400
700
900
De zestien molenaars van de verdwenen Zuilense korenmolens
Bob Manten

De zestien molenaars van de verdwenen Zuilense korenmolens

47e jaargang (bladzijde 97) nr.3 / IN: Periodiek HKM


Plot

De zestien molenaars van de verdwenen Zuilense korenmolens

Bob Manten

Als jongetje van een jaar of tien fietste ik in de zomer eind jaren vijftig met mijn ouders en broers vanuit Utrecht langs de Vecht over het Zandpad naar ons vakantiehuisje op een van de legakkers aan de Scheendijk-Noord bij Breukelen. Bij de toenmalige kininefabriek vlak voor Maarssen keek ik altijd met verwondering naar een onttakelde molen aan de overkant van de rivier. Mijn vader had ons de eerste keer toen we erlangs kwamen, verteld dat wel honderd jaar geleden zijn overgrootmoeder, Maagje van Voorthuyzen, een dochter was van de molenaar van deze molen. Zijn overgrootvader, Jan Manten, was midden negentiende eeuw met haar getrouwd. Hij wist alleen nog dat de molen ‘De Hoop’, heette. ‘Maar’, zei hij er glimlachend bij, ‘van die hoop is nog maar weinig over’.

Ik kon toen niet vermoeden dat ik me ooit zou verdiepen in de geschiedenis van deze molen en zijn voorganger in het kader van het stamboomonderzoek naar mijn familie. In het bijzonder was ik geïnteresseerd wie als molenaars de voorgangers van mijn voorouders waren geweest. Thans herinneren alleen de straatnamen ‘De Hoopkade’ en de ‘Molenweg’ in de wijk Op Buuren en een gerestaureerde gevelsteen met inscriptie in het gebouw tegenover restaurant Op Buuren, aan de verdwenen molen.

Situering van de eerste Zuilense korenmolen
De voorganger van ‘De Hoop’ stond naast het terrein van de toenmalige hofstede Meerwijk. In een artikel uit 2011 in het Periodiek van de Historische Kring Maarssen over de hofstede Meerwijk, geschreven door Henny van Elk, wordt vermeld dat deze hofstede was gelegen in een kromming van de Vecht in het gebied Sweser Engh. Op een kaart uit 1696 met Utrecht en de buitengerechten, uitgegeven door C. Specht en gebaseerd op een kaart van 1539, is in het gebied Sweser Engh de hofstede links in het midden aangeduid met de naam ‘Den Hoeck’, met daaronder in de bocht de ‘coren molen’ gelegen langs ‘den Daelschen Dyck’. Bij de molen was ook een hek dat een weg of pad afsloot naar de hofstede, zoals in oude rekeningboeken van het Convent van Mariëndaal werd vermeld. Op de originele kaart van 1539 valt een deel van het gebied Sweser Engh, juist waar de molen is gesitueerd, buiten de kaart, wat niet wil zeggen dat de molen toen niet bestond.


Eerst bekende eigenaren van de korenmolen
De voorlopig oudste vermelding van een eigenaar van de korenmolen stond in de inventaris van de charters van het convent van Mariëndaal. De grond waarop de molen stond, behoorde toe aan het klooster van de adellijke cisterciënzer nonnen uit Utrecht. Eigenaren van de molenwerf moesten erfpacht betalen aan het convent. De korenmolen werd in het jaar 1555 genoemd samen met de hofstede Meerwijk: ‘van des Convents meulenwerf gelegen op Meerwyck onder Suylen in erffpacht uytgeslagen bij den Convente van de Dael aen Anna geboren van Nesselgade, Gravinne van Rennenburch, vrouwe tot Suylen ende Odehoorn ende Vrouwe tot Erensteyn ende Palstercampe van date xvc vijff ende vijftich, Ste Martinsavond in den winter’ (St. Maarten 11 november). Gravin Anna van Rennenburch of Rennenbergh (1515-1582) was getrouwd met Philips Lalaing, graaf van Hoogstraten en de moeder van George Lalaing, graaf van Rennenbergh. Deze George was in 1576 stadhouder van de noordelijke gewesten geworden op voordracht van Willem van Oranje. Hij is bekend geworden door ‘het verraad’ van Rennenbergh toen hij, enigszins gedwongen door allerlei omstandigheden, in 1580 de Spaanse zijde koos. Hoe lang de gravin eigenaar was, is niet bekend. De korenmolen was in ieder geval vanaf 1593 in het bezit van de Heer van Wisse. Hij was eigenaar tot en met 1609. Hij zal vermoedelijk niet zelf het molenaarsberoep uitgeoefend hebben, maar de molen hebben verhuurd. Waarschijnlijk woonde de familie in Zeeland in de buurt van Kruiningen of Wissekerke.

