47e jaargang (bladzijde 93) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Franz Schlesinger toch getraceerd
Wally Smits
In het themanummer van het Periodiek (mei 2020) over de Vechtstreek in de Tweede Wereldoorlog schreef ik een artikel over de Stolpersteine aan de Schippersgracht en de Langegracht in Maarssen. Ik suggereerde daarin dat een voor mij toen onbekende Maarssenaar, Franz Günther Schlesinger, de oorlog wel eens overleefd kon hebben. Na verder onderzoek bleek mijn vermoeden juist te zijn. Ik heb gebruik gemaakt van de gegevens die op kampkaarten van concentratiekampen van Franz zijn genoteerd. Hoewel hij ze niet helemaal ‘eerlijk’ heeft ingevuld, kon ik met die gegevens wel reconstrueren waar hij vandaan kwam en ook wat zijn ouders deden. Hieronder volgt zijn geschiedenis.
Naar Nederland
Franz werd geboren in Berlijn op 19 oktober 1923. Zijn Joodse ouders waren advocaat Hans en moeder Charlotte. Al heel vroeg had Franz door dat zijn toekomst niet in het antisemitische Duitsland van Hitler lag. Na het afronden van zijn gymnasiumopleiding besloot hij naar Nederland te gaan. Hij belandde eerst in Dordrecht aan de Stooplaan 11. Op 17 januari 1941 zien we hem verschijnen bij de Afdeling Bevolking van de Gemeente Maarssen. Hij was nog geen 18 jaar, alleen in een vreemd land, midden in een oorlog die door zijn vaderland was begonnen. Hij schreef zich in bij de gemeente en liet bij het onderdeel Geloof een kruisje zetten in het vakje Nederlandsch Israëlieten. 1) Hij ging op kamers wonen op de Schippersgracht nummer 24.
Even verder op de gracht, op nummer 13, kwam in september 1941 Frits Blau met Joodse vrouw en dochter wonen. Frits kwam van het Zandpad nummer 7b en liet een kruisje zetten bij Roomsch Katholiek. Het kan zijn dat hij echt katholiek was en dat hij dacht dat zijn kind en vrouw dus half-Joods zouden zijn en aan de anti-Joodse maatregelen zouden ontkomen. Het heeft hen echter niet kunnen baten. Zondag 2 augustus 1942 werd het gezin Blau opgepakt en afgevoerd.
Het is opvallend dat Franz niet tegelijkertijd is opgepakt. Hij was de enige in de lijst van nieuwe inwoners waar nota bene expliciet het vakje Nederlandsch Israëlieten was aangekruist. Voelde hij onraad? Vermoedelijk is hij toch ondergedoken bij Joodse vrienden in Utrecht. Pas op 7 oktober 1942 kwamen de mensen van de Einsatzstab Rosenberg, een organisatie die de inboedel van door Joden verlaten woningen in beslag nam en naar Duitsland transporteerde, de kamer van Franz inventariseren. Het was een schrale oogst: ‘3 overgordijnen, 1 hanglamp, 9 Wandbilder, 1 Bürolampe, …, 1 Ledertasche, Schreibger”t, 1 Handkoffer …, 1 Schachbrett, … 1 Divan, Kleider, Handshuhe’ met een gezamenlijke waarde van naar schatting 25 gulden. Helaas voor de heren Bakker en Berends van de Einsatzstab zei de hospita, mevrouw Van der Dusse-Leest, dat de spullen van haar waren en niet van Franz. Deze was en bleef weg; ook voor mijn onderzoek. Hij schijnt iets te maken te hebben gehad met de Utrechtse Joodse rechtenstudente Truus van Lier, die al vroeg lid werd van de Amsterdamse studentenverzetsgroep CS-6. Zij schoot op 3 september 1943 de Utrechtse NSB-hoofdcommissaris van politie Kerlen dood. Zij vluchtte Utrecht uit maar werd een paar weken later in Haarlem toch opgepakt en afgevoerd naar het concentratiekamp Sachsenhausen. Daar werd zij op 27 oktober 1943 gefusilleerd. Een dag eerder, op 26 oktober 1943, werd Franz in Utrecht gearresteerd; volgens latere gegevens niet vanwege criminele of politieke strafbare feiten.
