47e jaargang (bladzijde 110) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Cholera in Maarssen
Wally Smits
Door enkele lezers van ons Periodiek werd aan de redactie de vraag voorgelegd of er ook iets bekend is over de manier waarop vroeger op dorpsniveau, met name in Maarssen, werd omgegaan met dodelijke epidemieën. Een speurtocht door ons Periodiekenarchief leverde een artikel op van Wally Smits over cholera in Maarssen in de negentiende eeuw. Hij publiceerde het in mei 1982. Wij plaatsen het hierbij – enigszins bewerkt – opnieuw als (een eerste) reactie op de gestelde vraag.
Inleiding
Afkomstig uit de Gangesdelta in India werd cholera in Europa voor het eerst in 1830 in Moskou geconstateerd en bereikte de ziekte - via besmette Scheveningse vissers - in 1832 Nederland. Cholera wordt veroorzaakt door een bacterie en onder andere verspreid via vervuild water. De ziekte leidt tot zwaar vochtverlies, onophoudelijke diarree en voortdurend braken. De huid wordt zeer droog en blauwzwart van kleur. Er treden spierkrampen op en vaak volgt de dood. Eerst in 1883, toen Koch de cholerabacil (her)ontdekte, werden effectieve maatregelen mogelijk. Eerder ontstond al het besef dat schoon drinkwater van groot belang was, maar pas tegen het eind van de eeuw kwamen voorzieningen daartoe, zoals pompen, tot stand. Er zijn niet veel mensen in onze tijd die de verwensing ‘Krijg de klere’ nog in verband brengen met cholera.
Hoe te bestrijden?
Nederland werd in de negentiende eeuw vijfmaal geplaagd door een ernstige epidemie van deze gevreesde ziekte, te beginnen in 1832 (met een uitloop in 1833) en vervolgens in 1848/49, 1853/55, 1859 en als laatste en hevigste explosie die van 1866 toen in Nederland meer dan 2.100 mensen aan cholera stierven, op een bevolking van bijna 3,5 miljoen.
De provincie Utrecht kreeg ook te kampen met deze ziekte en zelfs in 1866, toen men weliswaar nog geen geneesmiddelen tegen de ziekte had, maar wel een idee hoe men deze ziekte kon beperken of voorkomen, telde men een aantal overledenen in de provincie dat driemaal zo hoog was als het landelijke gemiddelde (15,3‰ tegen 5,5‰). 1)
Zelfs na een aantal uitbraken wisten de doktoren nog niet precies hoe men de bestrijding moest aanpakken. Dat deed het lid van de geneeskundige raad van Noord-Brabant en Limburg, Godefroi, verzuchten: ‘Even machteloos als weleer, staat men tegenover den algemenen vijand, angstig zoekende naar een redmiddel dat paal en perk kan stellen aan de overal aangerichte slachting. Zal men het vinden? Wij betwijfelen het’. 2)
In een rapport van de Algemene Choleracommissie van 1 juli 1866 kunnen we wat meer gegevens over de ziekte verkrijgen: ‘De cholerabesmetting gaat in de eerste plaats uit van de excreta der lijders zelven. In die excreta is aanwezig of vormt zich bij verwijl aan de lucht eene of meer stoffen, die of zelve het vergif uitmaken of zijne verspreiding door de omgeving mogelijk maken.’ 3)
Het zou tot 1883 duren, voordat Robert Koch de bacil zou ontdekken die deze ziekte verspreidt.
Cholera in Maarssen (1832)
Met het uitbreken van de cholera in Nederland (het begin ligt in de havenplaatsen, onder andere Scheveningen) gaan de gouverneurs der verschillende provincies de gemeenten aanschrijven dat ze zich moeten voorbereiden op het behandelen van cholerapatiënten. De provincie wordt in districten verdeeld en Maarssen en Maarsseveen komen in het achttiende district te liggen. 4) Ook de plattelandsgeneesheer van Maarssen G.S. Turk, die toen op de Herengracht woonde, krijgt van de Staatsraad Gouverneur L. van Toulon deze opdracht. Zijn collega A. Vislaak, die op de Langegracht woonde, behandelt wel patiënten, maar in de stukken uit die tijd wordt hij verder nauwelijks genoemd.
