48e jaargang (bladzijde 15) nr.1 / IN: Periodiek HKM
Ten zwaarde verwezen
Jos Odekerken
Hoe werd enkele eeuwen geleden in de Vechtstreek recht gesproken? Was er sprake van een vaste procedure in geval van een misdrijf of verschilde de rechtsgang per gemeente? Hoe kwamen rechters tot hun oordeel? 1) Het aantal misdrijven in de Vechtstreek was in de periode 1500-1800 gering. 2) Daar waar een misdrijf werd gepleegd, moest het lokale bestuur ingrijpen. Deze bijdrage beschrijft een zeventiende-eeuwse procesgang in een geval van doodslag in Breukelen in 1687. Duidelijk wordt dat bestuurders en rechters gestructureerd te werk gingen en snel handelden. De goede vastlegging van de toedracht van deze zaak maakt een nauwkeurige reconstructie mogelijk van wat plaatsvond.
Leven in de herberg
In de tweede helft van de zeventiende eeuw stelde de bebouwing van het dorp Breukelen niet veel voor. Ten zuiden van de Danne, tussen de Dannestraat en de Straatweg, stonden enkele panden in de onmiddellijke nabijheid van de oevers van de Danne. Aan de westkant lagen twee gebouwen, in 1688 beide eigendom van de eigenaresse van herberg De Croon, weduwe van de omgekomen herbergier Cornelis Arisz. Bosch. Haar herberg lag ten noorden van de Danne, tussen de Dannebrug en de Achterstraat, waar nu Taveerne De Danne gevestigd is.
Hoe zag het leven eruit in zo’n dorpsherberg? ’s Zomers kon er overdag verpoosd worden op een bankje buiten of een eenvoudige maaltijd besteld worden in de schaduw van een pergola Na het avondeten werd er gewoonlijk een goed glas bier of, voor de welgestelden, wijn. geschonken, er werd gemusiceerd en gezongen. Kaartspelen zoals pokeren en het tric-trac spel, een bordspel met schijven, waren populair. Gemoederen raakten bij tijd en wijle verhit en bij vechtpartijen moest de waard tussenbeide komen. Gasten dienden ’s avonds voor het naar bed gaan hun wapens bij de waard in te leveren.
Het houden van een herberg was een beroep dat in de zeventiende eeuw door een vrouw kon worden uitgeoefend. Een waard die zijn beroep goed uitoefende, kon rekenen op het respect van zijn medeburgers, zodanig zelfs dat in sommige steden zijn getuigenis even zwaar woog als die van twee burgers tezamen.
De herbergier
Binnen zo’n kleine dorpsgemeenschap mag de rol van de herbergier niet worden onderschat. Een goede waard was de steun en toeverlaat voor zijn gasten. Bovendien hield hij een waakzaam oog op wat er zoal in het dorp voorviel. De herberg was een populaire locatie voor vergaderingen en het sluiten van zakelijke transacties. De plaatselijke drost, ook wel drossaard of schout genoemd, liep elke dag wel even de herberg binnen om een blik in het gastenboek te werpen om te zien wie er zoal als passanten het dorp aandeden. De drost was de vertegenwoordiger van de landsheer en stond in sommige gewesten onder een hogere rechter. In steden was hij de voorzitter van de schepenbank.
De moordzaak
De genoemde herbergier Bosch was geen natuurlijke dood gestorven. In een aflevering van het Bulletin Stichting Vriendenkring Kasteel Amerongen komen we een onderzoek tegen waaruit op te maken valt dat genoemde herbergier op 30 maart 1687 was overleden aan de messteken die hij de avond tevoren in zijn eigen herberg had opgelopen.
Een moord op de plaatselijke herbergier had in die tijd een grote impact. Een dergelijk vergrijp tastte het rechtsgevoel aan van alle dorpelingen en werd beschouwd als een directe bedreiging van de collectieve veiligheid. Bij kroegruzies speelden in het algemeen alcohol en ‘mannen-eer’ een niet te onderschatten rol. Dat zal ook in deze Breukelse moordzaak het geval geweest zijn. Bij de aanslag waren getuigen aanwezig geweest die gezien hadden dat hun dorpsgenoot Jan Gerritsz. Spijcker de herbergier met een mes te lijf ging. Pas later hoort messentrekker Jan dat de herbergier aan zijn verwondingen is overleden. Hij neemt spoorslags de benen. In Amerongen zoekt hij zijn toevlucht in de herberg van Jan van Os. De rechtelijke macht in Amerongen viel aldaar onder de heer van Amerongen, Godard van Reede (1644-1703), een man met een internationale faam. Van Reede was niet alleen luitenant-generaal in het leger van stadhouder Willem III, maar ook generaal in dienst van het koninkrijk Engeland, waar Willem III een jaar later de troon besteeg.