De eerste zeven molenaars, soms eigenaar en soms huurder
In onderstaand overzicht staan de eerste zeven molenaars genoemd die soms eigenaar en soms huurder waren. De namen werden genoemd in de verschillende rentmeesterboeken van het klooster Mariëndaal met vermelding van de erfpachtsom. De verschuldigde erfpacht werd soms vermeld in guldens en stuivers en soms in ponden en schellingen. Van de eerste drie molenaars zijn geen nadere gegevens gevonden. Van Antoni Dignums van Hoochlant weten we dat hij tweemaal getrouwd was, dat zijn kinderen in de rooms-katholieke kerk van Maarssen werden gedoopt en dat hij in die kerk, ten tijde van het ambt van de bekende pastoor Jacobus van Bylevelt, de zorg had voor het innen van geld van de parochianen voor het onderhoud van de kerk. De vijfde molenaar Peeter Sanders van Oostveen verwierf de molen omdat hij trouwde met Weyntgen Aelberts van Oostweert, de weduwe geworden schoondochter van Antoni. Peeter deelde het eigenaarschap de laatste drie jaren van zijn leven met zijn weduwnaar geworden schoonzoon Elbert van Ryn en diens vier kinderen. Peeter bleef de molenaar want Elbert had een boerderij in Zeist. De zesde molenaar Jacobus Stevensz. van Montfoort huurde de molen. Hij moest huur betalen aan Elbert en de helft van de belasting aangeduid als het ’haardstedengeld’. 1) Toen Jacobus in 1728 overleed trouwde zijn weduwe net voor 1730 met Jan van Wesenbergh. Op 30 januari 1730 werd de molen met de ‘huysinghe en boomgaertje’ aan Jan verhuurd. De huurprijs bedroeg opnieuw 440 gulden per jaar. De ongelden (belastingen) waren voor de verhuurder net als de kosten van eventuele reparaties. De huurder moest de molen ook goed onderhouden.

Molenaar Huurder Eigenaar Erfpacht/Huur
1. Jan Janssen 1603-1609 1610-1623 4 gld 16 st
2. Jan Jacobs 1624-1637 idem
3. Cornelis Aerts 1638-1643 4 pnd 16 sch
4. Antoni Dignums van Hoochlant 1644-1680 idem
5a. Peeter Sanders van Oostveen 1686-1719 idem
5b. Peeter Sanders van Oostveen/
Elbert van Ryn en kinderen 1719-1722 idem
5c. Elbert van Ryn en kinderen 1723-1736 idem
6. Jacobus Stevensz. van Montfoort 1723-1730 huur 440 gld
7. Jan van Wesenbergh 1730-1736 idem

Verkoop van de molen
In 1736 werd het huurcontract niet verlengd omdat er een koper was komen opdagen Deze koper was Gerrit Willemsen van Voorthuyzen, een ervaren molenaar uit Nieuw-Loosdrecht. Op diens molen werd rooie tarwe, witte tarwe, rogge middel, boekweit, gort, tarwe middel en blommeel gemaald. Gerrit Willemsen van Voorthuyzen verkocht in 1736 zijn windkorenmolen in Nieuw-Loosdrecht voor vijfduizend en vijfhonderd gulden. Dit stelde hem in staat naar Zuilen te verhuizen en de achtste molenaar van de molen te worden.
Op 26 januari 1736 werd in een notariële akte de koop vastgelegd van een ‘erve ofte molenwerff met de koornwindmolen, huyzinge, gereedschappen, bepotinge en beplantingen daarop staande’, gelegen in het gerecht Zuylen voor een bedrag van negenduizend karolus guldens hollands geld met een rente van vier procent per jaar, ingaande mei 1736. Dat was voor die tijd een fors bedrag. Bovenop de verkoopprijs moesten nog twee gouden ducatons betaald worden ‘tot een vereering des eersten comparants Bontie’. Vermoedelijk betekende dit dat de koper ook nog twee gouden ducatons ten geschenke moest geven als versiering van het bont (bijvoorbeeld bontkraag of bontmuts) dat door de familie van de verkopers werd gedragen. Gerrit ontving op 24 oktober 1739 een brief met het recht van eeuwige erfpacht van het convent van Mariëndaal. De Zuilense korenmolen zou drie generaties het eigendom van de familie Voorthuyzen blijven.