Vrij snel na deze opdracht gaat er een klaagbrief terug naar de gouverneur met het bericht dat er ‘zwarigheden zijn gemaakt uit welk fonds de kosten gevonden zullen worden, welke nodig zijn tot aanschaffing van al datgene wat ter behandeling van behoeftige Cholerakranken vereischt wordt.’
Men wacht echter niet tot het probleem opgelost is, want in dezelfde brief wordt ook verslag gedaan van hetgeen er al gedaan is. Uit een latere brief blijkt dat men de kosten wat betreft het inrichten van het ziekenlokaal zal delen met de gemeente Maarsseveen (zie hieronder).
Cholerahospitaal
Het schijnt ook toen gebruikelijk te zijn geweest om openbare gebouwen in geval van nood te gebruiken als opvangplaats, want de burgemeester van Maarssen, Dolman, ontraadt het gebruik van het schoollokaal als ‘cholerahospitaal’ en wel wegens zeer goede redenen:
a. ‘zoo het schoollokaal gelijkgronds was, zoals in de andre gemeenten, zou het voor een Cholera Hospitaal in veel opzichten de voorkeur verdienen, maar een lijder aan die ziekte die zoo veele trappen te moeten opvoeren , zal aan vele zwarigheden onderhevig zijn’. De onder het schoollokaal liggende raadskamer en de woning van de onderwijzer zouden wat dit betreft wel voldoen maar vallen ook af wegens het feit:
b. ‘dat de woninge aan beide zijde door talrijke huisgezinnen bewoond worden.’ Ter completering van de nadelige punten van dit gebouw wordt bovendien nog vermeld dat:
c. ‘het gebouw zelve in de nabijheid van eene smeersmelterij gelegen is, en daardoor blootgesteld aan nadeelige dampen en uitwazemingen’.
Het schoollokaal annex raadszaal annex onderwijzerswoning bevond zich in het pand in de Breedstraat waar voorheen de firma Telkamp zijn zaak had en de smeersmelterij bevond zich daartegenover op de plek waar zich nu de garage van Mastenbroek bevindt.
Waar moest men de zieken dan onderbrengen? De burgemeester laat het oog vallen op de beide huizen (onder één kap) achter Richmond (toen een pand met die naam aan de Breedstraat), ‘die zijn gelegen in de nabijheid en toch even buiten het Dorp (situatie in 1832); deze zijn gelijk met de grond; er zijn geene woningen daarnaast; er kunnen 8 zieken in verpleegd worden.’
De kans dat daarin meer mensen tegelijkertijd opgenomen moeten worden, wordt door de burgemeester niet groot geacht, ‘omdat de gemeenen man liever in eigen woning zal geholpen worden en het Lokaal het meest voor dienstlieden zal moeten dienen’.
Verdere voordelen van de beide huizen waren, dat ze ‘voorzien waren van twee ruime vertrekken en in dezelven bevindt zich een zuivere putwaterpomp en een klein vertrek tot dadelijke afzondering van lijken’. Men begint de beide huisjes vast in te richten en er dient een kleine verbouwing plaats te vinden. Er moeten een klein raam en een luchtgat in komen. De zijmuur van één van de huisjes, daar waar dat luchtgat en het raam in moesten komen, grenst aan de tuin van de Portugese Israëlitische Kerk. Die stond toen op de hoek van de Breedstraat/Raadhuisstraat). De ingreep wekt de ergernis van de bij deze kerk wonende voorzanger J. Labatt jr. en deze begint een hoog oplopende ruzie met burgemeester Dolman , hetgeen blijkt uit een brief van 7 augustus 1832 aan de Gouverneur. Daarin staat dat de heer Labatt zich ‘op zeer onbetamelijke wijze’ heeft uitgelaten tegen de burgemeester en hij ‘heeft zelfs in het bijzijn van den Burgemeester zich niet ontzien om het luchtgat met steenen digt te stoppen. – Vóór het raam is op eenen kleinen afstand op last van genoemde kerkmeester een houten schot geplaatst om zoveel mogelijk aan ons daardoor het licht ende lucht te belemmeren’.
