400
700
900
Een kostelijk geschenk aan Maarssen; een weiland dat altijd groen blijft!
Bob Manten

Een kostelijk geschenk aan Maarssen; een weiland dat altijd groen blijft!

48e jaargang (bladzijde 24) nr.1 / IN: Periodiek HKM


Plot

Een kostelijk geschenk aan Maarssen; een weiland dat altijd groen blijft!

Bob Manten

‘Stel, je hebt een flink stuk grond midden in het dorp Maarssen; een mooi weiland tussen de Klokjeslaan met de villa's, de Diependaalsedijk met buitenplaatsen en woon- en zorgcentrum Maria Dommer. Die ruim twee hectaren hebben al jaren een zeer warme belangstelling van projectontwikkelaars met plannen voor woningbouw met villa's en appartementen, uitbreiding van het zorgcentrum of misschien wel een parkeerplaats voor evenementen. De cheques met miljoenenbedragen liggen klaar voor een handtekening. Wat doe je dan?
Voor dat dilemma stond eigenaar Kees Spelt van het genoemde weiland. 1) Dan zet je natuurlijk je krabbel onder een overeenkomst... maar dan wel met de Stichting Het Utrechts Landschap en dan ook nog om niet! ‘Wat een uniek gebaar van deze Maarssenaar in deze tijd’. Deze openingszinnen van Ed Kamans, de politiek commentator en columnist van de Vecht- Amstel- en Rijnbode (VAR) in zijn bijdrage van 24 september 2020 troffen mij zeer. Een paar pagina’s verder stond een foto van de overdracht van ‘het land van Spelt’ aan de Stichting in de persoon van directeur Saskia van Dockum.
Het nieuwsprogramma Hart van Nederland besteedde 30 september 2020 in hun avonduitzending aandacht aan deze bijzondere gebeurtenis. Na afloop van de opnames in de ochtend maakten mijn vrouw Justine en ik kennis met Kees Spelt jr. en we raakten in gesprek. Daarbij werd het idee geboren in een artikel voor het Periodiek van de Historische Kring Maarssen aandacht te besteden aan de geschiedenis van de boerenhofstede Elsenburg, het ‘land van Spelt’ en de bedoelingen die Kees had met de overdracht van het land. Dit verhaal zou goed aansluiten bij de artikelen in de periodieken van de afgelopen twee jaren waarin over de verschillende aspecten van de verdwenen buitenplaats was geschreven met als hoogtepunt de uitgave in 2020 van het prachtige boekwerk ‘Elsenburg, de verdwenen buitenplaats’, waarin ook het ontstaan van het buitenleven aan de Vecht in algemene zin wordt verhaald. Er is al het nodige speurwerk verricht over de geschiedenis van de boerderij en het weiland. Kees Spelt jr., toen nog wonend in De Bilt, liep al lang te denken over een mogelijke bestemming van de boerderij en het land. Hij schreef daarom in 2001, begeleid door het bureau Albers Adviezen, een historische studie in het kader van een mogelijke herbestemming met de titel ‘Hofstede Elsenburg’. 2) Uit deze studie en andere boeken en documenten wordt in dit verhaal dankbaar geput. 3)

Het weiland in vroeger tijden
Als het land zou kunnen spreken
en je zou vragen naar haar naam,
Zou ze zeggen,
‘Hoogland’.

Dit was de eerste strofe van zijn gedicht dat Kees op 23 september uitsprak bij de overdracht van zijn land aan de stichting. Hoogland of Hooge Land is een oude aanduiding van de grond. De Vecht voerde zand- en kleideeltjes van de Rijn af, waardoor er kleine oeverwallen ontstonden. Bovendien werd een dek van klei afgezet over de nabijgelegen veengronden op momenten dat de Vecht buiten haar oevers trad. Vanaf de twaalfde eeuw ontstond door de opkomst van de steden een toenemende vraag naar landbouwproducten en bouw- en brandstoffen. Het gevolg was een grote ontginning van het boven het grondwater uitgegroeide hoogveen in het achterland van de Vecht. Op de ontgonnen hoogveengronden konden zonder steeds terugkerende bemesting nieuwe akkerbouwgewassen worden geteeld.

