400
700
900
Criminaliteit in Stichtse Vecht (1530-1811) Deel 1
Smits, W.

Criminaliteit in Stichtse Vecht (1530-1811) Deel 1

48e jaargang (bladzijde 6) nr.1 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Criminaliteit

Plot

Criminaliteit in Stichtse Vecht (1530-1811) Deel 1

Auteur: Wally Smits

In 1530 stelde Keizer Karel V het Hof van Utrecht in. In het volgende artikel, dat uit twee delen bestaat, wordt een beschrijving gegeven van de uitspraken van dit gerechtshof die betrekking hebben op plaatsen die nu in de gemeente Stichtse Vecht zijn gelegen. Deel 1 gaat over uitspraken van het Hof waarbij de veroordeelden er met een boete, een lijfstraf en/of een verbanning vanaf komen. In deel 2 zal de ultieme straf, de doodstraf in al zijn variaties, behandeld worden.

Centraal geregeld
In de Middeleeuwen kende men een bonte mengeling van rechtspraak. De steden waren over het algemeen redelijk autonoom in het opstellen van rechtsregels, de zogenaamde keuren. Wat in de ene stad streng bestraft werd, werd op een andere plek milder bestraft, zodat de term willekeur hier wel op zijn plaats is. Keizer Karel V, die een groot deel van Europa onder zijn gezag wist te brengen en vanaf 1528 het gezag van de Utrechtse bisschop overnam, wilde hier een eind aan maken en een sterk, centraal gezag invoeren. Hiertoe zette hij ook een uniform rechtsstelsel op en bouwde in de stad Utrecht de dwangburcht Vredenburg om de stad duidelijk te maken dat hij het was die de regels bepaalde en die desnoods met geweld zou afdwingen. De lage rechtspraak, die bij de dorpsgerechten bleef, beperkte zich tot civiele zaken en strafbare feiten die met een boete konden worden afgekocht. Sommige plaatsen hadden ook nog wel de hoge jurisdictie. Hier werd op een goed zichtbare plaats een galg opgesteld.
Voor wat betreft de centrale rechtspraak stelde Karel V in Utrecht het Hof van Utrecht in dat recht sprak namens de keizer. Hier kon men ook in hoger beroep gaan tegen eerdere vonnissen of vermindering van straf aanvragen. In de beginperiode van het Hof werden de vonnissen voltrokken bij de Vredenburg en na de verwoesting van dit slot gebeurde dit op het Paardenveld. Dit Hof zou vanaf 1530 dienstdoen en bleef ook na de afzwering van Karel V’s opvolger Philips II, gedurende de hele periode van de Republiek der Verenigde Nederlanden in functie. Het zou tot de inlijving van de Nederlanden bij Frankrijk in 1811, weliswaar dan onder een andere naam, ongeveer drieduizend vonnissen vellen over overtredingen en misdaden in de provincie Utrecht. Na de inlijving werd het Hof opgeheven en kregen we een andere, meer Frans georiënteerde vorm van rechtspraak.
Zo’n tweehonderd vonnissen hebben betrekking op de plaatsen die nu de gemeente Stichtse Vecht vormen.1) In 1998 werd door de Afdeling Utrecht van de Nederlandse Genealogische Vereniging een overzicht gepubliceerd van deze vonnissen, de zogenaamde criminele sententies.2) Dit overzicht is niet alleen voer voor genealogen, maar ook voor ieder die belangstelling heeft voor lokale en nationale geschiedenis. Het overzicht beschrijft een totaal van maar liefst 73 soorten delicten en 54 soorten vonnissen. Hoewel een groot aantal van deze delicten en vonnissen geen betrekking heeft op inwoners van Stichtse Vecht, ben ik van mening dat met de beschrijving van deze regio een representatief beeld geschetst kan worden van bijna driehonderd jaar rechtspraak met de bijbehorende veranderingen in het rechtsbesef.

