47e jaargang (bladzijde 85) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Meer over muurtooi
Het behangselschilderij ‘Elsenburg’ in Maarssen
Reinildis van Ditzhuyzen
Inleiding
Onlangs verscheen een prachtboek over de verdwenen buitenplaats Elsenburg. 1) Op de omslag hiervan is een door Daniël Stoopendaal in 1719 vervaardigde prent van dit huis afgebeeld. Nu hangt sinds september 1997 in het Vechtstreek Museum in Maarssen een groot achttiende-eeuws behangselschilderij uit mijn bezit dat op deze prent is gebaseerd. Jaren geleden heb ik uitgebreid historisch onderzoek gedaan naar de behangselkunst in het algemeen en de bouw en bewoners van Elsenburg, en hierover gepubliceerd. Sindsdien zijn er nieuwe feiten opgedoken, die ik keurig in mijn ‘Elsenburg-archiefje’ heb bewaard.
Toevallig wees iemand mij op bovengenoemd boek. Ik was natuurlijk erg nieuwsgierig en kocht het terstond, ervan uitgaande dat het behangsel zou zijn afgedrukt en waarschijnlijk besproken. Helaas was dit niet zo. Op verzoek van de voorzitter van de redactie van dit tijdschrift heb ik nu een ‘aanvulling’ op mijn vorige Elsenburg-artikel geschreven. Ik behandel hierin eerst het fenomeen muurtooi - in het bijzonder behangselschilderijen - en vervolgens zowel de inmiddels ontdekte opdrachtgever als de kunstenaar van het behangsel Elsenburg.
Achtergrond
In de nazomer van 1983 bladerde ik door een catalogus van veilinghuis Christie´s in Amsterdam. Deze was gewijd aan 96 ‘fine pictures’ van de zestiende tot de achttiende eeuw, die op 8 december van dat jaar geveild zouden worden. Mijn oog viel op nummer 6 van de aangeboden kavels: een reusachtig achttiende-eeuws behangselschilderij (afmetingen 270 x 217 cm.), waarop, aldus Christie´s, het landhuis Elsenburg in Maarssen, in 1637 gebouwd door de bekende Amsterdamse architect Philip Vingboons, was afgebeeld (wat niet juist was). Het doek was ongesigneerd en daarom was het veilinghuis vaag over de kunstenaar: hij zou afkomstig zijn uit de ‘Kring rond Jurriaan Andriessen’. Op de bijbehorende foto was het doek afgebeeld. Ik zag een elegant landhuis aan de Vecht, enkele spelende kinderen voor het monumentale toegangshek hiervan, een pijprokende man die vanaf een muurtje toekeek, een hond, twee mannen te paard langs de rivier en wat loslopende schapen.
Een goede vriend - kunsthistoricus van beroep - had het ook gezien en hij zei: ‘Dat is een buitenkans. Echt iets voor jullie nieuwe huis!’ We zouden namelijk in een groot negentiende-eeuws huis met hoge en brede muren gaan wonen, en zo´n groot behangsel zou daar natuurlijk prachtig staan. Kort en goed, ik ging naar de veiling en kocht het doek, voor het zelfgespaarde bedrag van vierduizend gulden plus 18% opgeld = f 4.640,00. Ik heb er geen seconde spijt van gehad.