Waarschijnlijk is de afgebeelde pentekening in Oost-Indische inkt uit 1761 de oudste bekende afbeelding van de korenmolen. In dat jaar werd deze getekend door de bekende rondreizende topografische kunstenaar Theodorus (Dirck) Verrijk (Haarlem, 1734-Den Haag, 1786) op zijn reis langs de Vecht. Ook Holland, Gelderland, Overijssel en Brabant waren naast Utrecht zijn werkterrein. Naast tekenaar was hij ook nog schilder, landschapsschilder voor handbeschilderd behang, decoratieschilder en kopiist. Zijn tekeningen waren in zijn tijd zeer gewild.
De oude Zuilense molen was een standerdmolen
De naam standerdmolen is ontleend aan de standerd of staak, een rechtopstaande zestig tot tachtig centimeter dikke stam. De molenkast rust grotendeels op de bovenkant van de standerd. Voor het afschuiven is er op de standerd een stormpen aangebracht. Een tweede steunpunt voor de kast om de standerd is de zogenaamde zetel halverwege de standerd. De kast rust niet midden op de standerd, maar meer naar achteren ter compensatie van het gewicht van het wiekenkruis. Hierdoor is de molen, afhankelijk van de hoeveelheid in de kast opgeslagen maalgoed, min of meer in evenwicht. Uit de standerdmolen is later de wipmolen ontstaan.

De negende en tiende molenaar en eigenaar
Gerrit liet op 16 maart 1786 een codicil opstellen waarin hij bepaalde dat zijn zoon Cornelis (geboren 1746) uit zijn tweede huwelijk, na zijn overlijden, de korenmolen kon kopen voor achtduizend gulden, of voor zes jaar huren voor driehonderdvijftig gulden per jaar. Opvallend is dat niet Jan (1736) of Gerrit (1737), twee zonen uit zijn eerste huwelijk, als opvolger werd aangewezen, maar de veertigjarige Cornelis. Waren zij te oud of minder geschikt? Of hadden zij een eigen bedoening, zoals Gerrit die grutter in Maarsen was, en wilden ze die niet opgeven? Of had zijn tweede vrouw met haar vele geld afgesproken dat haar zoon de molenaar mocht worden? Eind 1791 overleed vader Gerrit en begin 1792 trouwde zoon Cornelis, een paar dagen nadat hij vader was geworden. Cornelis was in 1804 één van de schepenen van Zuilen. Na de dood van Cornelis in 1829 werd zijn zoon Gerrit onmiddellijk de nieuwe eigenaar en molenaar.
Kennelijk zagen Gerrit en zijn vrouw de toekomst, mede gelet op de erfenissen van zijn ouders, rooskleurig in. Het echtpaar liet in 1829 een nieuw molenhuis en in 1832 een nieuwe molen bouwen. De eerste steen voor het molenhuis werd gelegd op 21 juli 1829 door zijn oudste kind Maagje van Voorthuyzen. Maagje van Voorthuyzen werd de betovergrootmoeder van de auteur van dit artikel.