Het Hooge land later de Overplaats genoemd
Op de kaart van Balthasar Florisz van Berckenrode uit 1629 is te zien dat het ‘hooge land’ in dat jaar toebehoorde aan Hendrick Goijerden en dat de naam Elsenburg toen verbonden was aan een perceel grond langs de Vecht. Dwars over het ‘hooge land’ liep een ‘voet pat’. De landmeter heeft de kaart niet op schaal weergegeven, waardoor een vertekend beeld ontstaat.
In een volgende kaart ‘Een klein gedeelte van de Heerlijcheit van Maerseveen’ uit 1660, is door ons een gestippeld gebied ingetekend. Het markeert het huidige ‘land van Spelt’ dat toen van 1714 tot 1813 binnen het grondgebied van de buitenplaats Elzenburg lag. Aan de rechterzijde van het gestippelde gebied bevindt zich de huidige Ariënslaan en aan de bovengrens ligt de huidige Zogwetering. Het gebied van het ‘bouwland’ en de ‘weijlanden’ op de kaart, was samen 20 morgen groot. Die grootte is geen toeval. Tot in de zestiende eeuw bleven hoeven van deze middeleeuwse maat van 15 tot 20 morgen bestaan als grondvorm van boerenbedrijven in Holland en Utrecht. Het gebied was in zeven akkers evenwijdig aan de Klokjeslaan ingedeeld. Het bouwland was in 1629 ongeveer 9 morgen groot. Tot het ‘hooge land' werden, vanuit de Klokjeslaan gezien, de eerste vijf akkers gerekend. De laatste twee akkers, gelegen tegen de Ariënslaan, kregen van oudsher de naam ‘Papenakkers’.
Deze twee akkers, ter grootte van 3 morgen, werden in 1658 door de ‘De edele Kerkenraad der kerken van Maarssen’ gekocht van Jac. Cocq de Pineale voor ‘twee duysent ende vijftien gulden ende daer boven noch twee Rosenobels (gouden muntstuk) voor des H. vercoopers Huysvrouwe’. Waarschijnlijk was grondeigenaar Hendrick Goijerden, in 1629 iemand die zelf boerde. In de eerste helft van de zeventiende eeuw ging het goed met de landbouw en nam ook de waarde van de grond toe. Dat bracht later kooplieden en speculanten ertoe de grond op te kopen om die later met winst weer van de hand te doen.
In 1641 werd Johan Huydecoper ambachtsheer van Maarsseveen waarbij zijn grondgebied nog wat werd uitgebreid. De ene helft van zijn gebied kreeg de naam Oud-Maarsseveen en het gebied met daarin het ‘hooge land’ met zijn akkers ging behoren tot Nieuw-Maarsseveen.
Na 1650 komt de klad in de agrarische sector als gevolg van een algemene recessie. Na 1665 werd het eigendom in diverse stukken gesplitst die regelmatig werden doorverkocht. De vierde en de vijfde akker waren leenland van de Staten van Utrecht. In 1659 werd Willem van Zuilen eigenaar en daarna zijn echtgenote Johanna van Snellenberg. Van 1665 tot 1715 werden Joost Janse Broek en na zijn dood zijn vrouw Grietje Jans Otterspoor de nieuwe eigenaren en daarna kocht Theodorus de Leeuw, Heer van Abcoude en tevens koper van de buitenplaats Elsenburg, in 1716 de twee akkers, 3 morgen groot, voor f 1400. Hij verkreeg ook andere akkers en liet op het ‘hooge land’ ofwel de ‘Overplaats’ een Frans classicistische tuin aanleggen met op de plek van ‘het weiland van Spelt’ een ‘Capitaal Bosch met verscheidene Kruis-lanen’. Latere eigenaren laten de tuin herinrichten in Engelse landschapsstijl. Op 25 mei 1810 lieten de toenmalige eigenaren de buitenplaats en de gronden veilen en toen dat niet lukte, werd de buitenplaats gesloopt.

