48e jaargang (bladzijde 45) nr.2 / IN: Periodiek HKM
De joodse begraafplaats bij de Machinekade: een verwarrende geschiedenis
Jan Willem Gunning
Het stichten van een joodse dodenakker
Over de joodse begraafplaats bij de Machinekade is al veel geschreven. 1) Allereerst in 1937 door Dr. Jac. Zwarts (1899-1943), voorzanger en onderwijzer van de joodse gemeente in Utrecht, die in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw veel onderzoek deed naar de geschiedenis van de joden in de Vechtstreek. Zijn artikel over de begraafplaats is de bron voor alle latere publicaties. 2) Een recent stuk beschrijft hoe verzoeken van de Hoogduitse joden in Maarssen en Maarsseveen aan de Staten van Utrecht om een begraafplaats te mogen aanleggen werden geweigerd, eerst in 1741 en toen opnieuw in 1747. De derde poging slaagde wel:
‘... want in 1749 kochten zij een stuk grond van de Portugees-joodse dichter en geschiedschrijver David Franco Mendes (1713-1792). Mendes was eigenaar van het buiten Neerbeek, gelegen langs de Vecht. Als zoon van een welgesteld gezin ontplooide hij zich als dichter en wetenschapper en als geschiedschrijver van de Portugees-joodse gemeenschap in Amsterdam. Zijn buitenverblijf in Maarssen maakte hem bekend met de omstandigheden van de Joodse gemeente daar. Hij vernam dat er al verschillende pogingen ondernomen waren om een eigen dodenakker te stichten, maar die waren tot dan onsuccesvol. De burgemeester en schepenen van Maarssen en Maarssenveen mochten zich dan wel niet verzetten tegen het wonen van Joden binnen de grenzen van beide gemeenschappen maar een eigen begraafplaats ging hen te ver. Ook de Staten van Utrecht hadden bezwaren.
Mendes bedacht echter een list en kocht in 1749 een stuk grond vlakbij Neerbeek, maar net over de grens met het gerecht Tienhoven. Daar bestond geen weerstand tegen de aanleg van de begraafplaats. Ook de directe ‘buren’, wellicht niet geheel toevallig grondeigenaren die ook joods waren, hadden geen bezwaren. Nu konden ook de Utrechtse Staten weinig meer tegen de vestiging van een Joods kerkhof inbrengen en nog in datzelfde jaar werd het terrein in gebruik genomen.’ 3)
Hier klopt helaas niet veel van.
Die beroemde dichter had niets met de zaak te maken; zijn jongere naamgenoot op Neerbeek wel, maar die kocht de grond niet. De begraafplaats aanleggen in een ander gerecht was natuurlijk handig, maar zeker geen list. Eén van die directe buren, Mr. Jan Huydecoper, was geen jood. De grond lag niet net over de grens met Tienhoven en werd niet in 1749 gekocht. De begraafplaats lag niet vlakbij Neerbeek en Neerbeek lag niet langs de Vecht. In de loop van tachtig jaar navertellen van deze geschiedenis zijn er steeds meer foutjes in het verhaal geslopen en daarbij was de oorspronkelijke versie ook al een bron van verwarring.
