48e jaargang (bladzijde 53) nr.2 / IN: Periodiek HKM
‘Love Lost’ of jong geluk langs de Vecht in Maarssen
Jaap Kamp
Ongeveer een jaar voor zijn afscheidscollege in juni 1907 gaat Cornelius Kan (1837-1919), de eerste professor aardrijkskunde van Nederland, met zijn echtgenote Johanna Antonia Verweij (1865-1926) in Maarssen wonen. Het moeten turbulente tijden voor het echtpaar zijn geweest. In 1894 huwde Kan, weduwnaar met volwassen kinderen, met Johanna Verweij. Zij had in 1889 haar echtgenoot Carel Wijnmalen en hun tweejarig zoontje in Oost-Indië onder tragische omstandigheden verloren; beiden waren door inlanders vergiftigd. De weduwe, die ook nog in verwachting was, keerde spoorslag terug naar haar ouders in Zeeland. Nog in datzelfde jaar werd haar zoon Henri Wijnmalen daar geboren. In 1892 gaat de jonge weduwe in Amsterdam studeren, onder andere bij professor Kan. Ondanks een groot leeftijdsverschil raken zij verliefd op elkaar en besluiten te trouwen. Het huwelijk blijft bijna twaalf jaar kinderloos, totdat op 6 maart 1906 hun dochter Lientje in Amsterdam wordt geboren: mijn moeder.
Huis De Vecht aan de Herengracht
De verhuizing naar Maarssen was het resultaat van een weloverwogen zoekproces. Voorop stond dat het echtpaar na Kans pensioen in een landelijke omgeving wilde gaan wonen. Als eerste verkent hun (stief)zoon Henri, inmiddels 16, op de fiets mogelijkheden langs de Vecht. Hij zit op het gymnasium in Amsterdam, maar is geen studiebol. Dit tot verdriet van zijn geleerde vader die nog van 1895 tot 1898 gewaardeerd privaatdocent van de jonge koningin Wilhelmina was geweest. Henri suggereert eerst de buitenplaats Cromwijck, maar dat is ‘niet passend’ voor een gepensioneerde hoogleraar, zijn vrouw en zijn kinderen Henri en Lientje. Kan kiest voor Huis De Vecht aan de Herengracht 7 in Maarssen, een pand dat herinnert aan Amsterdamse grachtenhuizen. In de eerste helft van de negentiende eeuw fungeerde het nog als woning voor de burgemeesters F.H. van den Helm van Maarsseveen en J.G. Dolmans van Maarssen. Het moet in 1906 zo’n f 5.000 gekost hebben. Het huis ligt dichtbij de rivier en Kan betrekt er een royale studeerkamer waar de pensionado zich kan wijden aan onderzoek en studie. Kans artistieke vrouw richt het huis in met haar antiquiteitenverzameling die deels nog uit Indië afkomstig is. Huis De Vecht heeft een voor Amsterdamse begrippen enorme achtertuin. Daar kan kleuter Lientje fijn spelen. Haar grote broer Henri brengt zijn eerste winter vooral door met schaatsen op de Vecht. Het is de plek waar hij het meisje Jo ontmoet…
Prille liefde op het ijs
Bij wat nu volgt laten we Henri zelf aan het woord. In de jaren 1950 heeft hij zijn herinneringen in het Engels opgetekend, waaruit ik fragmenten citeer, de eerste nog in het Engels (vertaling onderaan de tekst), de volgende gemakshalve al vertaald in het Nederlands:
‘… On the ice, everyone is friendly and boys and girls make up pairs easily. Since I went to no school, and was much by myself, it was an ideal opportunity to meet other young people from the neighborhood or get to know them better. One of them, I learned to know particularly well. She was fourteen, the eldest of five children, living with their parents at the Huis ten Bosch, up-stream, just outside the village. She did not skate particularly well. Rather on the contrary perhaps, since she undoubtedly dragged one leg. She needed a strong partner. We skated together a lot, every day, nearly all day …’ 1)
In een volgend hoofdstuk gaat Henri dieper op zijn liefde in: ‘… Het was een liefde die drie jaar lang mijn hart deed overstromen. Haar naam was Jo. Ze was 14 toen het begon (Kerst 1906) en 17 toen het voorbij was (voorjaar 1909). Het leek een pad over rozen. Maar niet zonder doornen. Die kwamen niet van ons. Vriendschappen tussen jongens en meisjes werden in die jaren ontmoedigd; vriendschap met gevoelens of romantiek, om over liefde nog maar te zwijgen, was volkomen uit den boze. Maar wij waren bloedserieus. Mijn moeder wist er alles van, en, zo begreep ik, ook Jo’s moeder. Zij was niet intolerant, denk ik. Een lieve vrouw. En niet onsportief. Zij kon schaatsen. Weliswaar niet beter dan haar dochter. Ik schaatste graag met haar, al was het maar onder het motto: Wie de dochter wil veroveren maakt de moeder het hof ...’