Het enorme schilderij kwam in de eetkamer te hangen en werd tijdens etentjes een geliefd onderwerp van gesprek. Wie woonde er? Wie schilderde het? Bestaat dit landhuis nog? Waar ligt het eigenlijk? Waarom was dit schilderij zo groot? Mede door deze gesprekken raakte ik steeds nieuwsgieriger. Omdat ik historica ben – géén kunsthistorica dus, ofschoon ik daar telkens voor word aangezien –, had ik meteen allerlei historische vragen: Wie liet Elsenburg bouwen? Wanneer? Wie hebben er gewoond? Wat is een behangselschilderij eigenlijk? Uiteindelijk ging ik aan de slag en schreef een uitgebreid geïllustreerd artikel over het huis Elsenburg en zijn eigenaren dat in 1984 in het Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag werd geplaatst. 2) Enige jaren later vroeg de Historische Kring Maarssen of de tekst van dit artikel in het tijdschrift van de Historische Kring mocht worden afgedrukt én of ik op basis ervan een lezing wilde geven in het Museum van Maarssen. Aldus geschiedde. Ik hield een voordracht voor een zeer belangstellend en betrokken gehoor. Bovendien had ik inmiddels nog wat onderzoek verricht en zo kon mijn artikel enigszins aangepast en aangevuld met nieuwe ontdekkingen in het tijdschrift van de Historische Kring verschijnen. 3)
Inmiddels vroegen ook andere verenigingen en instellingen mij over dit onderwerp een voordracht te geven. Aanvankelijk had ik, omdat het Bureau voor Genealogie vooral in de bewoners en hun families was geïnteresseerd, mijn onderzoek daartoe beperkt. Door deze onverwachte belangstelling kwamen andere vragen bij mij op zoals: wie is de schilder van het doek? ‘Kring rond Jurriaan Andriessen’ is immers wel erg vaag. Wie is de opdrachtgever? En inderdaad: wat is een behangselschilderij eigenlijk? Inmiddels zijn de eerste twee vragen beantwoord. Er is enkele jaren geleden namelijk door een expert uitputtend onderzoek naar gedaan. Het resultaat zal ik verderop in dit artikel verklappen.
Vormen van muurtooi
Eerst zal ik de derde vraag beantwoorden: wat is een behangselschilderij? Kort gezegd is het een vorm van muurtooi. Dit mooie woord is mij met de paplepel ingegoten, want zo heette een winkel in Arnhem waar ik als kind elke dag op weg naar school langsfietste: ‘Kunsthandel Muurtooi’. Traditioneel tooien wij met graagte onze muren: met behang, met verf in al dan niet opvallende kleuren. En dan hangen we er ook nog schilderijen, posters, ingelijste foto´s en nog veel meer op. Heel vroeger was dit niet zo. Onze muren werden in de loop der eeuwen wel opgesmukt – en dan met name door adel en vorsten want die hadden het geld daarvoor – maar op andere manieren. Laten we beginnen met de tapisserie, ook wandtapijt genoemd.
1. Tapisserie
In de middeleeuwen waren vorsten niet honkvast: zij trokken rond in de gewesten waarover zij heersten. Steeds namen zij reusachtige muurkleden mee die in de hoge, grote zalen van hun burchten en kastelen werden opgehangen. Want het was daar koud, bitterkoud. En vochtig. Daarom namen die vorsten telkens ter isolatie zulke kleden, doorgaans van wol en zijde, mee. Ook tijdens krijgstochten gebeurde dat: de eigen vertrouwde wandkleden van de vorsten hingen dan in de grote tenten waarin zij in oorlogstijd verbleven. Voor het meesjouwen, ophangen en bij vertrek weer oprollen van al die muurtooi zorgden speciaal aangestelde dienaars. In Italië was het minder koud en daarom versierde men de muren van de palazzi (privé-paleizen) daar ook graag met fresco´s. In de wandkleden waren figuren of voorstellingen ingeweven. De techniek werd legwerk of tapisserie genoemd. Zo werden de vorstelijke verblijfplaatsen niet alleen warm gehouden, maar ook versierd.