Die verwarring begint bij de identiteit van David Franco Mendes. Zwarts nam aan dat de beroemde dichter en de man van Neerbeek één en dezelfde persoon waren. Daarmee heeft hij twee volle neven, die dezelfde naam droegen, ineengeschoven. De dichter was een zoon van Abraham Franco Mendes; diens broer Isaak was de vader van de man van Neerbeek. 4)
In 1750 was die andere David Franco Mendes (1717-1781) samen met zijn broer Jacob eigenaar van Neerbeek; hun zusje Sara bezat het buurhuis Spruytenburg (nu Leeuwenburg) en hun moeder was eigenaresse van Geesberge. David zou uiteindelijk de eigenaar van die drie aan elkaar grenzende buitenplaatsen worden. 5) Hij bezat ook het veel grotere buiten Blijendaal (11 morgen: ongeveer 9 ha), dat verder het veen in lag, achter Neerbeek in het gerecht Tienhoven. Blijendaal grensde aan het stuk land waarop de begraafplaats zou komen. Zwarts dacht misschien dat dat land ook van David Franco Mendes was en schreef dan ook dat die ‘klaarblijkelijk’ (p. 62) de grond voor de begraafplaats heeft overgedragen. Dat was echter niet zo. Die grond, beplant met wilgen, was niet afkomstig van de Portugese jood Franco Mendes, maar van de katholieke familie Van Seldenrijk. Baars en Jasper van Seldenrijk verkochten het land in 1750 voor 150 gulden aan Gabriël Jacobsz. van Tijn, die daarbij namens de Hoogduitse joodse gemeente in Maarssen zou optreden. 6)
De gemeente had in 1749 aan de Staten toestemming gevraagd voor het stichten van een begraafplaats op die grond. Dat het perceel in Tienhoven lag, was aantrekkelijk want de schout van Maarssen, die had geprotesteerd tegen de eerdere plannen, had daar niets te zeggen. Bovendien verklaarden drie aanzienlijke heren geen bezwaar te hebben tegen het plan voor de begraafplaats: de ambachtsheer van Tienhoven, Mr. Ferdinand van Collen (1719-1764), heer van Gunterstein en de eigenaars van de belendende percelen, de Amsterdamse burgemeester Mr. Jan Huydecoper (1693-1752), heer van Maarsseveen, Neerdijk en Nigtevecht en David Franco Mendes als eigenaar van Blijendaal. 7) Dit keer gingen de Staten wel akkoord.
In de ban gedaan
Een klein deel van het aangekochte land werd meteen in gebruik genomen als begraafplaats. Van Tijn werd de ‘opziender’ of ’Gabai’. Het land was ‘abusivelyk’ op zijn naam gekomen omdat hij had nagelaten bij de koop te ‘mentioneeren’ (op te merken) dat hij niet voor zichzelf maar voor de joodse gemeente optrad. Daardoor was hij ten onrechte eigenaar geworden. Dat leidde natuurlijk tot grote irritatie en de zaak liep hoog op. Van Tijn werd op 28 mei 1751 in de ban gedaan: leden van de joodse gemeente mochten niet meer met hem omgaan. Hij liet het er niet bij zitten en spande een rechtszaak aan tegen de gemeente. Op 11 januari 1752 deed een commissie die bestond uit twee raadsheren van het Hof van Utrecht uitspraak. Uit dat stuk blijkt dat alle ontvangsten en uitgaven van de begraafplaats via Van Tijn liepen. Er werd nu afgesproken dat hij zijn boekhouding moest laten inspecteren door de penningmeester van de gemeente. Kennelijk was Van Tijn te onafhankelijk geweest in zijn optreden. Hij mocht levenslang ‘opziender’ blijven, maar het land van de begraafplaats moest nu worden getransporteerd naar de joodse gemeente.