Over vader denkt hij anders
‘… Maar de vader was een ander sujet. Ofschoon grootgrondbezitter en een veertiger, was hij nooit anders gekleed dan in zwart jacquet. Vandaar mijn afkeer voor dit type kleding. Ik vond hem een nogal verwaande kwast. Misschien was ik wel bevooroordeeld. Hij leek thuis nogal een tiran. Misschien lag het aan de forse verliezen van zijn bedrijf dat hij altijd in een slecht humeur was. Hij was oorspronkelijk rentmeester voor Graaf De Bethune, lid van een Belgische adellijke familie. Eén van hun landgoederen was een groot moerasgebied ten noorden van Utrecht. De graaf wilde het water afvoeren en het land inpolderen, iets wat eeuwenlang in Holland gebeurde. Het gebied heette ook De Bethune Polder. Maar het wegpompen van water had enorme problemen opgeleverd en de graaf had er op een gegeven moment genoeg van nog meer geld te pompen in een hopeloze onderneming. Jo’s vader had toen (in 1900) de onderneming overgenomen en er een aantal jaren zijn eigen geld ingepompt. Betere resultaten bleven uit. Jo’s vader deed alles wat hij kon om het Jo en mij moeilijk te maken. Niet dat hem dat volledig lukte. Enkele medeplichtigen die met ons te doen hadden, hielpen ons. Eén van hen was Jo’s nichtje, net zo oud en aardig, en zij leek ook wel op Jo. Een paar keer per jaar kwam zij op Huis Ten Bosch logeren. De twee meisjes mochten samen fietsen. Gefrustreerde ‘lovers’ vinden oplossingen hun strengste bewaking te ontlopen. Zo was ik goed op de hoogte van deze fietsuitjes en daarmee in staat de meisjes te ontmoeten. Het nichtje bleek een chaperonne vol begrip. Op die manier zo’n twee uur samen doorbrengen was een waar genoegen ...’
Brieven via postillon d’amour
‘… En dan waren er brieven! Natuurlijk niet via de post maar via een postillon d’amour. Genoeg mensen bleken bereid onze onderdrukte romances te faciliteren. Mijn brieven waren lang en poëtisch; misschien geïnspireerd op de veelgeprezen poëziebundel die ik van mijn moeder had gekregen. Jo’s briefjes waren simpel maar oprecht en charmant. Soms met een verborgen belofte: ‘Hoe laat begint je school morgen? Ik heb Mary beloofd haar mee naar school te nemen; misschien is het op die manier mogelijk jou een paar ogenblikken te zien.’ ‘Ik kon toen haar vaders angstgevoelens wel begrijpen. Ik wist heel goed dat meisjes niet in opspraak moesten komen, zeker niet het meisje dat ik aanbad. Op een dag, ik was nog geen 18, besloot ik dit Jo’s vader te schrijven. Mijn brief was oprecht en beleefd. Maar werd nooit beantwoord. Waarschijnlijk werd Jo’s vader nog bozer op me. Ik heb haar nooit over mijn brief verteld, noch voor ik hem schreef noch daarna ...’
