400
700
900
Van Oudaen naar Cromwijck - Een wandeling langs de Vecht van Oudaen naar Vechtenstein Deel 1
Bemmel, Hans J.H.W. van

Van Oudaen naar Cromwijck - Een wandeling langs de Vecht van Oudaen naar Vechtenstein Deel 1

48e jaargang (bladzijde 87) nr.3 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Wandeling

Plot

Een wandeling langs de Vecht van Oudaen naar Vechtenstein
Deel 1: Van Oudaen naar Cromwijck

Hans van Bemmel


‘Aldus verthoonen de Wooninghen,
Hofsteden, en Ghebouwen,
gelegen aende Noord-oost zyde vande Vecht,
Van ’t Huys ‘t Oudaen
langs de Heerlycheyt van Maersseveen
tot aen Vechtesteyn’.

Een prent uit 1650 met deze tekst inspireerde mij enkele jaren geleden om ruim 350 jaar na het verschijnen ervan een deel van de afgebeelde Vechtoever nog eens af te lopen om te zien wat er veranderd is in die eeuwen en om de bijzonderheden ervan nader te beschrijven. Over deze wandeling van Cromwijck tot de Kaatsbaanbrug heb ik toen een lezing gehouden voor de leden van de HKM en ik heb er later twee artikelen over gepubliceerd (Periodiek, nr. 1-, en 2-2017). Mij is daarna diverse keren gevraagd om ook de twee niet behandelde delen van de prent te bespreken: het deel van Oudaen tot Cromwijck en dat van de Evert Stokbrug tot Vechtesteyn \Ik heb daarom toch nog de twee genoemde delen van de bebouwing langs de oostoever van de Vecht ‘afgewandeld’. Hieronder volgt een verslag van mijn bevindingen. U kunt de gezamenlijke artikelen als gids gebruiken voor een wandeling van vier à vijf kilometer langs de Vechtoever. Let u wel op het drukke verkeer op het Zandpad.

Oudaen en omgeving
Oudaen is het eerste gebouw dat op de prent van 1650 staat afgebeeld Het is het oudste, nog bestaande kasteel in de Vechtstreek met een lange en rijke bouw- en bewoningsgeschiedenis, waaruit we enkele gebeurtenissen nader belichten.
Die geschiedenis begint omstreeks 1280 wanneer in opdracht van Hendrick van Loenersloot een versterkte woontoren wordt gebouwd op de Vechtoever iets ten zuiden van Breukelen met het doel de scheepvaart op de Vecht te controleren. Er resteren nog enkele muren uit die tijd: die zijn maar liefst twee meter dik! Ook de uit kloostermoppen opgebouwde toegangspoort dateert uit die beginperiode en zou een onderdeel geweest kunnen zijn van een ommuurde voorburcht. In 1950 is het bovenste deel van deze poort verwijderd omdat men bang was voor instorting. Rond 1300 stonden aan weerszijden van de toegangspoort bouwhuizen (voorgebouwen van het kasteel). Deze huizen hebben diverse functies gehad, zoals tuinmanswoning, koetshuis, oranjerie en stalling voor paarden en koeien. Het zijn nu twee wooneenheden die particulier bewoond worden.
Vanaf 1300 heeft er in de directe nabijheid van het kasteel een boerenhofstede gestaan. In de loop der eeuwen is deze boerderij diverse malen verbouwd en vernieuwd, maar al die tijd – tot omstreeks 1975 – in bedrijf gebleven. Na 1975 verrees er een agrarisch bedrijf aan de oostzijde van Oudaen. Dit had tot gevolg dat een 150 jaar oude, haaks op de Vecht staande wandelallee ten zuiden van Oudaen, de zogenoemde Duuring- of Niftarlakelaan, gekapt dreigde te worden. De laan bestaat uit eiken en essen en een voormalig geriefbosje, het Spijkerbos. De naam van de laan is ontleend aan de familie Duuring, eigenaren van Oudaen in de negentiende eeuw. Zij hebben deze wandelallee aangelegd.
Veel later, in de periode 1990-1995 is er veel te doen geweest over de dreigende kap van de laan en het Spijkerbos. De laan zou het functioneren van het agrarische bedrijf belemmeren en de kosten van het onderhoud van laan en bosje werden ook bezwaarlijk gevonden. De omwonenden en organisaties als de Vechtplassencommissie zijn toen een actie begonnen om de bomen te behouden én met succes. De laan bleef dus behouden, maar is helaas is niet toegankelijk voor publiek.
Opmerkelijk is dat op het landgoed Oudaen nog een weg loopt. De opdracht voor de aanleg van dit pad ten noorden van het huis kwam in 1674 van Jacob II van der Burch, heer van Oudaen. Het pad wordt daarom aangeduid met de naam Heer van Oudaensweghie. De weg loopt ongeveer parallel aan het Zandpad en kwam aanvankelijk aan beide zijden daarop uit. Het pad is op veel topografische kaarten te zien en is deels nog aanwezig, maar helaas ook niet toegankelijk. De functie ervan is niet duidelijk. Was het bedoeld als alternatieve route voor het Zandpad langs de Vecht omdat dit pad slecht begaanbaar geweest zou zijn in natte perioden? Er zijn twijfels over deze verklaring.