Indeling
Allereerst moet gesteld worden dat de rechtspraak in de periode van het Hof van Utrecht niet gericht was op verbetering van de veroordeelde en zijn of haar re-integratie in de maatschappij. Het merendeel van de vonnissen was gericht op wraak voor het verstoren van de bestaande of gewilde rechtsorde en diende ook nog eens als afschrikwekkend voorbeeld (exempel) voor de bevolking. Vonnissen werden dan ook in het openbaar voltrokken. Tot verdere afschrikking werden velen bij de ‘Vredenburch’ of op het Paardenveld door wurging, radbraking en/of ophanging ter dood gebracht en daarna ook nog eens naar het Zeister Zand gebracht, waar de dode lichamen opgehangen werden om daar goed zichtbaar tot ontbinding over te gaan. Dit lot trof echter niet iedere delinquent. Het merendeel kwam er met een relatief lichte straf vanaf. In alle gevallen moest de beklaagde opdraaien voor de proceskosten en in wat ik gemakshalve maar de ’Categorie 1’-delinquenten noem, kreeg men ook een geldboete. Dit waren de lichte gevallen, waarin de rechtsorde (vrede) wel geschonden werd, maar dit niet echt als bedreigend werd gezien.
‘Categorie 2’-delinquenten werden veel meer gezien als gevaar voor de rechtsorde en werden dan ook meestal bestraft met openbare lijfstraffen en een bijkomende straf zoals verbanning uit de provincie Utrecht. Bij ‘Categorie 3’-delinquenten was de rechtsorde in ernstige mate verstoord zoals bijvoorbeeld bij moord. Dit leidde onherroepelijk tot één van de vele vormen van doodstraf. Ik zal hieronder de categorieën 1 en 2 verder uitwerken. De derde categorie komt in deel 2 van dit artikel aan de orde. Het kan natuurlijk ook voorkomen dat iemand een delict pleegde dat ik in Categorie 1 plaats, maar daar bovenop ook nog eens een delict pleegde dat in een andere categorie past. In dat geval werd de beklaagde in de hoogste categorie bestraft. De indeling is van mijn hand.