Verkoop van de ‘Overplaats’ in 1813
Willem Huydecoper was eigenaar van de buitenplaats Doornburgh en kocht in 1813 de grond van de Voorplaats van de gesloopte buitenplaats Elzenburg. De ‘Overplaats’ ofwel het bouwland was 9 morgen en 300 roeden groot. Het bouwland werd op 25 september 1813 gekocht door Unico Willem Tutonicus Cazius, grondeigenaar te Utrecht voor een bedrag van 3900 Hollandse guldens. De daarachter gelegen weilanden gingen naar Anna Elizabeth Hooft. Cazius en zijn vrouw verkochten de grond een half jaar later door voor f 4500 aan Gerrit van Schaik, landman en woonachtig in Zuilen. Vervolgens kwam het in handen van Hannes van Seldenrijk die het in 1823 legateerde aan Gerardus van Nooij, aartspriester van de Rooms-Katholieke Gemeente te Maarssen. Na zijn dood in 1832 werd de ‘Rooms Catholijke Kerk’ van Maarssen tot 1866 de eigenaar. Jonkheer Mr. Joan Huydecoper, bewoner van Goudestein, wilde de ‘Overplaats’ graag hebben om het gebied aan te laten sluiten bij zijn bezit Doornburgh. Hij ruilde een perceel van zijn grond nabij de huidige rooms-katholieke begraafplaats aan de Straatweg voor de ‘Overplaats’ met bijbetaling van f 21.700. Hij liet daar de boerenhofstede Elsenburg bouwen.

Oplevering van de boerenhofstede
De bouw van de boerderij aan de Klokjeslaan begon in 1868 of 1869 en zij werd in mei 1870 als woning betrokken. De boerderij is te typeren als een langhuisboerderij, waarvan het woonhuis en het achterhuis onder één dak in elkaars verlengde liggen. Volgens de steen die in de gevel is ingemetseld, werd de ‘eerste steen’ op 21 maart 1870 gelegd door het vijfde kind, Joost Marinus, van de Huydecopers, toen de bouw al ver gevorderd was. Het verzoek van Huydecoper begin 1870 aan het gemeentebestuur, om aan de Brandspuitlaan (thans Klokjeslaan) de nieuwe toegang tot de hofstede te maken, werd direct ingewilligd.
Het verhaal gaat dat het echtpaar de boerderij liet bouwen voor ‘één van zijn drie zonen, die niet goed kon leren’. Geen van de zonen is echter boer geworden want in mei 1870 begon de 32-jarige Willem de Soede uit Maarssen als zetboer. De naam van de architect en de bouwer is niet bekend. De boerderij is opgezet als akkerbouwbedrijf. Het vee werd in die tijd voornamelijk gehouden voor de mest. Daarbij kwam dat de akkers direct rond het erf, gezien de doorlatendheid van de zavelgrond en hun hoge ligging, zeer geschikt waren voor bouwland.
In 1870 werd de naam van de hofstede waarschijnlijk geschreven met een z. Op een foto uit 1918 is de naam namelijk (waarschijnlijk) als ELZEN en BURG te lezen. De huidige opschriften luiden echter ELSEN en BURG. In 1945 waren de medaillons niet beschilderd. C. Spelt (1916-2004) gaf de Maarssense huisschilder Grimm sr. de opdracht om er Elzenburg op te zetten. De heer Grimm wist zeker dat de z een s moest zijn en hij heeft zijn zin doorgedrukt. Hij heeft niet de koopcontracten waarin Elsenburg met een z werd geschreven, maar wel de geschiedenis waarin de buitenplaats voornamelijk geschreven werd met een s, aan zijn kant gekregen.