In Amerongen wordt op 1 april direct actie ondernomen. Dit resulteert in de arrestatie van Jan Spijcker door drost Jan Wilbrennink. De verdachte wordt vervolgens op 2 april in het raadhuis van Amerongen gevangengezet.
De heer van Amerongen en zijn drost
Een heer bezat de bestuurlijke maar ook de rechterlijke macht in zijn heerlijkheid. Uit de inwoners benoemde hij het rechtsprekende college, de schepenen. De schepenen velden het vonnis en traden dus als rechter op. Zij vormden in de regel ook het bestuur. Schepenen zijn in die hoedanigheid te vergelijken met de huidige wethouders. Er was dus in die tijd, in tegenstelling tot nu, geen scheiding tussen de bestuurlijke, rechterlijke macht en, zoals we hieronder zullen zien, uitvoerende macht.
De heer had het recht de schepenbank voor te zitten en het vonnis ten uitvoer te laten brengen. Hij kon deze taken delegeren aan een plaatsvervanger, in casu de drost. Via de drost inde de heer de boetes die voor overtredingen betaald moesten worden. Dit was destijds de situatie in Amerongen, waar in 1687 Johan Wilbrennink de functie van drost vervulde.
De drost, of drossaard, was de hoogste ambtenaar in de schepenbank. Hij was de rechtsprekende vertegenwoordiger van zijn kasteelheer. Hij moest ervoor zorgen dat de schepenen geregeld vergaderden. Het was zijn taak misdadigers op te sporen en voor de schepenbank als aanklager op te treden. Samen met de schepenen vormde hij het dagelijks bestuur van de gemeente. Hij was ook het hoofd van de politie. Het ambt van drost was een lucratieve investering en werd dan ook bij opbod aan de hoogste bieder verkocht. Een bekende naam is P.C. Hooft (1581-1647), drost van Muiden en destijds aangesteld door de burgemeesters van Amsterdam met onder andere als taak de toegang tot de Vecht te bewaken.
Het vooronderzoek
Uit wat volgt, blijkt hoe zorgvuldig en snel men in die tijd te werk ging. Het misdrijf was gepleegd in Breukelen en viel daarom in eerste instantie onder de jurisdictie van het Hof van Utrecht. Om deze reden ging de drost meteen, al op 3 april, van Amerongen naar Utrecht om daar te overleggen over hoe nu verder te handelen. Het Hof in Utrecht was op dat moment al volledig op de hoogte van het drama dat zich had afgespeeld. Men was reeds op 31 maart met de schuit op weg gegaan om in Breukelen een onderzoek in te stellen. De volgende functionarissen waren bij dit onderzoek betrokken: de raadordinaris François van Bergen, de procureur-generaal Mr. Willem Schade en de substituut-officier Willem Vastrick. Bovendien waren nog twee medici meegereisd: Henrick van Wou en chirurgijn Johan van Oostrum. In korte tijd hadden zij getuigenverklaringen opgenomen en een lijkschouwingsrapport opgesteld. Ondanks al dit voorwerk bleek het Hof bij monde van de procureur-generaal bereid de verdere procesgang aan het Amerongse gerecht over te dragen, maar dan moest men daartoe wel een officieel verzoek indienen. Aldus geschiedde. Nog dezelfde dag kreeg de secretaris van het gerecht de opdracht om dit verzoek op te stellen.
De ondervraging
Op 4 april worden alle betrokkenen opgeroepen om aanwezig te zijn bij de ondervraging van de verdachte. Als getuigen zijn opgeroepen Cornelis van Woudenberch, barbier en chirurgijn van beroep, en Jan Gertsen, kleermaker. Schoenmaker Jan Spijcker, 36 of 37 jaar oud, bekent dat hij de bewuste 29 maart de gehele dag in herberg De Croon heeft rondgehangen. In de loop van de dag was er al een conflict geweest en de waard had Jan de deur gewezen. ’s Avonds was hij weer in de herberg teruggekeerd. In zijn zak had hij een mes waarmee hij de herbergier te lijf was gegaan en hem in het gezicht had verwond. Hij kon zich niet meer herinneren dat hij de waard ook in het lichaam had gestoken. Wel gaf hij toe op 31 maart te zijn gevlucht toen hij had gehoord dat de herbergier aan zijn verwondingen was bezweken. Bovendien bekende hij dat hij al enkele maanden eerder ook al eens een herberg was uitgewerkt. Erger nog: in het naburige Harmelen had hij eerder zelfs iemand ‘de beck opengesneden.’ Hij was toen wel in Utrecht in hechtenis genomen, maar het was allemaal met een sisser afgelopen omdat hij zich op dronkenschap beriep.