De nieuwe molen wordt in de ‘Molendatabase van verdwenen molens’ beschreven als een stellingmolen met de functie van korenmolen, aangedreven door de wind. De romp is achtkantig met daarop een bovenkruier met buitenkruiwerk. Rondom de molen is net boven de romp een stelling, omloop, gaanderij of galerij gemaakt. Vanaf deze stelling wordt de molen gekruid (op de wind gedraaid) en worden de zeilen van de wieken gezet.
Er zijn volgens molendeskundige Gerrit Keunen technische zaken die doen vermoeden dat op de nieuwe gemetselde romp een bestaande houten molen van elders is geplaatst. Een praktijk die in Nederland niet ongebruikelijk was.
Er is een foto van de molen beschikbaar waarop het jaartal 1842 prijkt. Als 1842 het jaar van plaatsing op de stenen romp was, dan moet de nieuwe molen op een iets andere plek hebben gestaan dan de oude houten korenmolen. Het lijkt immers onwaarschijnlijk dat de molenaar gedurende ruim tien jaar zijn brood niet heeft kunnen verdienen. Het is waarschijnlijker dat de fotograaf bij vergissing het getal 1832 met de hand heeft geretoucheerd in het onjuiste jaartal 1842 omdat het jaartal niet goed leesbaar was op zijn foto.

Latere eigenaren van molen ‘De Hoop’
In 1844 verhuurde Gerrit de molen aan zijn knecht Gerrit Pas voor zes jaar tegen een huursom van duizend gulden per jaar. Gerrit Pas ging met zijn vrouw Claasje van de Vegt, waarmee hij in 1845 was getrouwd, in de twee kamertjes in de molen en het zolderkamertje in de aanbouw wonen. In 1848 vertrok Gerrit Pas naar Abcoude en werd daar winkelier. Hij kon het contract kennelijk niet volledig nakomen. Eigenaar Gerrit van Voorthuyzen kon het daarna als molenaar financieel niet meer bolwerken. Hij had in de jaren dertig en beginjaren veertig een forse schuld opgebouwd met leningen. Heeft hij zich financieel vertild aan de bouw van een nieuw stenen molenhuis en molen, ondanks de verworven geldmiddelen van zijn ouders? Of liepen de inkomsten van het malen gestaag terug of waren er slechte oogsten geweest? Verkoop van de molen werd in ieder geval onontkoombaar. De molen, aangeduid met de naam ‘De Hoop’, werd op 2 februari 1849 verkocht aan de 28-jarige Franciscus (van) Berkesteijn uit Breukelen. Franciscus betaalde er dertienduizend gulden voor. Hij werd daarmee de twaalfde molenaar.
Franciscus kwam net als Gerrit van Voorthuyzen, uit een familie van molenaars. De Van Berkesteijns waren o.a. in Vleuten (Veldhuizen) en Breukelen molenaars. Frans van Berkesteijn overleed op 8 november 1856 en liet zijn bezittingen na aan zijn vrouw en hun drie minderjarige kinderen.
Weduwe Jacoba Theodora van der Linden heeft de molen na de dood van haar man ruim anderhalf jaar beheerd. Zij hertrouwde daarna met ene Jacob de Bouter uit Werkhoven, die na haar overlijden in 1868 de molen (waarde geschat op zesduizend en vijfhonderd gulden) en de schulden ad zesduizend gulden overnam. Ook Jacob de Bouter kwam ook uit een molenaarsgezin. Na veertig jaar bezit verkocht Jacobus, 71 jaar oud, de molen op 25 maart 1898 aan zijn 22-jarige zoon Martinus de Bouter met de daarbij behorende roerende goederen: ‘zeilen, slijpstenen, schaafbank, bascule, schalen en gewichten en alle verdere gereedschappen alsmede twee vrachtwagens, rijtuig, twee paarden, voorraad hout, hooi en stroo’. Het vastgoed was nog steeds bezwaard met zesduizend gulden aan hypotheek. Voor een bedrag van twaalfduizend gulden werd de zoon de eigenaar, waarbij de zoon zesduizend gulden aan zijn vader betaalde en de hypotheekschuld van zesduizend gulden van zijn vader overnam.
Martinus was geen gunstig lot beschoren. Hij kwam in financiële problemen mede door de hypothecaire lening van zesduizend en zevenhonderdvijfenzeventig gulden die hij op 29 april 1902 had afgesloten bij de Intercommunale Hypotheekbank te Amsterdam. Hij werd op 6 januari 1904 failliet verklaard. Martinus emigreerde direct na zijn faillissement naar de Verenigde Staten. Zijn vrouw en twee kinderen verhuisden naar Utrecht en werden in 1916 met hem verenigd.
De molen werd in 1904 publiekelijk verkocht voor een bedrag van elfduizend vierhonderd gulden aan Arie Jan de Ridder, die hiermee de zestiende en laatste molenaar werd. Arie Jan liet de molen moderniseren, waardoor deze niet alleen meer werd aangedreven door de wind, maar ook door een petroleummotor. De molen verkeerde tot na de Tweede Wereldoorlog in goede staat. Niettemin werd de molen in 1939 verkocht aan de ‘N.V. Nederlandsche Combinatie voor Chemische Industrie’ (de latere Amsterdamse Chemie Farmacie (ACF)), die vlak bij de molen gevestigd was. De verkoopsom was het forse bedrag van zesendertigduizend en driehonderd gulden.
Arie Jan de Ridder bleef de huurder van ‘De Hoop’, maar de molen werd steeds meer ingebouwd door de fabriek waardoor de windvang steeds slechter werd. In 1954 werd de molen onttakeld en in 1968 afgebroken vanwege de uitbreiding van de ACF.