De burgemeester schijnt niet de bevoegdheid te hebben gehad (noch als burgemeester, noch als voorzitter van het achttiende district ter bestrijding van cholera) om in te grijpen, want in dezelfde brief vraagt hij aan de gouverneur ‘om den … kerkmeester ernstig over de bewuste zaak te onderhouden en hem voor te dragen, dat hij door zijne handelingen de algemeene minachting grootelijks verdient’.
Op een kaart van Maarssen uit 1830 zijn de beide huisjes niet ingetekend, maar als we het voorgaande nog eens overzien, dan lijkt het aannemelijk dat de huisjes stonden op de plaats waar voorheen Bloemisterij Bonhoff gevestigd was.
Inventaris
Om de kosten te verdelen spreekt de burgemeester van Maarssen met de burgemeester van Maarsseveen (Van der Helm) af, dat Maarssen de benodigdheden voor ruim vijf kribben zou leveren en dat Maarsseveen dit zou aanvullen tot acht.
Burgemeester Dolman noemt de benodigdheden in een rapport aan de gouverneur:
- ‘Vijf eenmanskribben, elk voorzien van een welgevulde stroomatras, kaffen hoofdkussen, twee lakens en twee wollen deekens;
- een draagbaar, met stroomatras, kaffen hoofdkussen, twee groote wollen deekens en een waschdoekenoverkleed;
- acht ledige Seltswater kruiken 5), wel gekurkt;
- acht wollen zakken ter inwikkeling van die kruiken;
- acht wollen lappen tot wrijving der lijders;
- twee baayen hemden met kappen;
- vier steekbekkens met deksel;
- vier braakbakjes;
- eene badkuip;
- zes scheurlakens voor pappen;
- 50 nederlandsche ponden haverdegort 6) en een anker goede roode wijn. 7)
Bierbrouwerij De Eenhoorn heeft beloofd dat er voortdurend kokend water beschikbaar zal zijn. Als ’voorlichtingsambtenaar’ wordt de veldwachter ingeschakeld. Die krijgt een uittreksel van een rapport over de bestrijding van de cholera ‘met last aan den ambachtsman en in het algemeen, de minvermogende volksklasse, op eene gepaste wijze de daarin voorkomende raadgevingen en bevelen aan te prijzen en krachtdadig op het gemoed te drukken.’
De cholera-epidemie en haar slachtoffers
Over de epidemie zelf en het aantal slachtoffers is in het gemeentearchief van Maarssen vrij weinig te vinden. Dat de ziekte wel degelijk in de provincie en de stad Utrecht heeft gewoed, blijkt uit de trieste cijfers die de Utrechtse Courant op 16 november 1832 publiceert over de periode sedert het uitbreken der epidemie in Utrecht (19 augustus) en de vermelding dat er geen cholerapatiënten meer zijn (16 november). In Utrecht en de ‘buitensteden’ heeft men 708 cholera-zieken gehad, waarvan er 411 zijn hersteld en 297 overleden. Dat de ziekte in het jaar daarop weer de kop op zou steken, wist men in november ook niet.
In het Rijksarchief in de provincie Utrecht, nu Het Utrechts Archief, aan de Alexander Numankade werd meer gevonden. Hier ontdekte ik de (bijna) volledige rapportage van burgemeester Dolman (voorzitter van het achttiende district, ingesteld ter bestrijding van de cholera) aan de gouverneur, maar bovendien nog een brief van de gouverneur van de provincie Utrecht aan de burgemeester naar aanleiding van een werkbezoek aan Maarssen.