Overige getuigenissen
Op 5 april arriveren de ‘informatieën’ uit Utrecht in Amerongen. Deze bevatten de getuigenverklaringen van barbier/chirurgijn Cornelis van Woudenberch en van twee stamgasten, Jan Gertsen en Griet Jans. Ook het rapport van de lijkschouwer is bijgevoegd, waarin deze verklaart dat de herbergier aan een wond in de borst was gestorven. Met deze informatie in de hand wordt Jan Spijcker nogmaals ondervraagd. Hij geeft toe dat de twee mannelijke getuigen inderdaad in de kroeg aanwezig waren toen hij zelf als een beest te keer was gegaan. Hij had uitbater Bosch voor dief uitgemaakt en hem ervan beschuldigd dat hij ‘twéé voor één’ schreef, met andere woorden een te hoge rekening had uitgeschreven. Verder had hij al vloekend de waard bedreigd. Die had hem weer naar buiten gewerkt. Jan was teruggekeerd, had één schelling (één vijfde van een daalder) voor zijn gelag betaald en was weer gaan zitten. Hij kon zich niet herinneren dat hij opnieuw was gaan vloeken en tieren. De waard zou hem toen zijn aangevlogen en dat nog wel met een mes in zijn hand. Daarna had de waard zich al schreeuwend dat hij gewond was, in een binnenkamertje teruggetrokken. Dat Jan ook geprobeerd had de aanwezige chirurgijn Woudenberch een jaap met zijn mes te verkopen, kon hij zich niet herinneren. Ten overvloede: het rapport vermeldt dat Jan Spijcker deze bekentenissen deed ‘buiten pijn en banden’, met andere woorden, niet afgedwongen door foltering maar uit vrije wil.
De chirurgijn (ook wel ‘heelmeester’) was een medisch behandelaar die zich met name bezighield met uitwendige kwalen. Het vak van chirurgijn kwam voort uit het werk van de barbier. Anders dan doctoren hadden chirurgijns geen universitaire opleiding genoten. Zij hielden zich onder meer bezig met aderlating, verzorgen van wonden, bereiden van zalfjes, kruidenaftreksels en laxeermiddelen maken en het behandelen van botbreuken. Had de chirurgijn een achtergrond als barbier, dan kon men bij hem ook terecht voor een knip- of scheerbeurt. Wie chirurgijn wilde worden, moest eerst enkele jaren als leerling meelopen met een erkende meester en daarna nog enige tijd als gezel.
De eis
Op 6 april komt het hof in Amerongen bijeen om de strafeis van drost Johan Wilbrenninck te vernemen. Deze luidt: de doodstraf met het zwaard en een ‘amende’ (boete) van f 80,00 (plus de kosten van het proces) wegens manslag met een mes op de herbergier Cornelis Arisz. Bosch op 29 maart 1687 te Breukelen. De eis werd ook medebepaald door ‘de geschiedenis van vuiligheden’ van de verdachte en het feit dat hij al eens te Utrecht ten exempel (tot voorbeeld) was geweest.’ De veroordeelde had een strafblad en daaraan werden consequenties verbonden.
Het advies
Hoe zorgvuldig men ook nu weer te werk ging, moge blijken uit het feit dat het gerecht van Amerongen besluit aanvullend advies van rechtsgeleerden in te winnen. Twee dagen later adviseren de Utrechtse advocaten Van Cleef en Schagen de doodstraf met het zwaard uit te voeren:
1 Zij achten bewezen dat de herbergier ongewapend was en geen aanleiding had gegeven. Hierop staat de doodstraf.
2 De Breukelse chirurgijn en de latere lijkschouwing geven aan dat de meswond de doodsoorzaak is geweest, dus moet dit als bewezen worden aangenomen.
3 De doodstraf is de ‘gebruikelijke’ straf voor een dergelijke daad.
4 Ook de goddelijke wetten eisen deze straf.
Bij elk punt werd verwezen naar relevante teksten in de juridische verslagen, ‘ordonnanties’ en de Bijbel. 3) De heer van Amerongen werd door het Amerongse gerecht direct op de hoogte gesteld van dit advies.
Het vonnis: ‘ten zwaarde verwezen’
Nadat de heer van Amerongen zijn goedkeuring heeft uitgesproken over het advies, spreekt de schepenbank op 9 april het vonnis uit.