Categorie 1: De boete
In deze categorie vinden we de meeste vonnissen. De lezer is gewaarschuwd. Bij vele vonnissen kan verbaasd worden gereageerd op de betrekkelijk lichte straf. We moeten de vergrijpen zien door de bril van de magistraat en de volkscultuur uit die tijd. Zolang de lieve vrede (rechtsorde) niet verstoord werd, werd er met begrip gekeken naar de verdachte. Het merendeel van de aangeklaagden was van lage komaf en daar golden kennelijk andere maatstaven ten aanzien van wat wel of niet kon dan bij de hogere klassen. Als er dan ook nog een bekentenis via een zogenaamde ‘akte van submissie’ getoond werd, kwam de gedaagde er vaak vanaf met een boete en betaling van de proceskosten.
We beginnen met twee (over een periode van bijna 300 jaar) verkeersboetes. In 1656 had Roeloff Hendricksz uit Loenersloot met ’sijn waegen en peerden op den Amsteldijck … excessen gepleegd’. Welke wordt niet vermeld. Hij kreeg buiten de proceskosten een boete opgelegd van 25 gulden. Bijna 30 jaar eerder (1618) had Anthonis Cornelis Goyerden uit Tienhoven pech. Hij reed met zijn achterwiel over het voorwiel van een andere wagen. In modern Nederlands sneed hij zijn voorganger bij het passeren. Dat zou niet zo’n ramp hoeven zijn, ware het niet dat deze wagen in de sloot terecht kwam en dat de inzittenden een nat pak kregen. Bovendien waren het niet de eersten de besten die in het water vielen, maar de ’maerschalck van Abcoude’ en zijn gezelschap. Anthonis mocht het lieve sommetje van 60 gulden betalen voor zijn gedrag.
Wij hebben tegenwoordig soms de indruk dat ketters toen massaal de doodstraf kregen. Het is al een probleem om het begrip ketter te omschrijven over een langere periode, want vóór 1580 was het katholieke geloof de norm en daarna het gereformeerde. Voor die tijd was je een ketter als je de Reformatie aanhing, maar daarna was het andersom. Als men zich verre hield van geweld of dreiging daarmee, werd ketterij gestraft met een openbare spijtbetuiging en natuurlijk de bekende boete. Dit overkwam in 1561 Anthonis van Doyenburch uit Utrecht, die aangeklaagd werd wegens het lezen van boeken van Luther. In vermoedelijk 1562 werd Anthonia Willemsdochter, die gehuwd was met de Breukelense koster Jan Dircxz veroordeeld wegens ‘heresie’ (ketterij). Zij werd verbannen. De gewelddadige ketters komen we uiteraard tegen in de uitwerking van de categorie 3-delinquenten.
Voor ons huidige rechtsgevoel vallen delicten als plichtsverzuim, verzet tegen de rechterlijke macht en oplichting over het algemeen nog wel onder de categorie lichte vergrijpen. Meer moeite zullen we hebben met de onderstaande delicten.
In 1643 leverde Jan Cor(neli)sz, jonggezel uit Maarssen, een akte van submissie in bij het Hof waarin hij bekende dat hij Maeychien Eelgis had misbruikt. Als verzachtende omstandigheid voerde hij aan dat, mocht er iets strafbaars zijn aan zijn daad, men toch wel rekening kon houden met het feit dat er van haar ’geseyt wordt niet veel bij haar verstant te weesen’. Hij kwam ervan af met een geldboete en proceskosten. Men zou zeggen dat later in 1800 onder invloed van de Verlichting toch wel iets anders over vrouwenrechten gedacht werd, maar daar heeft de 25-jarige in Breukelen geboren Elizabeth Mettengang weinig van gemerkt. Na de dood van haar moeder woonde ze bij haar stiefvader Jan Wiedeman in Abcoude. Volgens haar zeggen had hij haar wijsgemaakt dat zij konden trouwen en hebben ze geregeld ’vleeschelijk geconverseerd’. Voor dit vergrijp werd ze, zoals alle gevangenen, in afwachting van haar proces ingesloten in het huis Hazenburgh in Utrecht, dat tot 1832 de rechterkant van het Stadhuis was .3) Zij werd voor eeuwig uit stad en land van Utrecht verbannen, dus eigenlijk uit haar sociale milieu verdreven. We zitten hier dus al richting categorie 2, maar nog niet met een openbare strafuitoefening. De vernedering is echter wel duidelijk. Hoe het met de stiefvader afliep, is niet bekend, maar hij hoefde in ieder geval niet voor te komen. Pas in 1809, het Hof sprak nu recht uit naam van Koning Lodewijk Napoleon, werd Jan Vergeer uit Breukelen wegens pogingen tot het plegen van ’onnatuurlijke ontugt en verleiding daartoe van anderen’ gedurende 20 jaar uit het Koninkrijk verbannen. Vermoedelijk heeft deze uitspraak te maken met zijn homoseksuele geaardheid en niet met het ontucht plegen met het vrouwelijke geslacht; vandaar de toevoeging ’onnatuurlijke’.