Van akkerbouw naar veeteelt
De akkers van het bouwland lagen na het ruimen van de landschapstuinen in 1813 waarschijnlijk haaks op de Klokjeslaan. De afstand die het water over het maaiveld naar de sloot aflegde, werd ermee verkort. Rond 1870 had men positieve verwachtingen over de ontwikkeling van akkerbouwproducten, maar de vooruitzichten kantelden toen Amerikaans graan in grote hoeveelheden goedkoop op de Europese markt kwam. Koeien waren voor de mest niet meer zo nodig vanwege de uitvinding van de kunstmest. Langzamerhand werd duidelijk dat de melkveehouderij en de varkensfokkerij winstgevender waren. In 1892 was de omschakeling al gemaakt. De akkers waren omgevormd tot malse weiden. Er kwamen meer varkens en melkvee en de huisvesting werd daartoe ook aangepast en vergroot. Een deel van de dienstboden en knechten woonde op de boerderij, een ander deel verbleef in hun woningen in Maarssen of bij hun ouders.
Willem de Soede en zijn vrouw vertrokken op 10 mei 1889 van Elsenburg en pachtten de boerderij ’t Slijk aan de overkant van de Vecht die ook eigendom van Joan Huydecoper was. Zij werden opgevolgd door Ferdinand Jan van der Geer en Hendrika van Ginkel met hun drie volwassen zonen. Ferdinand Jan was daarnaast nog tapper. Waarschijnlijk was de linker voorkamer van de boerderij, vanuit de voordeur gezien, de plek van de tapperij. Na de dood van Joan Huydecoper in 1890 nam zijn zoon Jan Elias, die in Utrecht woonde, de hofstede en enige andere percelen over voor de taxatieprijs van f 33.000. In 1892 kwamen Aart Verweij en Maria Ida Korver uit Kamerik op de boerderij wonen. Zij hielden alleen vee. Zij betaalden tot hun vertrek in 1912 voor de huur van de boerderij en het weiland f 2.000 per jaar. Na de dood van Jan Elias Huydecoper in 1911 werden een jaar later alle eigendommen van de Huydecopers in Maarssen en Maarsseveen op een veiling verkocht.

Eigenaren na Huydecoper
Willem Schoenmaker, veehouder te Maarssen, kocht de hofstede en het ‘hooge land’ in 1912 voor f 25.800. Een voorwaarde was dat hij belast werd met het onderhoud van de Klokjeslaan ‘vanaf den Diependaalschen dijk tot aan de Driehoekslaan’. Een andere voorwaarde was dat er erfdienstbaarheid (servituut) werd gevestigd op de grond, waarbij er nimmer enige opstallen of opgaande bomen mochten komen waardoor het uitzicht op en over het weiland kon worden belemmerd. Later werd de veehandelaar Antonie Oskam uit Breukelen eigenaar van de boerderij voor een bedrag van f 20.000 en huurde Willem Schoenmaker de boerderij vervolgens tot zijn dood op 15 november 1944. Antonie Oskam overleed begin 1944 en nu verhuurde de familie Oskam de hofstede aan Cornelis Spelt sr., geboren in 1916 (roepnaam Kees).
Hij was op 19 april 1945 in Weesp getrouwd met Anna Alida van Heemert (roepnaam Annie). Het echtpaar kon niet onmiddellijk op de boerderij gaan wonen, want die bleek bezet te zijn door een Duits peloton. Dat hield zich schuil op de terugtocht onder de bomen van Goudestein terwijl de paarden op Elsenburg werden verzorgd. De financiële kant van de verhuur was in handen van een notaris van de familie Oskam die in Barneveld woonde. Kees fietste elk jaar met f 1.200 op zak naar Barneveld om daar de huur te voldoen. Annie en Kees kregen drie kinderen waarvan de oudste, Aartje, na 14 dagen overleed. Cornelis (Kees) Spelt jr., de latere gulle gever, werd geboren op 27 februari 1948. Op 15 december 1952 kopen Kees en Annie de hofstede voor f 26.000 met het deel van het ‘hooge land’ dat volgens het servituut uit 1912 niet bebouwd mag worden. Het overige deel was toen al bemachtigd door de gemeente Maarssen om er de Dichterswijk te bouwen. Na de bouw van de wijk resteerden bij de boerderij nog twee hectaren en iets meer dan zestig are aan weiland. Om de krapte aan grond op te vangen werd elders in het Lanenkwartier land bijgekocht en werden percelen in de buurt gehuurd. Er brak echter voor Kees en Annie een onzekere tijd aan.