In de vergadering van de gemeente in mei was er een ‘poenale aflesing’ geweest. De verklaring die toen werd voorgelezen, verbood de leden van de gemeente om te gaan met Van Tijn. 8) De ‘Hoon’ die hem door die ban ten deel was gevallen, zat hem natuurlijk hoog. Hij kreeg nu gelijk van de commissie, die vond dat hij recht had op ‘Reparatie en Satisfactie’. Wat er in mei was voorgelezen, zou nu ook in het openbaar moeten worden herroepen. Dat betekende dat de leden van de gemeente weer ‘Vryelyk met de Reqnt [Van Tijn, de requirant (eiser) in deze procedure] mogen omgaan, by hem verkeeren En met hem behoorlyck handelen als van te Vooren, mits Zigh rustig en Vreedsaam te Gedragen’. 9)
Maar, zoals Zwarts ook al had gezien, Van Tijn droeg het kerkhof pas drie jaar later over aan de joodse gemeente. 10) Hij gaf zijn bewind toen op en ontving als compensatie van de gemeente f 104,00. Zelfs bij de notaris moeten de gemoederen nog verhit zijn geweest, want er werd van alles in de akte doorgehaald. Die werd zo verwarrend dat er voor alle zekerheid nog een tweede stuk werd opgesteld. Daarin verklaarde Van Tijn aan de gemeente ‘overgegeven te hebben het kerkhoff met alle sijn reght t welke hij daar opgehadt heeft en het dus als vrij aan die gemeenten overgeeft sonder Enig reght daar op te houden off ooyt te sullen Eysschen.’ 11)
Zwarts dacht dat de joodse gemeente eerst maar een klein stukje land had gekocht, een perceel van 18 bij 34 meter. Later zou een veel groter stuk zijn verworven - hij laat in het midden hoe - dat in 1779 werd opgehoogd met de bagger die uit de grenssloten werd gehaald. 12) De helft van dat nieuwe stuk werd toen in gebruik genomen als uitbreiding van het kerkhof. 13) Zwarts vergiste zich: die twee stukken land vormden samen de aankoop van 1750. 14)
In het begin van de twintigste eeuw werd de joodse gemeente snel kleiner. In 1914 waren er nog maar drie leden over en die vormden samen het bestuur. De voorzitter, de koopman Bernardus Kuijt, werd in 1922 als laatste ‘in het veen’ begraven.
De restanten van de begraafplaats
De eerste kadastrale kaart van 1832 laat zien dat het kerkhof toen aan de noordkant grensde aan een stuk bos. Dat perceel (kadastraal Tienhoven A448) werd later doorsneden door een sloot en door de ringdijk van de Bethunepolder. Ten noorden van de begraafplaats kwam toen een huisje voor ‘de droogmakerij’ . Dit is ook te zien op de laatste topografische kaart waarop de begraafplaats nog is aangegeven. 15)
De situatie die wij nu kennen, is anders. Door de aanleg van het waterleidingkanaal in de jaren vijftig van de vorige eeuw is er van het restant van perceel 448 vrijwel niets meer over: het wandelpad langs de dijk van het kanaal is nu alleen door een sloot gescheiden van het oude deel van het kerkhof. Vanaf dat pad zijn de overgebleven zerken goed te zien (. Toen Zwarts de begraafplaats bezocht, stond er van de houten zerken geen enkele meer overeind. Hij vond nog wel twee stenen zerken op het oude stuk van de begraafplaats. Over één van die stenen schreef hij: 16)
‘Midden, op dit door hoog opgaand hout en geheimzinnig ritselend riet en van alle zijden door water afgesloten sombere groene eiland zien wij schier als een symbool de opgeheven zegenende Priesterhanden boven de laatste rustplaats van de man (Nathan Levie van Tijn, de parnassijn die de synagoge aan de Diependaalsedijk in 1759 had opgericht en overleed in 1765), die voor zijn gemeente zelve een zegen was, die haar met oneindig veel moeite het Godshuis heeft bezorgd en wiens levenswandel was ‘de weg der oprechtheid’’.
Over de tekening schreef hij:
‘En zo tekende Henk Schellevis de beide zerken van de Parnassijn en de Rabbijn in de poëtische rust en verlatenheid van het eenzame oudste gedeelte door bossage’s omsloten, zoals het daar in het Tienhovense plassenlandschap ligt als laatste herinnering van het oude, vergeten kerkhof, het Joodse ‘Huis des Levens’’.
Na een lange periode van verwaarlozing werd de totaal overgroeide plek van de zerken in 2004 grondig aangepakt. Er zijn nu niet twee, maar vier stenen zichtbaar. Een groep vrijwilligers zorgt trouw voor het onderhoud. Er is veel belangstelling voor dit bijzondere plekje, ook door de wandelingen ernaartoe die de Historische Kring Maarssen enkele keren heeft georganiseerd.