Als laatste maar in aantal zeker niet het minste komen we bij de ’manslagh’ of doodslag. Dit delict komt honderden keren voor in de sententiën. Ook Stichtse Vecht kreeg zijn portie doodslagen te verwerken. Voor de goede orde moet duidelijk zijn dat bij man- of doodslag geen sprake is van doden met voorbedachten rade. Bij moord is dat wel het geval. Veelal gebeurde dit delict na de consumptie van de nodige hoeveelheden jenever of bier in de plaatselijke herberg. Hoewel de uitslag van de zitting bij het Hof gedurende de gehele periode meestal bestond uit een boete en betaling van de proceskosten, voelden vele verdachten zich toch onzeker en vroegen op voorhand alvast gratie of strafvermindering. Jan Henricx uit Themaat moest in 1547 voorkomen wegens de ’nederslach aen de persoon van Claes Hermans’. Aangezien hij was ‘belast’ met een vrouw en twee kleine kinderen vroeg hij of hij vergiffenis kon krijgen voor zijn daad en een eventuele boete zou kunnen worden kwijtgescholden. Dit verzoek werd niet gehonoreerd. Het bleef dus bij een boete en het betalen van de proceskosten. Opvallend detail is dat onder de aanwezigen in het huis (herberg) van Peter Dircks in Breukelen, waar de doodslag plaatsvond, ook de ’orgelist’ van de kerk te Breukelen was. Zelfs Jan Aertsz, een arbeider uit Maarssen die Jacob Gerritsz in 1570 bij een ruzie nota bene met een bijl doodsloeg, kwam er via een gratieverzoek vanaf met het standaard vonnis.
Als voorbeeld dat lokale historici uit deze bronnen toch weer een klein stapje verder kunnen komen met hun onderzoek naar hun geschiedenis moge het proces van 7 april 1584 dienen. Rijk Govertsz was gedaagde in alweer een proces over messentrekkerij waarbij Claes Henricxs Boschman het leven liet. Die Boschman werd afgeschilderd als een notoire ruziezoeker en Rijk kwam met een boete en betaling van de proceskosten als vrij man weer naar buiten. Voor de huidige molenaars in Vreeland is een interessant detail dat de oorzaak van alle ellende een bijeenkomst was in de herberg van Aert Willemsz. Deze bijeenkomst was ’omme een omslach te maecken van zekere ongelden voor onkosten aen de moelen aldaer.’ Vreeland had in 1584 dus al een molen. Of dat een water- of een korenmolen was, vermelden de stukken niet.
Beroerder zag het eruit als het een combinatie van strafbare feiten werd. Dat ondervond Jan Gerritsz alias Jan de Guyt, die nota bene op Palmzondag in 1583 ’zijn beste gedaen heeft omme te vercrachten eene Weyntgen Reyers dochter te Breuckelen’. Hij had in Ter Aa ook al iemand mishandeld en was in het huis (herberg) van Jasper de Lazarus in Loosdrecht eveneens gewelddadig geweest. Dat vond het Hof toch wel te gortig. Hij zou ’geëxecuteerd …worden mitten zweerde ende zijn lichaam geset … worden op een rat ende thooft op een staeck andere ten exempel’. Hetzelfde lot onderging Cornelis Cornelisz Poel die in 1592 Gijsbert Petersz in het dorp Maarssen ’een seer leelicken dootslach’ had toegebracht. Deze wreedheid tolereerde het Hof ’wesende een feyt nyet te lijden ofte gedogen in landen van justitie’ niet en ook zijn hoofd viel door het zwaard. Het was dus niet op voorhand aan te nemen dat een ordinaire kroeg- of kermisruzie met een sisser zou aflopen. Als er ook maar iets meer te verwijten was, bijvoorbeeld een combinatie met inbraak of meerdere delicten, zat je al snel in de categorie 2 of 3.4)