Het schijnt hier niet erg fris te hebben geroken tijdens dat bezoek, want bij terugkomst schrijft de gouverneur: ‘Zoo is het van een wezenlijk gewicht op middelen bedachtzaam te zijn opdat de sloten welke eene voor de gezondheid hoogst schadelijke lucht verspreiden naar behooren gezuiverd en zoo mogelijk van versch water worden voorzien’. 8)
Een kwalijke zaak met het naderen der cholera-epidemie! Maarssen blijft dan ook niet gespaard. Bij de gevonden tabel, die eind september afsluit, maar waarop er wat betreft Maarssen, Maarsseveen en Maarssenbroek geen nieuwe gevallen meer bijkomen, heb ik de namen van de slachtoffers (op één na, namelijk die van 2 september) kunnen vinden.
MAARSSEN
13 september – de beurtschipper van Maarssen op Amsterdam, Hermanus van Eijk, ‘welke aan de riviere de Vecht alhier woonachtig is’ laat dokter Turk komen en overlijdt dezelfde dag.
15 september – Hendrik van Hulst, scheepstimmerman te Maarssen, overlijdt ’s morgens om 8 uur.
18, 19 september – Dokter Turk wordt geroepen bij Gijsbert Lagerwey, wever, oud 43 jaar, ‘behoeftig, doch niet bedeeld’.
Gerritje Nodé, huisvrouw van Christiaan Hardenbol, fruitverkoopster, oud 49 jaar, ‘behoeftig, doch niet bedeeld’, aan de Kaatsbaan.
Jan Ros, schoenmaker, oud 51 jaar, woonachtig aan ‘den Daalschendijk’.
Jan Ros overlijdt 22 september en Gijsbert wordt 26 september als hersteld doorgegeven samen met Gerritje Nodé (De data op de Dagelijksche Staat komen niet helemaal overeen met die der rapporten; men haalt de datum van het rapport en de datum van de hersteldverklaring door elkaar).
De laatste die onder behandeling genomen wordt, is:
26 september – Thomas den Daas, werkman, oud 41 jaar, ‘behoeftig doch niet bedeeld’; hij wordt 3 oktober (staat dus niet op de Dagelijksche Staat) als hersteld opgegeven.
MAARSSEVEEN
Hier komen de aantallen wel overeen, maar van de data klopt niet zoveel.
11 september – aangetast is de 12-jarige dochter van L.A. van Brussel, boekhandelaar woonachtig … aan de Vecht. Overlijdt diezelfde dag (klopt niet met de Staat).
16 september – Matthijs Houssart pruikenmaker te Nieuw-Maarsseveen. 59 jaar ‘niet bedeeld, doch behoeftig’, overlijdt dezelfde dag in zijn huis (op de Staat een dag later).
18 september – Gerardus Houssart, zoon van Matthijs, oud 16 jaar, overlijdt 19 september (oproep Turk en overlijden staan genoteerd op 17 september).
19 september – kind van Arnuldus Mientjes, 1½ jaar (onder behandeling van Vislaak). Ze wordt de 24e hersteld verklaard (op de Staat de 29e).
MAARSSENBROEK blijft (verder weg van de rivier) grotendeels gespaard van de cholera. Hier wordt dokter Vislaak op 16 september bij de huisvrouw van Harmen Duikersloot, landvrouw, geroepen. Een dag later wordt zij al hersteld verklaard.
Als wij naar onze buurgemeente Breukelen kijken, dan schijnt men daar gespaard te zijn gebleven voor de epidemie, want de ene dode en enige patiënt die daar genoteerd staat, is Hendrik Oudenrijn, schipper, oud 42 jaar, maar deze patiënt komt uit Schalkwijk.
In augustus en september 1832, als de cholera weer de kop opsteekt, gaat de ziekte aan Maarssen voorbij en slaat dan in Breukelen extra hard toe: in Breukelen St. Pieter en Breukelen Nijenrode worden 33 mensen aangetast, waarvan er maar liefst 18 overlijden.
1848/49: geen verbetering
In deze periode wordt Maarssen weer bezocht door de gevreesde ziekte en nu zenden de geneesheren Turk en Vislaak (dezelfden als achttien jaar daarvoor) regelmatig verzamelstaten der opgenomen, herstelde en overleden patiënten naar de gouverneur der provincie Utrecht.