Statussymbolen
Maar de kleden hadden nóg een functie. Ze waren niet alleen handig en nuttig, ze straalden ook de rijkdom en de macht uit van hun bezitters, wereldlijke en kerkelijke vorsten, en waren daarmee belangrijke statussymbolen. Wandkleden waren immers ontzaglijk kostbaar, zowel door de gebruikte materialen als door de lange tijd dat het weven ervan duurde. Ook moest je ´kartons´ hebben, oftewel een patroon. En die had je natuurlijk het liefst van een bekende en vaardige schilder, die naar wens van de opdrachtgever de voorstellingen – doorgaans belerend of godsdienstig – tekende. Daar kwam bij dat je steevast een hele serie moest kopen, als je alle muren van de belangrijkste vertrekken wilde vullen. Series van tien of vijftien wandkleden waren daarom geen zeldzaamheid. Zo bestelde Paus Leo X in 1515 een reeks van tien tapisserieën over de Handelingen der apostelen naar kartons in renaissancestijl van de befaamde schilder Rafaël van Urbino (l483-1520). Ze waren bestemd voor de Sixtijnse kapel en zijn er nog steeds te zien. Vijf jaar later, in 1520, liet keizer Karel V in Brussel een – zeer beroemd geworden – serie van negen kleden maken naar het Rad van Fortuin met afbeeldingen van deugden als wijsheid, matigheid, sterkte en standvastigheid.
Zo bestond vanaf de elfde eeuw een bloeiende muurkleed-industrie, vooral in de Zuidelijke Nederlanden. Beroemde kunstenaars, zoals later Pieter Paul Rubens (1577-1640), ontwierpen de voorstellingen. Maar nog tijdens zijn leven ging deze kunstnijverheid achteruit. Het was dan ook wel erg duur.
Rijke burgers in ons land kozen inmiddels een andere vorm van muurtooi. Hun statige huizen hadden doorgaans hoge betimmeringen (driekwart van de kamerhoogte) met daarboven een witte pleisterlaag. Zulke kale muren liet men vaak met floers (velours, fluweel) of trijp bespannen. In ons land zijn diverse musea, voorname landhuizen en kastelen fraaie voorbeelden hiervan te zien. Maar toen kwam een andere vorm van muurbespanning in de mode: goudleer.
2. Goudleer
Goudleer werd een gewilde manier van muurtooi, maar was alleen weggelegd voor de zeer welgestelden. Het maken van goudleer was een oude ambachtelijke kunst. Het bestond uit aan elkaar genaaide, rechthoekige leervellen van circa 75 x 65 centimeter, bedekt met zilverfolie. Hierover kwam een vernis die voor een goudachtige oppervlaktekleur zorgde. Het patroon werd er aanvankelijk in geperst, later erop geschilderd. Het gebruikte leer kwam van kalfs-, schapen- en geitenhuiden. Dit bewerken van leer tot muurtooi begon in Libië en werd vervolgens via de Moren naar Spanje (Cordoba, Andalusië) gebracht. Kooplui uit de Nederlanden - altijd te porren voor nieuwe handelswaar - zagen hier wel brood in. Aanvankelijk bestelden zij goudleer in Spanje en verkochten het in binnen- en buitenland. In de zeventiende eeuw begonnen zij in eigen land ook goudleer te maken. Weldra liepen de zaken zo goed, dat ze over de hele wereld verkochten. In de zestiende eeuw hadden ze vooral in Mechelen gewerkt, maar vanaf 1612 gebeurde dit ook in Amsterdam. In die tijd waren hier veel leerlooierijen, gesitueerd – zoals de namen ook zeggen – in de Huidenstraat, Runstraat, Looierstraat en Looiersgracht. Looi is fijngemalen eikenschors of run waarmee men leer bewerkt. Deze looierijen leverden de vellen (vooral van het kalf), die met speciale stoffen gelooid waren: een jaar of langer hadden ze in kuipen met de looistof gelegen, zodat het leer eeuwenlang in goede staat bleef.