Sinterklaas moet uitkomst brengen
‘… St. Nicolaasavond is in Holland een gebeurtenis waarbij geliefden elkaar cadeautjes geven; dat kan ook anoniem; niemand neemt daar aanstoot aan. Zo wilde ook ik iets doen voor het meisje van wie ik hield. Ik vroeg mijn moeder advies. Zij adviseerde mij voor Jo een tekening te maken en haar deze anoniem op te sturen. Ik maakte een sepiatekening naar de ‘Fluitspeler’ van Frans Hals die ik liet inlijsten in Utrecht. Met de zorgvuldige instructie het geheel bij Jo’s huis te bezorgen zonder afzender. De fluitspeler is een aantrekkelijke en vrolijke jongeman die overduidelijk een liefdeslied speelt. Ik dacht dat mijn versie die sfeer goed genoeg weergaf. Maar om het zekere voor het onzekere te nemen schreef ik er de noten bij van het toen populaire ‘Because I love you’. Misschien maakte ik daarmee een tactische fout. Jo schreef: ‘Wat was ik blij met die prachtige tekening gisteravond, zonder twijfel van jou. Ik wilde jou ook zoiets sturen maar ik durfde niet; ik was zo bang dat Vader erachter zou komen. Hij keek verschrikkelijk achterdochtig toen jouw grote pakketje werd bezorgd. Natuurlijk zei ik dat ik geen idee had van wie het kwam, en ik doe er goed aan dat vol te houden’. Helaas werd na twee dagen mijn tekening door een bediende bij mijn moeder terugbezorgd. Aan mij geadresseerd en zonder enige uitleg. Ik vond het gemeen en mijn afschuw van de zwarte jacquet werd groter. Een jaar later was ik niet meer zo ontmoedigd en probeerde het nog eens. Een ervaring rijker koos ik een onderwerp dat niet zo makkelijk tot verkeerde conclusies zou leiden. Ik maakte een potloodtekening van Rembrandts ‘Man met de helm’. Het werd een waardige en enigszins sombere tekening, niet eenduidig. Maar de tekening werd even snel en op dezelfde manier geretourneerd als de vorige.’
Dagboekfragment uit 1908
Van zijn liefdesperiode hield Henri een dagboek bij. In de nacht van 29 maart schreef hij: ‘…Vannacht was het meest emotionele en plechtige ogenblik in mijn leven. In het prachtige heldere maanlicht ging ik naar het oude park dat vanaf de overkant van de rivier uitkijkt op het huis van mijn geliefde, mijn kleine Jo op wie ik zo verliefd ben, het huis waar mijn engeltje woont. Zaligmakend was de nacht en zuiver als echte engelen. Helder schijnende sterren en een serene maan kusten de plechtige stilte die over de aarde rustte. Een gevoel van vreugde en geluk komt over me. Deze prachtige voorjaarsnacht moet een voorteken zijn voor het zegenen van mijn brandende liefde. Ik wou dat ik alles kon opschrijven wat ik toen voelde. Zo dicht bij haar en toch zo ver weg! Dat is onmogelijk. Ik vroeg me af waar ze in dat grote huis zou kunnen slapen. Hopende dat ze misschien een beetje wakker was en aan mij zou denken of misschien over mij zou dromen ...’
Midden jaren 1950 vervolgt Henri:
‘… Een beetje dwaas? Misschien. Onze liefde was kalverliefde toen ik het opschreef op mijn 18de. Een halve eeuw later grijpt het me nog bij de keel. Ik moest het toen zo opschrijven. Eenmaal aan de universiteit ging onze love story verder met dezelfde problemen, maar brieven waren makkelijker. Jo zat nog op school, het gymnasium. Het huis van de conciërge grensde aan de school. Het was zijn taak de schooldeuren te openen en te sluiten en om laatkomers te melden. Ofschoon de man geen groot gezag had, waren de jongens toch een beetje bang voor hem. Als eerstejaarsstudent gold dat niet voor mij. Als man van de wereld ging ik ervan uit dat conciërges gevoelig waren voor cadeautjes van zilver. Dat bleek het geval. Hij werd een zeer bereidwillige en betrouwbare brievenbus. Ik overhandigde hem ’s avonds mijn boodschappen en ontving haar antwoorden op dezelfde manier. De conciërge genoot steeds meer van zijn rol als postillon d’amour. Maar elkaar zien bleef moeilijk. Alleen wanneer de gevreesde vader op reis was, en dat was maar zelden het geval, hadden we een kans elkaar te treffen. De laatste van zulke kansen werd een ramp en vond plaats op een zomerse zaterdagmiddag. Ik was op de fiets vanuit Vollenhoven (bij De Bilt; Henri woonde daar sinds 1908) naar Jo vertrokken. De zon scheen volop. Samen fietsten we naar het stadspark in Utrecht waar we haar Gymnasiumrector ontmoetten die een wandeling maakte. Hij was kort daarvoor ook mijn rector geweest. Heel spontaan nam ik mijn hoed voor hem af en ook hij begroette mij uiterst vriendelijk. Wij stonden verder niet stil bij deze begroeting ...’