Deze verzamelstaten zijn helaas niet volledig bewaard gebleven, maar uit de onvolledige gegevens is wel op te maken, dat de ramp groter was dan in 1832. Over de maanden november/december 1848 wordt door de beide dokters melding gemaakt van 27 mensen die werden aangetast, waarvan er 10 overlijden; onder de overledenen bevinden zich 6 kinderen. De overledenen zijn:
Arie Stoker, 7 jaar; Petrus Rikkelman, 3 jaar; Gijsbertus Versteeg, 7 jaar; Willem van ’t Velt; zijn oudste dochter wordt ook aangetast, maar herstelt; Leonardus Aloysius Boegborn, 3 jaar; Jacobus van Odijk; Cornelia Visser, 13 jaar; Sebastianus Stoker, 43 jaar; dochter van E.J. van Doorn; Leentje Fesselhof.
Bij de herstelden komen we de volgende namen tegen: Houssart jr. uit Maarsseveen, wiens vader in 1832 aan de cholera was overleden, Kuyl de Schoenmaker (en zijn dochter) en ene Ketel op Gansenhoef. Dokter Vislaak plaatst bij zijn verzamelstaat de volgende opmerking: ‘Uit dezen staat zal genoegzaam blijken, dat alle lijders… tot de behoeftige klasse behooren.’ Verdere gegevens omtrent het hospitaal en de bestrijding zijn niet voorhanden.
Wel verbaast het mij dat nergens sprake is van opname in dit hospitaal, of zou de opmerking van burgemeester Dolman, dat over het algemeen de mensen liever thuis behandeld worden en daar ook liever hun laatste uren doorbrengen, toch bewaarheid zijn geworden? Dan zou het hospitaal alleen nut hebben gehad voor Ketel van Gansenhoef.
Schijndood
Het is begrijpelijk dat tijdens een periode van grote sterfte de bevolking bang wordt dat er te snel wordt geconstateerd dat de dood is ingetreden en dat, om verdere besmetting te voorkomen, te snel wordt begraven. Verhalen over mensen die levend begraven zijn, zullen dan ook in deze tijd een gewillig oor hebben gevonden. Deze stelling wordt bevestigd door een schrijven van de gouverneur van de provincie Utrecht, F. van de Poll, aan de ‘Stedelijke en Plaatselijk Besturen in de provincie Utrecht’, waarin hij opdraagt ‘dat om tot de vereischte volkomene zekerheid van den dood te geraken, de lijken van aan de cholera overledenen aanvankelijk worden nedergelegd op stroo of op eene matras in een daartoe in de nabijheid van de begraafplaats interigten locaal onder behoorlijk toezigt van iemand, die dezelve bij tusschenpozen bijv. van enige uren zal behoren te bezoeken, en die bij het bespeuren van eenen schijndoode, terstond de middelen, welke in dat locaal moeten voorhanden zijn tot opwekking der terugkeerende levensgeesten zal aanwenden, dat in dat geval ten spoedigste een geneeskundige zal moeten ontboden worden, ten einde hetgeen verder noodig mogt zijn, te beproeven.’
Tot zover mijn schets van de Maarssense reactie op de cholera in de eerste helft van de negentiende eeuw op basis van vrij summier bronnenmateriaal.
Noten
1. M.A. Van Melle. De cholera-epidemie van 1866 in Utrecht. In: Jaarboekje Oud-Utrecht, 1950.
2. M. Godefroi. De Cholera en de Openbare Gezondheidsregeling in Nederland,’s-Hertogenbosch 1866, p.5.
3. Rapport aan den minister van Binnenlandsche Zaken over de desinfectie met betrekking tot de Cholera, uitgebragt door de algemene choleracommissie, ’s-Gravenhage 1866, p.4.
4. Het dorp Maarssen lag toen in de twee gemeenten Maarsseveen en Maarssen. De grens liep in het midden van de Kaatsbaan.
5. Koolzuurhoudend bronwater.
6. Haverdegort of havergort: pap van gepelde haver.
7. Archief Provincie van Utrecht, inv.nr. 8798. Brief van 7 augustus 1832.
8. Archief Provincie van Utrecht, inv.nr. 1291. Brief van 18 augustus 1832.