Ons goudleer werd wereldberoemd: het werd geleverd aan de Tsaar van (toen) Moscovië, de keizers te Praag en Wenen, de koningen van Denemarken en Zweden, en ook aan onze eigen prins Frederik Hendrik van Oranje. In de tweede helft van de zeventiende eeuw begon ook de haute volée oftewel de rijke elite haar stads- en buitenhuizen op te smukken met goudleerbehang. Er was echter erg veel concurrentie tussen de goudleerproducenten. Daar kwam nog iets bij: er was inmiddels weer een nieuwe vorm van muurtooi ontstaan: het kamerbehangsel of behangselschilderij.
3. Behangselschilderij
Als goedkope imitatie van wandkleden begon men namelijk aan het einde van de zeventiende eeuw neteldoek of dichtgeweven linnen te beschilderen met fraaie decoraties. Deze doeken hadden dezelfde afmetingen als de muurkleden en werden daarom doorgaans als vast onderdeel van een kamerdecoratie in een lijst in de betimmering vastgezet.
Er waren drie categorieën:
- idyllische landschappen en geromantiseerde taferelen uit het buitenleven;
- ornamenten (bloemslingers, linten, grauwschilderingen zonder natuurlijke kleuren (grisailles), ook grauwtjes of witjes genoemd);
- Bijbelse of allegorische voorstellingen.
Het zogenaamde behangselschilderij werd in korte tijd razend populair. Zozeer dat het in de achttiende eeuw een massa-artikel was geworden. Er ontstonden speciale behangselfabrieken in Amsterdam, Leiden, Leeuwarden (1734-1778) en een heel beroemde in Hoorn (1777-1826), die verschillende schilders in dienst hadden. In deze ateliers werden behangsels in serie vervaardigd, overigens meestal ongesigneerd.
En zo stopte uiteindelijk de goudleermode. In tal van stads- en landhuizen werd goudleer verwijderd, vaak om te worden vervangen door de nieuwe rage: het behangselschilderij. De klanten konden zelf de gewenste voorstelling kiezen aan de hand van ontwerpen. Voor een complete ‘kamer in het rond’, doorgaans met zo´n vier grote doeken, betaalde men voor fabrieksexemplaren tussen de f 300,00 en f 400,00. Ter vergelijking: de schilder zelf verdiende per week ongeveer drie gulden. Men kon ook op bestelling behangsels naar wens laten maken, maar dan was je wel beduidend meer geld kwijt: tussen de f 1.000,00 en f 1.500,00.
De behangselproductie werd dus bijzonder populair. Vooral bewoners van Amsterdamse grachtenhuizen bestelden graag een serie voor de ‘pronkkamer’. En als ze dan zoals velen hunner een eigen buitenplaats hadden, dan lieten zij dit huis soms in de serie afbeelden. Deed Jan de Witt, de man die Elsenburg erfde van zijn puissant rijke vader, dat ook? Hij trouwde in 1779 en ging wonen op de Amsterdamse Herengracht 524. Geld had hij genoeg: in 1780 kocht hij het huis Somerbergen naast Elsenburg en in 1784 ook nog het huis Diependaal achter Elsenburg. Maakte het Elsenburgpaneel deel uit van een vier- of vijfdelige serie voor een ‘kamer in het rond’ in zijn Amsterdamse grachtenhuis, zodat hij hiervan thuis kon genieten en natuurlijk ook mee pronken? Vele gefortuneerde Amsterdammers bestelden immers een hele serie panelen, zoals Stephanus de Clercq (1747-1819). Kort nadat deze in 1796 de buitenplaats Rupelmonde aan de Vecht had gekocht, gaf hij de behangselfabriek van de Vaderlandsche Maatschappij van Reederij en Koophandel te Hoorn opdracht een serie van acht behangsels te maken voor zijn huis aan de Amsterdamse Herengracht 94. Op één ervan liet hij zijn buitenhuis afbeelden. (Helaas is de verblijfplaats hiervan onbekend).
De minder welgestelden konden zich zo´n kostbaar behangsel natuurlijk niet veroorloven. Maar er waren dus wel alternatieven: het al genoemde floersbehangsel van voorbehandeld linnen bijvoorbeeld, ook velours bespanning genoemd. Papieren exemplaren noemde men veloutébehang. Het dessin werd er met handdrukblokken ingedrukt.