Categorie 2: De openbare vernedering
Deze groep veroordeelden moest niet alleen de kosten van het proces betalen, wat zo’n beetje standaard was, maar werd bovendien nog eens ten overstaan van ieder die dat wilde zien (en wie wilde dat niet in die tijd) in het openbaar gegeseld en vervolgens verbannen: in het begin uit Stad en Lande van Utrecht, maar ten tijde van de Republiek ook nog eens uit Zeeland, Holland en West-Friesland. Iemand uit Delft kon door het Hof dus ook nog eens uit zijn eigen gewest worden verbannen. De andere gewesten, over wier inwoners vele sententiën over landloperij handelen, worden niet genoemd. Landloperij (vooral in de achttiende eeuw), diefstal/inbraak, verlating/bigamie, smokkelarij en in 1787-1789 ook nog eens de patriottische coupplegers vielen hieronder, maar ook mensen die in de zestiende eeuw ter dood gebracht zouden worden, maar in later eeuwen milder werden bestraft.
Veroordelingen wegens landloperij, waar er honderden van waren, kwamen het meeste voor. Duitsers, Belgen, Engelsen, maar ook honderden inwoners van andere gewesten, werden in het openbaar gegeseld en ook nog eens gebrandmerkt en vervolgens verbannen. Omstreeks 1550 werd ene Jorijen uit Piernacken, dat ergens in Klein Azië scheen te liggen, wegens landloperij gegeseld en verbannen. Bovendien werd hij verminkt. Of dat de toenmalige benaming is voor brandmerken haal ik niet uit het vonnis. Saillant detail is dat als woonplaats Klein Egypte wordt genoemd. Niet alleen mensen van buiten het gewest werden wegens landloperij verbannen. In 1551 werd Willem Henricxz alias Joncbloet uit Loenen wegens landloperij verbannen uit het land van Utrecht. Aangezien hij er ook nog een veroordeling wegens diefstal bovenop kreeg, zal dat wel de aanleiding voor de verbanning zijn geweest.
Na de val van Antwerpen vluchtten vele rijke en ontwikkelde Zuidelijke Nederlanders naar het noorden. Dankzij hen kon Amsterdam groeien en ontstond de Gouden Eeuw. In hun kielzog trokken ook andere elementen naar het noorden, aangelokt door de groeiende welvaart. Zij wilden ook een graantje meepikken. Als ze gepakt werden voor landloperij, volgde steevast openbare geseling, brandmerken en verbanning. In 1605 onderging Hans Jansz uit Gent (België) dit lot. Hij was lid van een bende van maar liefst 63 man, en vormde dus waarlijk een bedreiging van de vrede op het platteland. De Noren Jacob en Benedictus Jansz mochten in 1615 van geluk spreken dat zij als recidivisten slechts gegeseld en gebrandmerkt werden. Zij hadden bij de waard Adriaen Andriesz uit Zuylen ingebroken en werden veroordeeld wegens landloperij, inbraak, insluiping en ook nog eens bedreiging. Met zo’n stapeling van delicten zat men al snel in categorie 3.