De kampen
Na zijn arrestatie is Franz via doorvoerkamp Westerbork getransporteerd naar Theresiënstadt, waar veel kunstenaars en juristen werden samengebracht. Op zijn kampkaart staan ook de namen van zijn ouders vermeld met de mededeling ‘später (later) Theresiënstadt’. 2) Hoewel de kaart niet voorzien is van de naam van het kamp, zou het best kunnen dat hij hier al een kaart kreeg en die mee moest nemen naar zijn volgende bestemmingen. Men moest immers voor de administratie wel alle gegevens van de gevangene hebben om doorsturen te vergemakkelijken en bij overlijden de administratie op orde te hebben.
Hij arriveerde in Theresiënstadt op 16 januari 1944 en verbleef daar tot 28 september 1944. Daarna werd hij op transport gesteld naar zijn volgende bestemming: Auschwitz. Die negen maanden deed zich in Theresiënstadt wel iets vreemds voor. Eind 1943 werden vanuit Denemarken 900 Joden naar dit kamp getransporteerd. De Deense overheid stelde echter wel als voorwaarde dat hun bestemming door het Rode Kruis gecontroleerd zou worden. De Duitsers stemden hiermee in. Nu weten we dat dat slechts uit propagandistische overwegingen was, maar toen was iedereen tevreden.
De Duitsers pakten de overbevolking van Theresiënstadt rigoureus aan en transporteerden in de loop van 1944 velen naar het vernietigingskamp Auschwitz. Er werden winkeltjes ingericht en nep-cafés opgezet, zodat het net leek of het een bruisend stadje was. Het bezoek van het Rode Kruis verliep naar volle tevredenheid en men rapporteerde dat het allemaal toch wel meeviel. De opzet was geslaagd; ze waren erin getrapt! De Duitsers maakten tussen 1 en 10 september van het geheel nog een prachtige propagandafilm, waarin via beelden van musicerende en sportende Joden werd getoond dat Hitler het beste met hen voor had. Na afloop van de opnamen werd de gehele filmcrew afgevoerd naar vernietigingskamp Auschwitz...
Gedurende die periode liep Franz dus het risico dat hij afgevoerd zou worden; óf om de overbevolking te bestrijden voor deze propaganda-actie óf (als hij onderdeel van de filmcrew was geweest) naar Auschwitz. Wellicht heeft hier of in een volgend kamp de volgende leugen bij voortduring zijn leven gered. In een rij waarin geselecteerd werd of je linksaf richting de gaskamers ging of rechtsaf richting overleven, gaf een medegevangene hem het advies om bij beroep niet aan te geven dat hij student of iets dergelijks was, maar metaalarbeider. Franz gaf aan Dreher (machinebankwerker) te zijn en redde zo zijn leven. Bij het invullen van zijn kampkaart ‘liegt’ hij zeer consequent door, want bij opleiding staat dat hij het gymnasium heeft afgerond, maar ook nog eens de Fachschule für Metallarbeiter. Dat zal toch echt niet de bedoeling van zijn ouders zijn geweest. Zijn kampkaart laat nog twee opvallende dingen zien. Dat er Holl. Jüde boven staat, is niet zo vreemd, maar dat er bij geloof mozaïsch staat, valt wel op. Het wordt duidelijk als we naar de rasvermelding kijken; daar staat Juden. Met Mozaïsch wordt bedoeld dat men ook actief het joodse geloof aanhangt. Voor het verdere verloop van het verhaal is het van belang dat hij maar liefst drie talen sprak: Duits, Nederlands en Engels. Zoals iedere gevangene werd hij ook voorzien van een nummer, 94722, en dat zou hij zijn hele kampperiode houden. Ik zal niet zijn gehele lichaamsbouw beschrijven, maar kan wel stellen dat hij een gezonde, goedgebouwde jongen.