Bewoners en veranderingen aan het huis
Ten tijde van het geslacht Van Drakenborch – dat Oudaen van 1451 tot 1578 in bezit had – is het gebouw aan de noordzijde geleidelijk vergroot en ontstond de noordelijke vleugel van het gebouw. In deze periode werd Oudaen erkend als ridderhofstad. Dit bracht bepaalde voordelen met zich mee, waaronder belastingvrijdom en het lidmaatschap van de Staten van Utrecht, dus politieke invloed.
In die tijd besloeg het totale grondbezit van Oudaen een oppervlakte van 45 morgen; dat is 372.600 m2 (1 morgen is 8.280 m2). Daar kun je ruim 74 voetbalvelden op aanleggen. Het grondgebied liep van de Vecht tot aan de Zogwetering in het oosten en van de boerderij Oud Klarenburg aan het Zandpad tegenover Nijenrode tot aan het Tienhovens kanaal. Het terrein bestond uit bouwland, weiland, boomgaard en bos.

Het hangtorentje aan de voorkant (de westzijde) dateert uit de periode 1600-1625. De laatste grote uitbreiding vond plaats aan de oostzijde in de periode 1578-1689 toen het kasteel bewoond werd door de families Van Sneeck en Van der Burgh. Het jaar 1672 staat in onze geschiedenis bekend als het rampjaar. Dat was het ook voor de Vechtstreek, maar niet voor kasteel Oudaen. De binnengevallen Franse troepen vernielden toen vele kastelen in de Vechtstreek, maar Oudaen werd slechts licht beschadigd. Over de reden daarvoor, is niets met zekerheid te zeggen. Een verklaring zou kunnen zijn dat de bewoners inderdaad de door de Fransen opgelegde brandschatting (afkoopsom ter voorkoming van het in brand steken) betaald hebben. Van Joan Huydecoper is bijvoorbeeld bekend dat hij Goudestein voor brandstichting heeft behoed door de som geld te betalen die de Fransen verlangden. Het kan echter ook zijn dat het kasteel niet in brand is gestoken omdat een Franse bevelhebber zich erin had gevestigd. Een laatste mogelijke verklaring is: de toenmalige bewoners, de familie Van der Burgh, stonden bekend als zeer trouwe katholieken.