Gedurende de rest van de zeventiende eeuw blijft het opvallend rustig met de veroordelingen wegens landloperij, maar in Boek 10 van de criminele sententiën, dat loopt van 1710 tot en met 1738, komen we weer vele veroordelingen tegen. Er heerst een enorme economische crisis en dat heeft natuurlijk zijn weerslag op velen die hun inkomsten zagen verdwijnen. Bedelen mocht slechts als je een speciale vergunning had en zonder vergunning werd men opgepakt wegens landloperij. Het waren echter niet alleen gelukszoekers uit andere gewesten of landen die het platteland en de stad Utrecht onveilig maakten. De 20-jarige Benjamin Fransz uit Tienhoven werd in 1706 na een openbare geseling ook verbannen uit Utrecht, Holland en Zeeland omdat hij ondanks een gezond lichaam (dat verwijt komt men standaard tegen bij processen wegens landloperij) ’ten platte lande hebben loopen schoyen ende vagebonden’. Hij kreeg bovendien voor de voeten geworpen dat hij tijdens de kerkgang in Abcoude ingebroken had.

Bij inbraak of diefstal zien we dat in de achttiende eeuw steeds meer veroordelingen tot het tuchthuis plaatsvinden. Men probeerde de mens toch wat meer te verbeteren door deze te leren werken, bijvoorbeeld in het spinhuis. Opvallend is wel in een aantal gevallen dat men tot het tuchthuis veroordeeld werd voor bijvoorbeeld een periode van twee jaar en dat men na vrijlating alsnog verbannen werd. Re-integratie in de maatschappij werd wel nagestreefd, maar dan wel elders. Zelfs in de verlichte achttiende eeuw had het Hof weinig clementie met de 17-jarige Groningse Cornelia Drost, die in 1781 ’jegenwoordig gevange op den huyze van Hasenberg, buiten pijn en banden van ijzer den Hove van Utrecht bekent ende beleden heeft’ dat ze gestolen had toen ze als dienstmeid bij David Brandon Belmonte in Nieuw-Maarsseveen op de drie kinderen paste, terwijl meneer en mevrouw weg waren. De uitdrukking ’buiten pijn en banden van ijzer’ komen we gedurende de gehele periode van het Hof tegen. Dit zou kunnen betekenen dat de martelwerktuigen in de kelders van het huis Hazenberg meer een afschrikwekkende werking hadden, dan dat ze daadwerkelijk gebruikt werden. Dit is echter onjuist, want er werd wel degelijk gemarteld. Dat was ook het geval in de zaak van Cornelia. Zij bekende, na voorafgaande marteling, dat zij stiekem naar zolder was gegaan en uit een la allerlei textiel had gestolen. Uit een kabinet op de ’toesolder’ heeft ze ook nog eens een grote hoeveelheid zilverwerk en geld gepakt. ’s Avonds probeerde ze via Zuylen met de boot naar Amsterdam te komen, maar dat lukte niet. Zij werd niet in het tuchthuis geplaatst, maar ’geschavotteert en gegeeselt’. Ze werd niet verbannen, maar dat lijkt me in dit geval ook niet nodig geweest. Ze kon het werken in het rijke westen toch wel vergeten na dit gedrag. Ook in de Franse tijd in 1804, toen het Hof recht sprak namens het Bataafsche Volk, werd de in Maarssen wonende Jan Steven Bleumen wegens diefstal gegeseld en verbannen.
Opvallend weinig veroordelingen vonden plaats wegens bigamie of verlating van vrouw en kinderen. Maar als je voor het Hof moest verschijnen, zoals Jan Roelofsz uit Vreeland, die getrouwd was en vader van twee kinderen, stond je wel voor (schand)paal. Hij werd in september 1605 na openbare geseling ook nog eens aan de schandpaal gebonden en vervolgens verbannen.
Belastingontduiking was riskant. Dat ondervonden vele smokkelaars. Zij haalden uit Holland jenever en brandewijn en verkochten die in de provincie Utrecht zonder daar impost, (accijns, belasting) over te betalen. De voorbeelden komen uit de achttiende eeuw. In 1710 werd Herman Claessen de Jongh, geboren in het Noordeinde van Portengen, veroordeeld tot een boete van 250 gulden. Hij zat vanaf 1704 in de illegale drankhandel, ’sluyken’ staat in het vonnis, vandaar de naam sluikhandel. Hij zou bovendien worden ‘geschavotteerd’ en gegeseld, maar om duidelijk te maken wat zijn misdrijf was, werd er ook nog eens een tonnetje boven zijn hoofd gehangen. Daarna werd hij voor acht jaar verbannen uit stad en lande van Utrecht. De 34-jarige Utrechter Mattheus Bordon is voor ons interessant, en dat niet alleen omdat hij met garden en flessen om zijn hals en ook nog eens met een bordje op zijn borst met de tekst ’dit is een smokkelaar’ zijn straf mocht ondergaan. Hij is ook interessant, omdat hij zijn brandewijn en jenever uit Tienhoven betrok en omdat de inkoop en verkoop van zijn smokkelwaar vermeld wordt. Hij had in Tienhoven vijf mingelen jenever en drie mingelen brandewijn gekocht voor de prijs van vier stuivers per mingelen voor de jenever en ik vermoed voor de brandewijn zes stuivers, aangezien hij de jenever voor acht stuivers doorverkocht en de brandewijn voor twaalf stuivers: 100 % winst dus. Als we weten dat een mingelen een kruik is van ongeveer 1,2 liter en die weer bestaat uit acht mutsen, 0,15 liter per muts dus, dan kan ik me voorstellen dat een slaapmutsje jenever of brandewijn ook spoedig leidde tot diepe slaap, want 0,15 liter jenever is genoeg voor drie huidige borrelglazen. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat na de consumptie van een aantal glazen jenever of brandewijn met die inhoudsmaat in de herberg alle remmen losgingen en het aantal vechtpartijen met dodelijke afloop zo hoog was.
Tijdens de rechtszaken over doodslag wordt vaak vermeld dat men jenever of brandewijn had gedronken; nooit wordt bier als ’verzachtende’ omstandigheid genoemd. Als voorbeeld dat het taalgebruik van het Hof volgens onze normen toch wat grof kan overkomen, mag de zaak van de 67-jarige Maarssense smokkelaar Cornelis Janszen van Parsum dienen. Ook hij werd in 1746 ‘geschavotteerd’ met een bordje ‘smokkelaar’ op zijn borst en glazen om de hals. Bovendien werd hij voor eeuwig verbannen. Het Hof verweet hem ’dat hij gevangene in plaats van door een eerlijken arbeid de kost te winnen, zijn vuyl gewin heeft gesogt in het sluyken van sterken dranck ende ten huyse van de tapper te brengen’. Duidelijke taal.