Het noodlot slaat toe
‘… Maar een paar dagen later kwam er een brief van Jo, dit keer per post. De rector had haar vader geschreven. Wist hij dat zijn dochter op de fiets gezien was met een student? Het was een verschrikkelijke scène geweest. Jo’s vader dwong haar hem te beloven mij nooit meer te zien noch te schrijven noch brieven van mij te ontvangen. Tot haar verdriet voegde zij eraan toe dat zij niet anders kon en zich aan deze belofte zou houden. Ik moest haar niet meer schrijven, zelfs niet een antwoord op deze onontkoombare boodschap. Onontkoombaar, ook al beloofde ze dat haar liefde nooit zou wijken en dat betere tijden zouden aanbreken. Dit alles gebeurde terwijl ik op mijn eentje woonde in een cottage op Landgoed Vollenhoven. Het was een verschrikkelijke slag. De wereld leek onder me weg te zinken. Een snaar was gebroken. Een leegte trad op waar eerder een volte bestond. Niets of niemand op aarde zou mij ooit tot zo’n belofte kunnen dwingen. Ik begreep er niks van. Al had ik maar één antwoord mogen schrijven. Ik voelde een wrok. Ik had me nooit gerealiseerd dat een meisje van 17 niet zou kunnen opstaan tegen een tiranniek gedreven vader ...’
Henri vliegt de wijde wereld in
Tot zover Henri Wijnmalen in zijn handgeschreven, niet gepubliceerde memoires. Hij heeft zeer waarschijnlijk Jo nooit meer gezien. Zijn leven krijgt eind 1909 een bijzondere wending. In dat jaar vliegt Blériot als eerste het Kanaal over. Dat spreekt vooral tot de verbeelding van veel jonge mannen. Henri’s oom Jaap Verweij, succesvol auto-importeur, haalt hem over vlieglessen te nemen. Henri, die in die tijd meer met paarden en auto’s bezig is dan met studeren, geeft zijn studie in Utrecht op en gaat wonen in Frankrijk. Daar haalt hij zijn vliegbrevet, geeft al gauw vliegdemonstraties en brengt in oktober 1910 het wereldhoogterecord op zijn naam met een hoogte van 2800 meter. Kort daarna wint Henri de vliegwedstrijd Parijs-Brussel-Parijs. Het levert hem 100.000 franken op en hij is op slag één van de eerste vlieghelden in Europa. In 1911 trouwt hij met de Belgische operazangeres Leontine Verheijden; het paar krijgt twee dochters. Henri stopt met race- en stuntvliegen en wordt in 1914 directeur van de N.V. Trompenburg, een onderneming die zowel vliegtuigen als Spyker auto’s fabriceert. Het gaat niet goed en in 1922 emigreert Henri met zijn gezin naar Engeland waar hij jarenlang auto’s en bouwmaterialen importeert, een vijftal boeken over zijn paardenhobby schrijft en in 1948 verantwoordelijk is voor het onderdeel paardensport op de Olympische Spelen in Londen.
Jo en de familie Van Vloten verhuizen
Het meisje Jo in deze liefdesgeschiedenis is Johanna Antonia Catherina van Vloten (1892-1974). Haar vader was Anton August van Vloten (1864-1920), in 1890 gehuwd met Constantia Catharina Dronsberg (1866-1936). Het echtpaar zou acht kinderen krijgen van wie Jo de oudste dochter was. Van 1900-1910 woonde het gezin op Huis ten Bosch. Daarna verhuisde het gezin naar Huize Nimmerdor in de Bethunepolder, de tot woonhuis verbouwde zuivelfabriek. Deze zuivelfabriek was in 1890 door Van Vloten opgericht, want hij wilde in de Bethunepolder moderne vormen van zuivelbereiding introduceren en zo de armoede en werkeloosheid bestrijden. Het project mislukte en daarop besloot Van Vloten – die in 1900 eigenaar was geworden van de Bethunepolder – een modern tuinbouwbedrijf te stichten in de polder. Ook dit project kwam niet van de grond. Na het overlijden van vader Van Vloten in 1920 verhuisde mevrouw Van Vloten in 1921 met de jongste kinderen naar Hilversum.