Van 1807 tot 1827 is Oudaen in bezit geweest van de in Amsterdam wonende Hendrik Jacob Ortt van Nijenrode die het kasteel als buitenhuis gebruikte. Na zijn dood verkocht zijn weduwe het kasteel aan Gerrit Duuring. Wat hij naast het kasteel aan opstallen kocht, is op te maken uit het veilingbiljet: tuinmanswoning, koetshuis met stalling voor acht paarden een hooi- en havenzolder, een gebouw geschikt voor gebruik als oranjerie en een kapitale boerenhofstede bestaande uit een huis, ruim achterhuis en stalling voor 19 koeien en 13 paarden, een bakhuis en een schuur waarin stalling voor 20 stuks vee.
Gerrit Duuring werd als eigenaar opgevolgd door zijn zoon Gerard, die op zijn beurt Oudaen vermaakte aan zijn dochters. Zij hielden Oudaen niet in de familie, maar verkochten het in 1889. In de periode Duuring (1827-1889) is er veel gebeurd. Het kasteel en de opstallen werden grondig gerestaureerd en aan de noordzijde van het kasteel werd een parkbos aangelegd. Er is in deze periode iets merkwaardigs gebeurd, want rond 1840 werd de voorgevel van het kasteel bekleed met witgeverfde, horizontaal aangebrachte planken. In 1976 werden deze weer verwijderd. Een overtuigende verklaring voor het aanbrengen van deze houten voorgevel ontbreekt. Er is een verhaal dat zegt dat tussen Nijenrode en Oudaen een strijd was ontstaan, die gewonnen werd door Nijenrode. Oudaen moest vervolgens als straf en ter vernedering (?) de voorgevel van planken voorzien. Er is een minder romantische verklaring mogelijk. Wellicht heeft men het hout aangebracht als isolatie ter verbetering van het wooncomfort of als bescherming van de buitenmuur, bijvoorbeeld vanwege slechte voegen en/of waterdoorslag. Het hout zal niet aangebracht zijn ter verfraaiing, want dan was het ook wel op andere muren aangebracht. Het past natuurlijk niet bij een kasteel.
De familie Duuring had nog meer tegenslagen. In de periode 1848-1850 werd het fort Tienhoven gebouwd in het kader van de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De grond daarvoor behoorde tot Oudaen. Duuring wilde het stuk grond niet afstaan, maar het werd vervolgens door de staat onteigend.
Van 1889 tot 1971 is het kasteel in bezit geweest van de familie Willink van Collem (van Gunterstein) en de familie Quarles van Ufford, die het door vererving in handen kregen. Daarna wordt de familie Dukes-Greup de eigenaresse. In deze periode onderging Oudaen een grondige restauratie. Mevrouw Dukes-Greup heeft veel onderzoek gedaan naar de geschiedenis van het kasteel. De resultaten heeft zij beschreven in haar proefschrift ‘Vecht en Veste’. In de twintigste eeuw werden alle landerijen en opstallen van Oudaen verkocht. Het kasteelgebouw, de slotgracht en het noordelijk parkbos vormen nu nog het totale bezit van het kasteel Oudaen.

Kees Klap (1913-1991), schoolmeester en dichter uit Oud-Maarsseveen, schreef in 1995-1996 een cyclus van gedichten over de Vechtstreek, waarin ook een gedicht over kasteel Oudaen.

RIDDERHOFSTAD OUDAEN IN DE HERFST

Een grijs kasteeltje achter ’t gele blad,
Een stoep, een ophaalbrug, een kleine toren,
Ik luister, speels weerklinkt een helle horen,
De ridder komt, de honden blaffen op het pad.

De ridder komt, de ridder is een boer,
Hij draagt de geuren van de herfstdag mede
en handhaaft trouw de landelijke vrede
want zijn vermaard geslacht is vroom en stoer.

Het zwaard telt hier nu minder dan de ploeg,
Schilden en speren buigen voor de spade,
Ridder en boer delen in de genade,
Een oogst van vrede, die de akker droeg.

Dit is voorbij! Misschien is ’t nooit geweest.
Zal echter zonder kinderlijke dromen
Wel ooit een hart tot laatste vrijheid komen?
Ridderhofstad: een naam rijk als een feest.

(Toelichting: Het kasteeltje ligt in een krans van boerderijen)
Voor we onze weg vervolgen, doen we nog twee uitstapjes. Het eerste brengt ons naar Utrecht waar immers ook een kasteel Oudaen staat. Hoe zit dat? Het versterkte, stenen stadskasteel Oudaen aan de Oudegracht 99 in Utrecht werd in opdracht van de familie Zoudenbalch rond 1280 gebouwd in een tijd dat alle huizen in de stad nog van hout waren en bedekt met een rieten dak. Tegen het eind van de veertiende eeuw kwam het kasteel in de handen van Dirck Taets van Oudaen. Hij kreeg het van zijn vader in 1395 als huwelijksgeschenk. Stadskasteel Zoudenbalch werd – toen de heer van Zoudenbalch vervolgens een nieuw huis liet bouwen eveneens met de naam Zoudenbalch – voortaan Oudaen genoemd.
Het tweede uitstapje leidt ons van Oudaen even terug richting Breukelen. Net voorbij Schulp Vruchtensappen en pal tegenover Nijenrode staat de mooie, witte villa Silversteyn uit 1930. Veel Maarssenaren kennen een ander Silversteyn: het koetshuis van Goudestein uit de zeventiende eeuw. Hoe komt het Breukelense Silversteyn aan zijn naam? De verklaring is simpel. Het huis is gebouwd in opdracht van de burgemeester van Breukelen, jonkheer mr. M.H. Roëll. Hij was burgemeester van 1930 tot 1946 en was getrouwd met jonkvrouwe J.E. Huydecoper. Op haar advies werd de burgemeesterswoning Silversteyn genoemd. Het pand was jarenlang in gebruik bij Nijenrode.

