat! De bedstee werd afgebroken zodat er een doorgang ontstond van het voor- naar het achterhuis.
Nog geen jaar later, begin 1945, werd door de Duitsers de dijk doorgestoken, zodat de polder onder water kwam te staan. Er zat in de bosjes een aantal onderduikers verscholen in een geïmproviseerde hut. Op oudejaarsdag tijdens de kerkdienst kwam een inwoner van de polder de kerk binnen gehold om te vertellen dat de Moffen een razzia hielden en het dorp aan beide kanten was afgesloten. De dominee stuurde onmiddellijk iedereen naar huis en de onderduikers werden direct gewaarschuwd. Gelukkig durfden de Duitsers de Veenderij niet in, want ze waren zich bewust van de gevaren! Ze vuurden schoten af in de richting van de bosjes, maar niemand raakte gewond en de razzia leverde niets op.
Het baanwachtershuis van de familie Hogenhout werd danig op de proef gesteld. Het water stond tot anderhalve meter onder de zolderverdieping. Het gezin had geen keus en moest zich met z’n allen terugtrekken op de zolder van 36 vierkante meter, waar je ook nog alleen in het midden rechtop kon lopen. Dat werd dus inschikken en de moed erin zien te houden. Uit die tijd is er nog een foto van de boerderij die laat zien hoe alleen de zolder van het voorhuis, het dak van het achterhuis en de boomtoppen van de omringende wilgen boven het water uitsteken. Huib weet zich nog te herinneren hoe bij fikse wind het huis letterlijk op z’n grondvesten stond te schudden. Ook vertelt hij hoe hij ‘s nachts lag te luisteren naar het geluid van de golven die tegen de muren klotsten, alsof je op zee was. Op een andere foto zit Huib met zijn broer Manus te vissen uit het bovenraam van het voorhuis, waar een roeibootje aan de vensterbank gemeerd ligt om het huis te kunnen verlaten. Helaas is die foto niet meer terug te vinden.
Drie maanden stond het huis onder water en toen de dijk hersteld was en het water langzaam maar zeker begon te zakken, duurde het nog maanden voordat het huis schoon geschrobd kon worden. De groene aanslag van de alg was tot in alle hoeken en gaten van het huis doorgedrongen. Pas een jaar later was het huis weer helemaal droog en bewoonbaar.
Die oorlogsjaren lieten ook anderszins het gezin Hogenhout niet onberoerd. Voor broer Gerrit werd onder de voorraadkast in de hoek van het huis onder de vloer een vluchthok getimmerd, waarin hij zich regelmatig schuil moest houden voor de razzia’s en toch werd hij gepakt! Er moest per slot toch ook gegeten worden, dus ging hij op een nacht met Arie pieren steken op de Gansenhoef voor de palingvangst. Met een kleine zaklantaarn gingen ze aan het werk, maar ze werden betrapt en meegenomen. Op de een of andere manier wist Arie de dans te ontspringen, maar Gerrit werd in Duitsland te werk gesteld. Na afloop van de oorlog kwam hij net op tijd thuis om mee te werken aan het schoon en droog maken van het huis.
Zoals bekend was er in die jaren gebrek aan voedsel, waardoor Huib er af en toe op de fiets op uit werd gestuurd om kaas te zien te bemachtigen in Portengen. Gelukkig deed in de omgeving van Tienhoven een commies de ronde die zelf ook wel eens een kaas achterop z’n fiets verborgen had en een oogje dichtkneep bij anderen als het erop aan kwam.
Op een gegeven dag miste Hogenhout één van zijn koeien. Ergens in de wei vond hij de pink, doodgeschoten door de Duitsers. De veearts gaf hem een goede raad: ‘Hak snel z’n kop eraf en sleep hem naar huis. Dat beest mankeert niks en dan hebben jullie tenminste weer wat te eten’. Natuurlijk kreeg de veearts voor zijn advies ook een paar mooie riblappen mee naar huis!

Van boerderij tot twee onder één kap
Toen vader Hogenhout overleed en uiteindelijk het boerenbedrijf werd opgedoekt, gingen moeder Hogenhout en Gerrit in het baanwachtershuis wonen. Huib en zijn vrouw verbouwden een deel van het achterhuis tot woonhuis voor zijn gezin met drie dochters. Waar eens de koeien stonden, stond nu zijn auto en een enorme werkbank voor zijn vele hobby’s. Huib kon stoelenmatten en tijdschriften inbinden in papier dat hijzelf gemarmerd had, honing slingeren van zijn eigen bijen en niet te vergeten zorgen voor zijn schitterende tuin en plantenkas die door familie, vrienden en kennissen bewonderd werd. Voor de zomerhuizen in de Kievitsbuurt was hij de winterwacht en repareerde hij de beschoeiingen. Kortom, Huib was een duizendpoot met gouden handen!
Nadat eerst moeder Hogenhout en jaren later Gerrit overleed, werd het baanwachtershuis definitief in tweeën gesplitst en aan derden verkocht. Aannemer Geel uit Breukeleveen verbouwde het in 1977 tot een kleine, maar prima bewoonbare woning met onder andere een dakkapel op de zolderverdieping. In 1982 ging het over in handen van de huidige bewoner en verscheen in 1989 haaks op het huis een aanbouw in dezelfde stijl, zodat op dit moment de oorspronkelijke functie van het huis als baanwachtershuis nauwelijks meer te herkennen valt. Alleen een geoefend oog ziet aan de hoogte van de muurankers dat er iets ongewoons aan de hand is. Dit is des te meer reden de geschiedenis ervan vast te leggen! Ook het achterhuis onderging na het overlijden van Huib en zijn vrouw een grondige metamorfose en het is nu een modern en gerieflijk woonhuis geworden. Van de oude boerderij is nu geen spoor meer te bekennen…
Het gietijzeren hek op de brug met de Franse lelies als pijlpunten en twee vergulde pijnappels op de stijlen, is een oude bekende uit het dorp Tienhoven. Ooit deed het dienst op de brug naar de hervormde kerk, maar het aantal auto’s nam niet alleen in hoeveelheid, maar ook in grootte toe, zodat het hek in de weg bleek te staan. Via het notarishuis op de Veenkade is het uiteindelijk hier onderaan de dijk beland.

Tot slot nog een bijzondere bijkomstigheid: in de voortuin van het baanwachtershuis staat een gaslantaarnpaal uit 1899 afkomstig van het Rapenburg in Leiden, nu natuurlijk voorzien van elektrisch licht. Toen in de vijftiger jaren de gaslantaarns van het Rapenburg werden vervangen door moderne verlichting, kwamen de oude lantaarns op de schroothoop terecht en werden verkocht voor vijftig gulden per stuk! Een koopje, en zo kwam de lantaarnpaal in Tienhoven terecht om bij nacht het oude, verbouwde baanwachtershuis te verlichten.

Bronnen
Interview met Huib Hogenhout (1921–2003) in 2000.
Internet: Spoorlijn Utrecht – Rotterdam. Geschiedenis, versterking baanvak Rotterdam–Gouda in 1930.