Johanna heeft na haar schooltijd een verpleegsteropleiding gevolgd en was omstreeks 1918 ‘particulier gegaan’, wat erop neer kwam dat zij in het jonge gezin van Eimert Gerrit van der Loeff (1876-1957) de zorg op zich nam voor diens zieke echtgenote Wijnanda Richard (1886-1919) en hun dochtertje Alida. Twee jaar na het overlijden van Wijnanda trouwt Eimert met Johanna. Het echtpaar krijgt in 1922 een dochter, die vernoemd wordt naar Johanna’s moeder: Constantia Catherina. Het meisje zal met haar (half)zusje Alida in Bussum opgroeien.
Laatste jaren van de familie Kan in Maarssen
Terug naar het echtpaar Kan en hun dochter Lientje op Huis De Vecht. De professor publiceert in 1912 zijn Handleiding bij de beoefening der economische aardrijkskunde. Het dikke boek staat vol beschrijvingen van zo’n zeventig staten, koloniën, protectoraten, bijlanden en bezittingen. Uit dezelfde tijd dateert de foto van vader en dochter die mijn moeder haar leven lang op haar bureau had staan. Over de laatste levensjaren van het echtpaar Kan-Verweij is weinig bekend. Als haar vader in 1919 overlijdt, is mijn moeder 13 en zit zij in de eerste van het Utrechts gymnasium. Als haar moeder in 1926 overlijdt, studeert Lien in Utrecht en is zij daardoor relatief jong wees. Zij trouwt in 1928 in Utrecht met Coen Graadt van Roggen. Onze moeder heeft haar zes kinderen nooit veel verteld over haar ouders, onze grootouders, die wij nooit gekend hebben. Dat gold niet voor haar oudere broer Henri die zij als een tweede vader beschouwde; zij was dol op hem en zag hem regelmatig, ook al woonde hij vanaf 1922 in Engeland. Als kinderen hebben wij allen meerdere malen bij oom Henri gelogeerd en konden we genieten van zijn gastvrijheid op Kingswood House bij Henley-on-Thames en van zijn liefde voor dieren en auto’s en ook van zijn verhalen. Hij hield zijn memoires voor ons verborgen; die kwamen een halve eeuw na zijn overlijden tevoorschijn via zijn Amerikaanse kleinkinderen en daarmee kwam ook het verhaal van een ‘Lost Love’ naar boven, met begin en einde in Maarssen aan de Vecht…
Noten
1.Vertaling van de Engelse passage:
‘… Op het ijs is iedereen vriendelijk tegen elkaar en schaatsen jongens en meisjes gemakkelijk als paar. Omdat ik nog niet naar school ging, en nogal op mezelf was aangewezen gaf het ijs me een ideale kans andere jongelui uit de buurt te ontmoeten of beter te leren kennen. Eén van hen leerde ik heel goed kennen. Ze was veertien, de oudste van vijf kinderen die met hun ouders op Huis ten Bosch woonden, stroomopwaarts aan de rivier, vlak buiten ons dorp. Ze schaatste niet zo goed. Misschien wel omdat haar ene been een beetje achterbleef. Ze had op het ijs een sterke partner nodig. We schaatsten veel samen, elke dag, bijna de hele dag door…’
Bronnen
E.J. Rinsma, ‘De 100 lentes van de Bethune’, in: Nederlandse Historiën (Berkel en Rodenrijs 1980).
Fred Gaasbeek e.a., Maarssen Geschiedenis en architectuur (Utrecht 2007) 187-188, 276, 363-364, 374-377.
Gids voor de Vechtstreek (Amstelveen 1973/1974) 21-33.
Henry Wynmalen, Dressage, 3rd Edition (London 1959) en A biographical note by Julia Wynmalen (1984) 289-304.
Hans Knippenberg & Willem Heinemeijer, Het begin van de Ruimtelijke Wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam: de eerste leerstoel aardrijkskunde (1877-1907) en zijn bekleder C.M. Kan (Amsterdam1997).
Met dank aan de heer Pieter van Vloten voor het beschikbaar stellen van de foto’s van de familie Van Vloten. Ook dank aan Johan Dorst voor de informatie en de hartelijke ontvangst op Nimmerdor.