We vervolgen nu onze weg richting de Kraaienestersluis (. Op de prent van 1650 zien we dan naast Oudaen nog een boerderij liggen, vervolgens een bruggetje (nu vervangen door een duiker onder het Zandpad) en dan een parkbos tot aan de Nieuweweg. Het parkbos is er nog steeds, maar nu staat even ten zuiden van de Laan van Duuring een ingangspartij met de naam Nijen Veght met daarachter allerlei opstallen en een woning. In het verleden lag hier een boomgaard met een appelschuur en een koelcel van fruitteler Jonker, bekend om de kwaliteit van zijn fruit.

Tienhovens kanaal en Kraaienestersluis en -brug
Het Tienhovens kanaal, vroeger de Tienhovensche Vaart, is een eeuwenoude, aangelegde waterloop die ooit de afscheiding vormde tussen het Tienhovense en het Breukeleveense deel van de veenontginningen. In de zeventiende eeuw was de Tienhovensche Vaart belangrijk voor de afvoer van turf naar de Vecht en vervolgens naar de steden Utrecht en Amsterdam. Bij de aanleg in 1460 moest voor de verbinding met de Vecht bij het Zandpad een doorgang gemaakt worden van voldoende breedte en een brug met een voldoende doorvaarhoogteInwoners van Tienhoven en Breukeleveen hadden het eeuwig recht op vrije doorvaart en waren vrijgesteld van tol en waterschapsbelasting.
In de negentiende eeuw werd de vaart verbreed tot een kanaal ten behoeve van een verbinding met de Eem bij Eemnes, maar aangezien turf als brandstof minder belangrijk werd, verloor het kanaal grotendeels zijn functie. In de sluismuur zit een gedenksteen met de datum 16 juni 1879, die aangeeft dat er toen werkzaamheden zijn verricht. In 1945 werd de sluis door de Duitsers opgeblazen en kwam het achterliggende gebied onder water te staan. In 1946 kon de sluis weer in gebruik worden genomen. Het herstel leidde er wel toe dat het de status van monument verloor.
De sluis is van belang voor de drinkwatervoorziening en is daarom lange tijd in bezit geweest van het Amsterdamse Waterleidingbedrijf. In 1992 werd de in slechte staat verkerende sluis overgenomen door het Plassenschap Loosdrecht. Dat besloot in 1997 om de sluis buiten gebruik te stellen en in plaats daarvan eventueel een overtoom of overhaal (een dam met aan beide zijden een scheepshelling) te maken. Daar is veel tegen geprotesteerd onder verwijzing naar de bepaling uit 1650 die immers een eeuwig vrije doorgang garandeerde. Het Plassenschap heeft daarop besloten de sluis in zijn geheel te vernieuwen. Dat is gebeurd in de jaren 2002-2003. De kosten werden geschat op € 700.000, maar het werk werd uiteindelijk aanbesteed voor een bedrag van € 1.100.000. Diverse instanties hebben financieel bijgedragen, waaronder de Europese Unie voor een bedrag van € 250.000. In mei 2003 is de sluis feestelijk, officieel geopend. Wat altijd weer spannend is voor de passerende bootrecreant: de sluis mag/moet zelf bediend worden.

De hofstede Het Kraayenest
Op de prent van 1650 is deze hofstede nog niet aangegeven. Het pand is kort na 1650 gebouwd als woning voor de sluiswachter/tolgaarder. Het huidige huis dateert van rond 1730 en functioneerde achtereenvolgens als tapperij, herberg en rechthuis voor het gerecht Breukelen-Proosdij en als polderhuis voor Breukeleveen. Van 1813 tot 1948 was er de raadzaal van de gemeente Breukelen-Sint Pieters gevestigd. Daarna werd het pand gebruikt als sluiswachterswoning. De laatste bewoner was mevrouw Van Schaik. In mei 1997 is het pand bij openbare inschrijving verkocht. De minimum inzet was f 800.000; de hoogste bieder betaalde f 1.040.800.