Op de 28e september 1944 werd hij vanuit Theresiënstadt toch op transport gesteld naar Auschwitz, waar hij niet naar de gaskamers werd gebracht. Wellicht werd hij gered door zijn ‘technische’ achtergrond. De hel van Auschwitz wist hij te overleven tot 29 oktober. Toen werd hij op transport gezet naar concentratiekamp Weimar-Buchenwald en hierna wordt het verhaal onduidelijk. Op 30 oktober werd hij nog ingeschreven in Buchenwald, maar daarna worden de gegevens verwarrend. Ik kan nog in het Arolsen-archief terugvinden dat hij op 16 november weer op de trein was gezet richting Auschwitz, maar dan verdwijnt hij uit de Duitse administratie. Volgens de heer Van Lier, die hem persoonlijk heeft gekend, is hij met nog iemand tijdens een transport uit de trein gesprongen en naar De Linie gelopen. 3) Hiermee wordt bedoeld de frontlijn waar de Amerikanen stonden in afwachting van hun verdere invasie van Duitsland. Hier heeft hij zijn kennis van zowel de Duitse als de Engelse taal kunnen gebruiken door als tolk te fungeren tussen de Duitsers en de Amerikanen.
Na de oorlog
Kort na de bevrijding keerde Schlesinger terug naar Nederland en niet naar Berlijn dat in puin lag. Hij schreef zich in als student aan de Universiteit van Utrecht. Zoals in die tijd van wederopbouw en verwarring zo velen deden, werd er over de ellende van de oorlog niet echt meer gepraat. Uit de Handelingen der Tweede Kamer van 10 december 1948 blijkt dat hij tot Nederlander genaturaliseerd was. Hij studeerde af, trouwde in 1949 met zijn geliefde Betteke Was en richtte zich op zijn medische toekomst. Hij promoveerde en werd in 1967 benoemd tot wetenschappelijk medewerker aan de afdeling cardiologie van de Universiteit van Leiden. 4) Aangezien het hoogleraarschap keer op keer aan zijn neus voorbijging, koos hij voor een verdere carrière in Utrecht en bleef daar tot zijn pensionering werken als cardioloog. Menig Maarssens hartpatiënt zal ongetwijfeld tot zijn patiëntenbestand hebben behoord. Hier komt ook het contact met de heer Van Lier tot stand, die het echtpaar beschreef als zeer beschaafd, hartelijk en gastvrij. Franz en Betteke waren beiden verdienstelijk op viool en piano en tijdens etentjes werd over van alles en nog wat gesproken, maar zelden over hun belevenissen tijdens de oorlog. Van de soms gemaakte losse opmerkingen die de heer Van Lier mij toevertrouwde, heb ik bovenstaande reconstructie kunnen maken. Of Franz Schlesinger na de oorlog nog contact heeft gehad met zijn vroegere hospita, is mij niet bekend. Het lijkt mij echter sterk dat hij, vooral na zijn verhuizing naar Utrecht, niet een keer naar Maarssen is gereisd om aan zijn vrouw zijn vroegere huisvesting te laten zien. 5) Na zijn pensionering ging Franz zich verdiepen in de geschiedenis. Hij vertaalde (mede) in 2011 het proefschrift Phrenitis en stond zelfs als co-auteur vermeld bij het boek The Four seasons of Human Life, four anonymous Engravings from the Trent Collection. 6) Hij stierf in Utrecht op 24 januari 2013 op de leeftijd van 89 jaar. Het derde en vierde seizoen van zijn leven waren zeer voorspoedig en gelukkig geweest. Over het tweede seizoen werd zelden meer gesproken.
Noten:
1. RHCVV. Gemeente Archief Maarssen 1939-1957. Inventarisnummer 317 (niet openbaar).
2. Kampkaart, gevonden in digitaal archief arolsen-archives.org
3. De heer Tj. van Lier is een latere collega van Frans Schlesinger. Hij wist meer details te geven over de gebeurtenissen tijdens de deportatie van Schlesinger.
4. Mededeling in de Nieuwe Leidsche Courant van dinsdag 18 juli 1967
5. In verband met de nieuwe privacywetgeving is het moeilijk om gegevens van anderen in zijn omgeving te publiceren. Vandaar dat ik, uitgezonderd de heer Van Lier, verder niemand noem die in zijn directe omgeving heeft gewerkt.
6. H.F.J. Horstmanshoff (ed.). The four seasons of Human Life. Rotterdam 2002.