Noten
1. Ik ben Hans van Bemmel, die zijn verzameling publicaties over dit onderwerp aan mij uitleende, zeer erkentelijk.
2. J. Zwarts, `Het Jodenkerkhof onder Tienhoven’, in: Jaarboekje van het Oudheidkundig Genootschap Niftarlake (1937) 55-97.
D. Dekker, Toestanden en gebeurtenissen uit de geschiedenis van Maarssen (1984) 56.
J. Pinkas, B. Hartog en D. Michan, Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (1992) 456.
T. Visschedijk-Lammers, ‘Sporen uit het joodse verleden van de Vechtstreek’, in: Periodiek Historische Kring Maarssen nr. 3 (2010) 80-86.
J. van Es, `Joodse begraafplaats in de polder’, in: Vechtstroom (2014) 18.
Alleen Zwarts deed archiefonderzoek naar de begraafplaats. Inmiddels is dat veel makkelijker dan in zijn tijd. De meeste inventarissen zijn nu digitaal beschikbaar en ook veel archiefstukken zijn gedigitaliseerd.
3. L. Bok, ‘Maarssen - Joodse begraafplaats’, op website: www.dodenakkers.nl (2014).
4. J.W. Gunning, `Leeuwenburg en de omringende buitenplaatsen’, in: Jaarboekje van het Oudheidkundig Genootschap Niftarlake (2004) 21-83.
5. Gunning (2004) beschrijft deze familie uitvoerig; eigenaarslijsten op 70-74.
6. Het Utrechts Archief (HUA), 1111-2 losse aanwinsten, 44 akte van overdracht van ‘een perceel griend- of hoephoutland’, 27 mei 1750, HUA, 361 Ned.-Israëlitische gemeente te Maarssen, 162 ‘stukken betreffende de verkoop door Baars en Jasper van Seldenrijk aan Gabriel Jacobs van Tijn een halve morgen griend of hoephout achter de hofstede Blijendaal te Tienhoven, 1750’, 10 feb. (koop) en 27 mei (transport) 1750. Bij de koop worden de eigenaren van de belendende percelen ten onrechte opgegeven als Jan Elias Huydecoper (1699-1744), heer van Maarsseveen, burgemeester en raad van Amsterdam (die was al jaren dood; zijn zoon Mr. Jan Huydecoper was nu de eigenaar) en ‘Jacob Franco’ (dat moet zijn David Franco Mendes, zijn broer). Zwarts’ veronderstelling dat Franco Mendes de grond in 1749 verkocht aan de gemeente, is dus onjuist; de verkoop vond namelijk een jaar later plaats en Mendes was niet de verkoper. Hij speelde dus geen hoofdrol in dit verhaal, maar had alleen verklaard geen bezwaar te hebben.
Jasper van Seldenrijk woonde in 1748 bij de Zogwetering. Baars van Seldenrijk was toen tapper en boer. Hij woonde in de herberg Het Swarte Varken (tevens het gerechtshuis van Maarsseveen) en had tien morgen eigen land en nog twee morgen gepacht. (D. Dekker, `Nieuw-Maarsseveen omstreeks 1750’, in: Periodiek Historische Kring Maarssen (1986) 2-12).
Baars was in 1728 (katholiek) getrouwd met Dorothea Vincent. Zij woonde al in Het Swarte Varken, als huishoudster voor haar oom Willem Heems. Het echtpaar woonde daar sindsdien samen (HUA, 34-4, not. Patricius Hendrik Lindsay te Utrecht, 26 feb. 1727 en 15 okt. 1731).
7. Van dit drietal was Franco Mendes de aanzienlijkste, ook al zijn de twee anderen veel bekender. Zijn hoge status blijkt uit het feit dat toen zijn zoon Jacob Franco Mendes in 1771 in Den Haag trouwde, prins Willem V en zijn vrouw de plechtigheid bijwoonden. De prins opende ’s avonds met de bruid het bal, terwijl Jacob met prinses Wilhelmina danste. De zeer fraaie huwelijksgeschenken die het jonge paar van het stadhouderlijk paar kreeg, zijn bewaard gebleven.