Voortbestaan boerderij onzeker (1951-1981)
Oorspronkelijk figureerde de boerderij in een decor van weilanden binnen de coulissen van het hoog opgaande hout van lanen en landgoederen. Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog werden in Nederland in hoog tempo woonwijken gebouwd. Dat gold ook voor Maarssen. De nieuwbouw in Maarssen concentreerde zich toen aan de noordzijde van de bebouwde kom. De boerderij zou opgeofferd worden aan de woningbouw van de Dichterswijk en de bewoners zouden elders een nieuw bestaan moeten vinden. Kees Spelt sr. verzette zich echter tegen deze plannen omdat zijn boerderij niet meer levensvatbaar zou zijn. In het besluitvormingsproces, waarbij ook de provincie een belangrijke rol had, speelde de eerdergenoemde erfdienstbaarheid – het niet mogen bebouwen van de gronden – een complicerende rol. Het gewicht van het servituut verdween echter toen de nieuwe eigenaren van de buitenplaatsen, de gemeente van Goudestein en de Stichting van de Kanunnikessen van het Heilig Graf van Doornburgh, niet vasthielden aan de erfdienstbaarheid. In 1957 werd de sloot voor de boerderij langs de Klokjeslaan gedempt en daarmee, zo vertelde Kees Spelt jr., verdween ook het geluid van de kikkers en de zwaluwen dat hij als jongetje altijd hoorde. In 1960 verleenden B&W toestemming om het zorgcentrum te bouwen. De Stichting Maria Dommer betaalde Kees Spelt sr. voor de 60 are f 9,50 per vierkante meter. In 1992 werd het zorgcentrum uitgebreid met 46 aanleunwoningen. Door de architectuur, het grote volume en de opvallend kleur is het complex prominent aanwezig op de weide. De discussie tussen gemeente en de provincie over de omvang van het uitbreidingsgebied Dichterswijk, waarbij de provincie er geen voorstander was om de woningbouw tot aan de Diependaalsedijk door te laten lopen, is formeel nooit afgesloten. Om die reden en vanwege het feit dat de grond van de boerderij en de weide nooit was opgekocht, is de bouw van Dichterswijk aan de achterzijde van de boerderij gestopt. In het bestemmingsplan Vechtoever-Noord van 1977 werd aan het restant van de weide de bestemming agrarisch gegeven. Het werd toen ook een door het Rijk beschermd dorpsgezicht. In het bestemmingsplan Maire Hofstede van 1981 kreeg het erf van de boerderij een agrarische bestemming. Het gevolg was dat de boerderij aan de achterkant (P.C. Hooftstraat) ingebouwd is door een woningblok en dat een kleine strook weiland langs de Vondelstraat eigendom van de gemeente is.

Kees en Annie kozen er bewust voor om het veebedrijf met beperkte armslag voort te zetten. Op 25 september 1981 zette Kees de laatste melkbus aan de weg en ging hij met pensioen. Op 3 juli 1987 kwam de boerderij nog in het nieuws omdat de hooiberg in brand vloog. Vermoedelijk was de brand aangestoken. In de laatste jaren bestond de veestapel nog maar uit vijf lakenvelder hoenders. Op 2 december 1999 werd zoon Kees Spelt jr. door een schenking van zijn ouders de nieuwe eigenaar van het weiland, groot 2 hectare, 6 are en 72 centiare. Als gebruiker besteedde hij het werk uit aan veehouders uit de buurt, De Kruijf uit Breukelen en Van Woudenberg uit Maarssen. Kees en Annie verhuisden in 2002 naar het woon- en zorgcentrum Maria Dommer. Kees Spelt sr. overleed daar op 15 juli 2004. Annie verhuisde naar het Zorgcentrum Snavelenburg waar zij op 4 augustus 2007 overleed.