De naamgeving van de molen
De molen droeg de naam ‘De Hoop’. Wanneer de molen deze naam kreeg is niet bekend.
Vaststaat dat de molen al in 1844 deze naam droeg, getuige het huurcontract dat Gerrit Willemsen van Voorthuyzen sloot met zijn knecht Gerrit Pas op 25 oktober 1844. De geschiedenis van de molen maakt duidelijk dat de diverse generaties die de molen hebben geëxploiteerd een leven van hard werken wachtte, waartegenover onzekere inkomsten stonden. Er moest regelmatig en bij tijd en wijle fors in de molen worden geïnvesteerd. Men moest maar hopen dat deze investeringen voldoende rendement opleverden. Wellicht dat deze overwegingen aan de naam ten grondslag hebben gelegen. We kunnen hier slechts naar gissen…

De gevelstenen
Uit een mailbericht van oktober 2019 van Dick de Ridder, een kleinzoon van de laatste molenaar, aan de auteur, blijkt dat de gevelsteen van het molenhuis, dat is het huis van de molenaar, door zijn vader tijdens de sloop is meegenomen naar diens huis in Zuilen. Na de dood van de ouders van Dick is de steen in 1976 verplaatst naar de tuin van de woning van Dick. Rond 1980 is de steen bij sanering van de grond van zijn tuin en die van enkele buren alsmede van een deel van de speelplaats van de Prinses Beatrixschool als gevolg van vervuiling door stookolie van de school, buiten zijn medeweten verwijderd en verdwenen. De gevelsteen van de molen uit 1832 bleef wel bewaard en werd in oktober 2013 na een restauratie geplaatst in het gebouw bij de Oostwaarderbrug in de wijk Op Buuren. Deze gevelsteen was bij de sloop van de molen meegenomen door Arie Jan de Ridder, een broer van Dick de Ridder en genoemd naar zijn vader Arie Jan de Ridder, de laatste molenaar. Na de dood van Arie Jan in 1996 heeft zijn dochter Hannie de Ridder zich over de gevelsteen ontfermd en bewaard op haar balkon in haar woning in IJsselstein en later in Maarssen. Nadat ook haar moeder in 2004 was overleden, heeft zij de steen aan Theo Schouten gegeven voor het museum Vredegoed in Tienhoven. Door de inspanningen van Hans van Bemmel van de Historische Kring Maarssen heeft de steen een nieuwe prominente plaats gekregen. Hiermee is een blijvende herinnering zichtbaar aan een molen, die eeuwenlang het beeld van het huidige Op Buuren domineerde. 2)

Noten
1. In 1577 werd voor de steden in de provincie Utrecht een schoorsteen- of haardstedengeld ingesteld. De aanslag varieerde naargelang het aantal schoorstenen per kasteel, huis en boerderij. De heffing was eenmalig bedoeld voor het afkopen van Duitse huursoldaten die nog soldij te goed hadden. Voor iedere schoorsteen werd één gulden betaald, waarvoor de eigenaar garant stond. Wel mocht hij de helft door een eventuele huurder laten betalen, tenzij deze te arm was.
2. Dit artikel is een samenvatting van een uitvoerig artikel van 39 bladzijden met bronverwijzingen dat op aanvraag beschikbaar is voor geïnteresseerden via het e-mailadres: bobmanten@gmail.com.