Door economische problemen neemt vanaf het eind van de achttiende eeuw de armoede in ons land toe. Talloze buitenhuizen worden in ons hele land zonder pardon gesloopt, ook aan de Vecht. Elsenburg moet er ook aan geloven.
De armoede alsook de afbraak van veel landhuizen maakt dat de belangstelling voor het laten maken van grote, dure behangsels afneemt. Maar dit komt vooral ook door alweer een nieuwe vorm van muurtooi. Het was te voorspellen: de mensen willen met hun tijd meegaan en telkens iets nieuws, iets modieus, iets wat anderen ook hebben. En dan gooien ze graag hun oude spullen weg. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat zoveel kamerbehangsels verdwenen zijn. Maar het doek van Elsenburg is gebleven!
Er is nóg iets gebleven, of liever teruggekeerd en wel het unieke, o zo Nederlandse ambacht van geschilderde behangsels. De ‘behangkunstenaars’ Marcelo Gimenes en Jaap Snijder hebben dit vak na ruim 200 jaar nieuw leven ingeblazen. In hun atelier vervaardigen zij in opdracht geheel met de hand geschilderde behangsels in een hedendaagse stijl, net als in de zeventiende en achttiende eeuw. Zij noemen hun werken ‘een contemporaine versie van de historische voorgangers.’
4. Papierbehang
Als laatste vorm van muurtooi is papierbehang te noemen. Sinds de zestiende eeuw is dit bekend. Het bestond uit papiervellen, waarop met sjablonen en verf decoratieve dessins waren geschilderd. Rond 1750 vernieuwde deze nijverheid zich: men plakte zestien vellen aan elkaar tot een rol van zo´n 8,5 meter. Maar een halve eeuw later, in 1799, kwam een heuse doorbraak: de Fransman Louis Robert construeerde een machine waarmee ‘papier zonder eind’ kon worden geproduceerd. Het aan elkaar plakken was dus niet meer nodig. Door de moderne machinale productie werd papierbehang een massaproduct dat goedkoop was en daarom goed verkocht werd. Het had tot gevolg dat vanaf ongeveer 1825 vrijwel alle andere bespanningsmaterialen waren verdwenen. En zo was voor de eens zo bloeiende behangselnijverheid voortaan geen emplooi meer. Talloze nu ouderwets gevonden behangsels werden verwijderd en eindigden roemloos op zolder of – nog erger – op de vuilnisbelt. Gelukkig is het schilderij van Elsenburg door toeval of een andere reden, wie zal het zeggen, bewaard gebleven.
Kunstenaar
En dan nu de antwoorden op de eerste en tweede vraag: wie was de kunstenaar en wie de opdrachtgever van het Elsenburgbehangsel, c.q. voor welk huis was het bedoeld?
Toen ik mijn artikel over het Elsenburg-behangsel schreef (1984), was de kunstenaar niet bekend. De deskundigen van veilinghuis Christie´s wisten het evenmin. Ze gokten en schreven in de catalogus ‘Kring rond Jurriaan Andriessen’. Wat de opdrachtgever betreft: ikzelf ging ervan uit dat de toenmalige eigenaar Jan de Witt dat zelf was. Maar toen kwam de ‘Sneekoloog’ Sytse ten Hoeve (1945-2016), tot 2005 directeur van het Fries Scheepvaartmuseum in Sneek, met nieuwe ontdekkingen. Niet alleen onthulde hij de werkelijke kunstenaar, ook over de opdrachtgever ontwikkelde hij een andere, plausibelere theorie. Na uitgebreid onderzoek naar het leven en werken van de Sneker schilder Jan Buiteveld (1747-1812) kwam hij tot een verrassend en interessant resultaat. 4) Volgens Ten Hoeve is het namelijk deze kunstenaar die het behangsel ‘Elsenburg’ schilderde.