8. Dat gebeurde wel vaker in joodse gemeenten. Er waren allerlei gradaties van wat wel en niet mocht in de (meestal korte) periode waarvoor een dergelijke ban gold. De bekende verbanning van Spinoza (voor eeuwig) was een uitzonderlijk zware vorm.
9. HUA, 361 Ned.-Israëlitische gemeente te Maarssen, 62 ‘stukken betreffende het beheer van de begraafplaats 1752-1874’. Van Tijns aanstelling ging al in op 23 maart 1749, dus een jaar voor de aankoop van het terrein. Zwarts heeft deze uitspraak niet gezien en vond alleen een notariële akte (zie volgende voetnoot) over de afloop van het conflict in 1755. Die plaatste hem voor veel raadsels.
In het archief van de gemeente ontbreken de notulen van het kerkbestuur tot 1871. Er is dus geen nadere informatie over de voorlezing van de ban op 28 mei 1751: die kennen we alleen door de uitspraak van de commissie een half jaar later.
10. Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen, Breukelen (RHCVV), 1067 notariële archieven, 1202 not. Johannes van Eeten te Maarssen, 7 maart 1755. In deze akte wordt Van Tijn slager (‘slagter’) genoemd.
11. Als de joodse gemeente verwachtte voortaan geen problemen meer met Van Tijn te zullen hebben, vergiste zij zich. Een paar jaar later was er weer een nieuw incident toen hij drie vooraanstaande leden, onder wie de parnassijn Goudschalk, beledigde. Ook dat leidde tot een proces bij het Hof van Utrecht. Van Tijn verklaarde uiteindelijk plechtig dat het hem speet en dat er niets tegen deze drie mannen te zeggen was.
HUA, 361 Ned.-Israëlitische gemeente te Maarssen, 163: ‘akte waarbij Gabriel Jacob van Tijn voor het Hof van Utrecht zijn excuses aanbiedt voor het beledigen van Benjamin Goudschalk, Eleasar Abram en Marcus van Leer, 1756’.
12. RHCVV, 1067 notariële archieven, 1842 notaris Marten van den Helm te Nieuw-Maarsseveen, 2 augustus 1779. De misvatting dat de begraafplaats aan Neerbeek grensde, gaat terug tot een vergissing in deze akte.
De grenssloten werden bij deze gelegenheid veel breder gemaakt, ten koste van het land van de begraafplaats. Om te voorkomen dat de helft van die verbreding aan de buurman (na bijna dertig jaar was dat nog steeds David Franco Mendes) zou toevallen, werden de sloten door de notaris opgemeten voordat zij verbreed werden. Daarna lag de grens niet meer in het midden van de sloten.
13. Zwarts (1937) 72, 79, 92-94.
14. In 1832 kregen deze gronden in sectie A blad 1 Tienhoven de kadastrale nummers 446 (610 m2) en 445 (3.460 m2), samen dus 4.070 m2, wat overeenkomt met de aanduiding in de transportacte van 1750: een halve morgen. Op de Beeldbank Cultureel Erfgoed staat het minuutplan 1811-1832 van Tienhoven en de ‘oorspronkelijk aanwijzende tabel’ (OAT). De OAT vermeldt dat de twee percelen eigendom waren van de ‘Gemeente de[r] Joden’ en in gebruik waren als kerkhof. De percelen aan de zuid- en westkant (435-444) stonden toen op naam van Abraham Capadoce, die het land van Neerbeek en Blijendaal dat eens eigendom van Franco Mendes was, had gekocht. Aan de oostkant lag een stukje bos (448). Tussen het kerkhof en de Machinekade lagen de percelen 461-465, weilanden die eigendom waren van Willem Huydecoper (1770-1832), burgemeester van Tienhoven en een zoon van Mr. Jan Huydecoper, die in 1749 geen bezwaar had gemaakt.
15. Dat de joodse begraafplaats wordt aangegeven met een kruis, is bijzonder.
16. Zwarts (1937) 83, 97.