De laatste groep die in deze categorie geplaatst kan worden wat betreft de Vechtstreek, bestaat uit de patriotten, die in de jaren tachtig van de achttiende eeuw het bewind van stadhouder Willem V ondermijnden in hun streven naar meer democratie. Deze groep, die in eerste instantie bestond uit aristocraten en burgers maar spoedig veelal alleen uit de burgerij, vond in 1787 de tijd rijp voor een coup. Deze mislukte jammerlijk dankzij het ingrijpen van de zwager van Willem V, de koning van Pruisen, waarop vele patriotten naar Frankrijk vluchtten.5) In Utrecht werd door het Hof pas in 1789 afgerekend met deze rebellen. Een groep van 29 notabelen, waaronder erg veel met de meestertitel, werd door het Hof berecht. De meesten werden veroordeeld tot betaling van de standaard proceskosten, ontslag uit hun openbare functies en verbanning uit Utrecht, Holland en Zeeland. Bovendien werden al hun goederen geconfisqueerd.
Het kan echter verkeren. Ruim zes jaar later waren de bordjes verhangen en volgde voor deze mensen eerherstel. In 1795 brak immers voor de opgeheven Republiek de Franse tijd aan. De Maarsseveense patriottische notaris en schout Marten van den Helm vreesde dat dit lot hem ook zou treffen en besloot een brief naar het Hof te schrijven waarin hij om abolitie (gratie/strafvermindering) vroeg. Hij ging wel diep door het stof. Termen als ’zeer ootmoedig biddende’ en ’gratie zouden gelieve te bewijzen’ geven toch wel aan dat hij het ergste vreesde. Hij was echter niet met de manschappen van het vrijkorps van Maarsseveen en Maarssen met de schuit naar Utrecht gegaan, maar apart met zijn ‘chaisse’, alsof dat een verzachtende omstandigheid was. Bij de Weerdpoort had hij de mannen als ’commandant onder zijn geleide’, de stad ingeleid. Zijn verdediging viel in goede aarde, zo belangrijk was hij kennelijk ook weer niet en hij kwam ervan af met een boete van slechts 300 gulden. Sterker nog, hij kon van ’onze gratie en abolitie in alle des zelfs inhouden, rustelijk, vredelijk en volkomelijk … genieten en gebruiken zonder hem ter zake voorsc. eenigen hinder, letsel of moyenisse te doen of laten geschieden’. Geen bijltjesdag voor Van den Helm dus. Hij plaatste zich door zijn verdediging als één van de weinigen in categorie 1. De heer van Loenersloot, mr. Andries Jan Strick van Linschoten, wist voor zijn patriottisch optreden ook abolitie te krijgen. Hij was echter met een boete van maar liefst 14.000 gulden aanzienlijk duurder uit dan de Maarsseveense notaris Van den Helm.

Uit het voorgaande blijkt dat de meeste overtredingen en misdaden bestraft werden met betaling van de proceskosten, een boete, en in zwaardere gevallen lijfstraffen en verbanning. Deel 2 over criminaliteit in Stichtse Vecht in de periode 1530-1811 gaat over de doodstraf, zoals deze tot 1811 door het Hof werd uitgesproken.

Noten
1. Het Utrechts Archief (HUA). Criminele sententies Hof van Utrecht. Toegangsnummer 239-1, inventarisnummers 90-1 t/m 13. De nummers 10 t/m 13 zijn digitaal te raadplegen.
2. Publicatie van Het Rijksarchief Utrecht 1998. Hierin een op meerdere manieren toegankelijk gemaakte inventarisatie van de soorten vonnissen, misdaden, personen, afkomst van deze personen en soms bijzonderheden van deze personen, zoals aliassen.
3. Ingekleurde prent van Dirk Kemink uit ongeveer 1750. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. Twaalf prentjes op één blad, bedoeld om kinderen ervan te weerhouden om het verkeerde pad op te gaan. De tekst erboven luidt als volgt: ’Kinders wilt dees printe leezen, en leert van jongs op kwaad doen vreezen’.
4. Ik sla de zaak van Peter van Dulcken, schout van Maarssen, die in 1651 Peter Willemsz uit Westbroek doodschoot, over omdat Henny van Elk in de periodieken 1, 3 en 4 uit 2001 van de HKM hierover al een uitgebreid artikel heeft geschreven. Het is wel duidelijk dat wat ik in deze bloemlezing slechts aanstip, in bijna alle gevallen kan worden uitgewerkt tot een volwaardig onderzoek/artikel door de betrokken historische verenigingen van de dorpen die nu de gemeente Stichtse Vecht vormen.
5. Voor een uitgebreid artikel zie: Arie de Zwart. Periodiek HKM, augustus en november 2002 en februari 2003.