Wie was Buiteveld? Hij was een geboren en getogen Sneker en werkte in deze stad. Zijn beroep wordt aangeduid als respectievelijk Fyn Schilder, Peintre en bâtiment (mogelijk huisschilder) en konstschilder. Hij was tamelijk vermogend (kocht viermaal een huis) en opvallend productief. Hij schilderde een flink aantal behangselschilderijen met voorstellingen van dorpen, buitenplaatsen, pastorale, religieuze en Bijbelse scènes, alsook bloem- en schoorsteenstukken, die allemaal, gedeeltelijk in kleur, in zijn artikel zijn afgebeeld. Helaas is veel van Buitevelds werk verloren gegaan, zoals gebruikelijk meestal door afbraak van de betrokken panden en/of door de vervanging van zulke schilderstukken door een modernere vorm van muurdecoratie.
Ten Hoeve ontdekte dat deze Sneker kunstenaar zich in een intellectueel patriottisch milieu bewoog. Terzijde zij opgemerkt dat ook Jan de Witt, eigenaar en bewoner van Elsenburg, de anti-Oranje, patriotse zaak was toegedaan. In 1795 waren de patriotten ook in Friesland aan de winnende hand en mogelijk om deze reden kreeg Buiteveld rond deze tijd de opdracht om een geschilderd schoorsteenstuk voor de Sneker Raadkamer te maken. Ook lieten de patriotten in de kleine Raadkamer een gedenkbord voor de Oranjeprinses Henriëtte Catharina van Nassau (1637-1708), Ereburgeres van de stad, verwijderen.
Maar zoals Ten Hoeve duidelijk maakt, zal ook Jan Buiteveld zoals zoveel andere behangselschilders voor zijn Elsenburgpaneel niet de in die tijd zeer lange, omslachtige en kostbare reis naar deze buitenplaats hebben ondernomen om ter plekke schetsen te maken. Voor hem was het bekende boek van de Amsterdammer Daniël Stoopendaal (1662-1726) het ideale voorbeeld. Dit monumentale plaatwerk, voluit ‘De zegepraalende Vecht, vertoonende verscheidene gesichten van lustplaatsen, heeren huysen en dorpen, beginnende van Uitrecht en met Muyden besluytende’ (1719, herdrukt 1790) bevat tientallen naar de natuur getekende prenten van buitenplaatsen aan de Vecht van de hand van deze prentkunstenaar en graveur. Buiteveld heeft voor zover bekend in ieder geval minstens drie van diens gravures gebruikt als voorbeelden voor geschilderde behangsels van zijn hand: Nieuwerhoek (Loenen), Vijverhof (Nieuwersluis) en Elsenburg (prent nr. 14 in Stoopendaals boek).
Overigens werden meer kunstenaars geïnspireerd door Stoopendaal. Wie kent niet de schoolprenten van de historieschilder en illustrator J.H. Isings (1884-1977)? Ook deze kunstenaar bekeek Stoopendaals gravures nauwkeurig en maakte van één hiervan een aquarel, die hij vervolgens gebruikte voor zijn beroemd geworden schoolplatencollectie. In 1956 maakte hij voor de bekende schoolboekenuitgever Wolters-Noordhoff te Groningen een schoolplaat van Elsenburg, getiteld ‘Een buitenplaats aan de Vecht’. 5)
Opdrachtgever
En nu de laatste vraag: Wie liet Elsenburg schilderen? En waar hing het doek? Volgens Sytse ten Hoeve waren zowel de behangsels Nieuwerhoek en Vijverhof alsook Elsenburg bedoeld voor het in 1783 gebouwde monumentale herenhuis Kleinzand 10 te Sneek. Opdrachtgever tot de bouw hiervan was het echtpaar Berend Wybes Wouters, olieslager, overleden 1818, en Jantje Izaäks Hulshoff. In 1792 breidden zij hun huis aan de achterkant uit met een grote, prachtig ingerichte ontvangstzaal. Deze werd fraai gedecoreerd, onder andere met vijf grote behangselschilderijen, die alle muren bedekten. Een heuse ‘kamer in het rond’ dus. Op twee behangsels waren respectievelijk een gezicht op Montfoort (naar een gravure van J. Spilman van 1774) en (waarschijnlijk) Nederhorst den Berg te zien. De drie andere behangsels waren Buitevelds bovengenoemde panelen van Nieuwerhoek, Vijverhof en dus Elsenburg. Het behangsel van Vijverhof (240 x 260 cm.) bevond zich sinds 2009 overigens ook als bruikleen in Maarssen, en wel in de burgemeesterskamer op Goudestein. Later is het teruggegeven aan de bruikleengever. Waar het schilderij zich nu bevindt is niet bekend.