Woon- en werkerf
Na twee jaar oriëntatie en overleg met architecten over de mogelijkheden van het perceel kwam Kees Spelt jr. in 2003 met het plan om het perceel, dat in feite toch een bedrijfsterrein was, om te toveren tot het ‘woon- en werkerf Elsenburg’ voor zes thuiswerkende ondernemers; zes ruime woningen met atelier, kantoor of behandelruime met parkeergelegenheid. ‘Het idee van een boerenerf waar alles op uit kwam’, zo zei Kees, ‘was me heilig. Daar zou ik dan zelf ook wel willen wonen’. Het plan is aan de gemeente aangeboden, maar door de toenmalige wethouder zonder discussie verworpen. De hofstede werd vervolgens in 2005 in zijn geheel verkocht. Thans worden de boerderij en de bijgebouwen door drie verschillende eigenaren bewoond. Boerderij en weiland vormen samen een door het Rijk beschermd dorpsgezicht.

De toekomst van het land van Spelt
Kees Spelt jr. heeft naast de historische studie in 2001 door landschapsarchitect Anja Guinée een ruimtelijke verkenning met enige varianten laten uitvoeren. Daarbij was de historische zichtlijn drager van de verkenning. Op grond daarvan heeft Kees in een stedenbouwkundige visie geschetst op welke wijze de hofstede en het weiland als entiteit in het stedelijke weefsel van de omgeving kan worden verankerd. Dat kan het best door het – in contrast met de omgeving – een boerenenclave binnen een stedelijk gebied te laten zijn. Het geheel moet visueel worden afgeschermd van het aanzicht van de woningbouw van de Dichterswijk en het grote en massieve volume en de opvallende kleur van het Woon- en Zorgcentrum Maria Dommer. Vanaf de Diependaalsedijk en het begin van de Klokjeslaan blijft een inkijk op de boerenenclave bestaan. Op die manier krijgt het geheel een karakteristieke, stabiele opzet. Op basis van die opvatting is Kees in gesprek gegaan met de Stichting Het Utrechts Landschap. De uitkomst van het gesprek is bijgaande schets, met kersenboomgaard van verschillende rassen, meidoornhaag en lindeboom. Een wandelpad, een vurige wens van Kees, is wellicht iets voor de toekomst. Linksonder op de schets is een kleine strook land (A2788) nog bezit van de gemeente. Tussen het Utrechts Landschap en de gemeente zal nog overleg gevoerd worden of die strook in het herinrichtingsplan ingepast kan worden. Aangesloten kan worden bij de oproep van Ed Kamans in zijn bovengenoemde column in de VAR: ‘O ja, er is nog een strookje grond van de gemeente, dat vast zit aan het weiland. Het lijkt toch niet dat de gemeente na deze geste nog moeilijk gaat doen’.
Tot besluit de laatste strofe van het gedicht dat Kees voordroeg bij de overdracht:

Als het land zou kunnen spreken,
en je nog vragen zou, waarvan geniet u nu eigenlijk het meest?
Dan zou het zeggen:
‘De beving van een hevig mollenfeest’.

Noten
1. Cornelis Spelt (Kees) werd in 1948 geboren Maarssen en groeide op de hofstede Elsenburg op. Hij studeerde in Delft civiele techniek en werkte een aantal jaren als geotechnicus. Na een tweede studie Managementwetenschappen werkte Kees vervolgens bij het RIVM als hoofd van de afdeling Economie en Managementinformatie. Daarna werkte hij twintig jaar lang als zelfstandig organisatieadviseur. Hij voltooide hij op zijn 64e in 2012 het proefschrift ‘Ontsnappen uit de ruimte. Over tijd, instantie en volgorde’.
2. Lucia H. Albers, Hanneke Helmink-Habes en Kees Spelt. Hofstede Elsenburg; historische studie in het kader van de herbestemming (2001). Uitgegeven door Albers Adviezen.
3. De boerderij en zijn bewoners worden ook besproken in het eerste boek (z.j.) van de driedelige uitgave door Henk Blauw over de verdwenen en bestaande boerderijen in Maarssen en omringende gebieden en in het standaardwerk Maarssen Geschiedenis en architectuur uit de serie Monumenten-Inventarisatie Provincie Utrecht (2007). Daarnaast schreef Jaap Kottman uitvoerig over tuingeschiedenis van Elsenburg in Periodiek 3 van de Historische kring Maarssen (HKM) van 2019.