Het beraad van de schepenen voerde soms tot pittige discussies. Bij gebrek aan vastlegging van het strafrecht in een Wetboek van Strafrecht zoals wij dat vandaag kennen, waren de schepenen aangewezen op uiteenlopende rechtsbronnen. 4) Deze konden variëren van de Bijbel en de Romeinse rechtstraditie tot het Rooms-Hollands recht. Een en ander kon een bont scala aan straffen opleveren. In 1707 stond in Amsterdam scheepstimmerman Andries Cornelisz terecht voor bigamie. Vanwege drie gelijktijdige huwelijken werd hij te kijk gezet op het schavot met drie rokken om zijn hals en een papier op zijn borst, waarop de delicten waren beschreven. Daarna volgde een geseling, zes jaar tuchthuis en verbanning uit de stad voor zes jaar. In een andere stad was men in een soortgelijk geval vermoedelijk tot een andere strafmaat gekomen.
De Breukelse gevangene werd na zijn vonnis overgebracht naar de plaats waar men gewoon was ‘capitale justitie’ te doen, om aldaar op publiek schavot met het zwaard geëxecuteerd te worden tot de dood erop volgt. Het vonnis, ten zwaarde verwezen, werd opnieuw ter beoordeling aan de heer van Amerongen voorgelegd. Deze bekrachtigde het door de secretaris de opdracht te geven de uitspraak nogmaals te ondertekenen, nu in zijn naam.
De executie
De executie werd binnen twee dagen door de drost geregeld. Hij was op 7 april al met de burgemeester van Amerongen naar Utrecht geweest om met de scherprechter (beul) te praten. Nu worden er twee brieven verstuurd: één naar de schout van Utrecht met het verzoek de beul toestemming te verlenen om op 12 april naar Amerongen te gaan voor de executie van Jan Spijcker en één naar de beul zelf met de mededeling dat toestemming was aangevraagd en dat hij op 12 april met de wagen opgehaald zou worden. De volgende dag werd de gevangene door de drost de dood aangezegd en de wagen alvast naar Utrecht gestuurd. Timmerman Gerrit van Garderen kreeg de opdracht in één dag het schavot en de doodskist te vervaardigen.
Op 12 april om 10.00 uur arriveert de scherprechter met zijn twee assistenten in Amerongen. Nadat de dorpschirurgijn het haar van de gevangene had geknipt, is ‘… eijndelijck … d’executie nae driemael ’t klockje vant Raethuijs een quartier urs na den anderen geluijt hebbende volbracht’. Daarop bedankt de chirurgijn van Breukelen uit naam van zijn gemeente de drost en het gerecht voor ‘… ’t goede soo na ziel als na lichaem aen de patient bewesen …’ en verzoekt de veroordeelde te mogen begraven.
De kosten
Hoewel dit proces volgens de ‘extra-ordinaire’ procedure werd gevoerd en daarom zeer snel verliep, was het toch een duur proces. De executie zelf bracht hoge kosten met zich mee. De kosten voor de onthoofding bedroegen f 60,-. Het gerecht nam alle arrestatie- en detentiekosten voor haar rekening, evenals die voor het juridisch advies en voor het timmermanswerk; in totaal f 79,- en 16 stuivers. Van de overige kosten ontving de drossaard ongeveer de helft (f 51,-) van de Vrouwe van Amerongen.
Nabeschouwing
Deze procesgang toont aan dat destijds de hoge rechtsmacht in handen was van, in dit geval, de Heer van Amerongen. De drost trad wel in zijn naam op, maar deed niets zonder overleg en toestemming van de heer. Ook de mogelijkheid om, wat sinds 1662 mogelijk was, de volledige juridische bevoegdheid van de overheid lokaal uit te mogen oefenen, speelde een rol. Dit woog blijkbaar op tegen de hoge kosten ervan, want Spijcker werd immers niet overgedragen aan het Hof van Utrecht. De belangrijkste strafzaak in de geschiedenis van de heerlijkheid Amerongen, en zijdelings in die van Breukelen, werd aldus één van de kortst durende processen: twee weken nadat in Breukelen een herbergier dodelijk werd verwond, werd in Amerongen de dader geëxecuteerd. Weduwe Gerrigje Dirksen de Witt huwde het jaar daarna op 26 augustus 1688 met Jan Jansz. van der Horst. Herberg De Croon had nu weer een herbergier. Het recht had zijn loop gehad. In Breukelen keerden orde en rust weer.
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op archiefstukken betreffende Amerongen uit het archief van de Dorpsgerechten 1515-1813 (arch.nr. 64) in het Regionaal Historisch Centrum Zuidoost-Utrecht (RHC ZOU).
2. Zie in dit Periodiek het artikel van Wally Smits, Criminaliteit in Stichtse Vecht (1530-1811) Deel 1.
3. Zie Ordonnantiën der stad Utrecht, rubriek van Doodtslagers, artikel 2.
4. De codificatie van onze wetboeken kwam pas onder Napoleon (1769-1821) tot stand.