Ten Hoeve erkent volmondig dat bij het toeschrijven van ongesigneerde werkstukken aan een schilder ‘de grootste voorzichtigheid moet worden betracht’. Zeker, Buiteveld gebruikte voorbeeldprenten en werd daardoor beïnvloed. Daarom moet zijn schildertrant het uitgangspunt zijn. Maar ook kwaliteit speelt een rol, schrijft Ten Hoeve, die een zeer groot aantal van Buitevelds werken heeft bekeken, onderzocht en besproken, ‘want zijn gesigneerde stukken laten duidelijk zien dat hij (Buiteveld) in de decennia rond 1800 in Sneek en de Friese Zuidwesthoek de primus inter pares was.’
En zo is dankzij deze onvermoeibare Sneker speurder het raadsel van zowel de maker als de koper van het behangselschilderij van Elsenburg opgelost.
Tot slot
Na mijn koop van het Elsenburgbehangsel las, schreef en sprak ik dus over het voor mij tot dan toe onbekende fenomeen van de behangselschilderkunst. Mijn belangstelling was gewekt en – ja zeker – ik werd een verzamelaar van muurtooi. Maar dan wel van een speciale soort, namelijk van tooi die vast in, op of aan de muur zit. Ik bedoel daarmee onder andere behangselschilderijen, goudleer, grauwtjes, historisch papieren behang, supraportes of bovendeurstukken.
Mijn verzameling begon dus door de koop van het Elsenburgbehangsel. Enige tijd later kon ik door toeval een tweede muurdecoratie bemachtigen: een stuk zestiende-eeuws goudleer. En zo begon dankzij de verdwenen buitenplaats Elsenburg te Maarssen mijn ‘collectie’. Deze blijft echter klein, want ik verzamel wegens plaatsgebrek slechts één exemplaar van elke vorm van muurtooi. Het reusachtige behangselschilderij is om die reden verhuisd naar de plek die het afbeeldt: het hangt als langdurig bruikleen in het Vechtstreekmuseum te Maarssen, op een steenworp afstand van (ooit) huize Elsenburg.
Noten
1. Jan Simonis, Jaap Kottman, Hans van Bemmel. Elsenburg, De Verdwenen Buitenplaats. Het Ontstaan van het Buitenleven aan de Vecht. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2020.
2. R.E. van Ditzhuyzen. ‘Het huis Elsenburg aan de Vecht en zijn eigenaren (1637-1813)’. In: Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau. Jaarboek deel 38. Den Haag 1984. 176-199.
3. Tijdschrift Historische Kring Maarssen, juni 1993, 20ste jaargang nr. 1, p. 1-22.
4. Sytse ten Hoeve. Jan Buiteveld (1747-1812), een Sneker decoratieschilder. In: De Vrije Fries. Jaarboek 2009. 117-164.
5. Zie hierover: De Geschiedenis Gekleurd. Historie – schoolplaten – J.H. Isings. Catalogus tentoonstelling Centraal Museum Utrecht 1982.