Brug over het Zandpad
Het brugje uit 1460 is diverse malen vernieuwd; zo ook in 1914. Als herinnering daaraan zit in het metselwerk aan de oostzijde van de brug een gedenksteen waarop de namen staan van de schout, de heemraden, de secretaris en de penningmeester van het bestuur van het waterschap Breukeleveen en Tienhoven. Toen koningin Wilhelmina haar 50-jarig regeringsjubileum vierde in augustus 1948 werd de brug door de omwonenden ‘omgetoverd’ tot een waterval en was over de brug een versierde erehaag gemaakt
Het hele complex van kanaal, sluis, brug en woning is door de bekende Vechtschilder Nicolaas Bastert in een zwart/wit tekening vastgelegd. Jarenlang is hier ook een halteplaats geweest van het Vechtstoombootje.

Slangevegt
Tegenover de sluis aan de andere zijde van de Vecht ligt de buitenplaats Slangevegt. Het huis dateert van ongeveer 1722 en werd toen al bewoond door de familie De Wit. Tot aan zijn dood heeft hier Leonard Corneille Dudok de Wit (1843-1913) gewoond, beter bekend als Kees de Tippelaar. Hij maakte wandeltochten over de hele wereld. In 1890 liet hij op de Vechtoever bij zijn huis een Museum voor Land- en Volkenkunde bouwen. Na zijn dood wordt de inventaris van zijn museum geveild en het museumgebouw verkocht. Het gebouw wordt verbouwd tot enkele woningen.
Kees organiseerde ook allerlei evenementen, waaronder het zogenoemde tobbedansen in de Vecht. Nu nog krijgt de Breukelense schooljeugd elk jaar gratis poffertjes, betaald uit een fonds opgericht door Kees de Tippelaar; zo ook de schrijver van dit artikel en zijn vader.
Langs dit gedeelte van de Vecht is sprake geweest (of nog steeds deels aanwezig) van diverse agrarische activiteiten:
- Rondom Oudaen: akkerbouw, veeteelt en fruitteelt. Schulp sr. woonde in één van de huizen naast Oudaen en beheerde daar een boomgaard. Zijn zoon ontwikkelde daaruit het bedrijf Schulp Vruchtensappen b.v.
- We noemden reeds Jonker Fruit.
- Sluiswachter Van Wijngaarde bediende niet alleen de sluis, maar was ook fruitkweker.
- Stolwijk Vee en Fruit was gevestigd op de monumentale boerderij Rietveldstate, die in 1980 door brand werd verwoest.
- De familie Van Barneveld, nabij het buitenplaatsje Himsma, heeft een veehouderij.
- De familie Verhoef heeft een tuinderij achter de buitenplaats Cromwijck.

De steen- en panoven Vecht en Rhijn
Verder wandelend over het zandpad zien wij in een bocht van de Vecht aan de overkant een opvallend bouwsel. Het is de laatste van de vele steen- en panovens die vanaf de vijftiende eeuw langs de Vecht gestaan hebben. Links naast Vecht en Rhijn staat de directeurswoning van de steenoven uit 1803. De goede kleigronden langs de rivier waren de grondstof voor de steenovens. Goede aan- en afvoermogelijkheden via de Vecht en de aanwezigheid van brandstof in de vorm van turf vormden extra gunstige omstandigheden voor de vestiging van de ovens.
Vecht en Rhijn komt voor het eerst voor in de geschiedenis in 1774. De naam is afgeleid van de Vecht en het tegenover Oudaen in de Vecht uitmondende stroompje Haarrijn. Het bedrijf bestond uit twee ovens die tweemaal per jaar werden gestookt; per periode was sprake van zes weken stoken en zes weken afkoelen. Dat leverde in de achttiende eeuw een jaarproductie op van 1,6 miljoen stenen. Zowel aan de oostzijde (steenoven Cromwijck) als aan de westzijde (steenoven Vecht en Rhijn) staan nog de kleine arbeidershuizen van de arbeiders van de ovens.

De Olifant
Naast Vecht en Rhijn staat de al enkele honderden jaren oude herberg en vroegere wisselplaats voor tuigpaarden De Olifant. Tot de opening van de A2 was de Straatweg de hoofdverbinding tussen Amsterdam en Utrecht en verversten de rijtuigen hier hun paarden. Vanaf de zeventiende eeuw tot 1956 was hier ook een veerdienst over de Vecht. In de Franse tijd is de weg, rond circa 1812, in opdracht van Napoleon voorzien van klinkers en keien, vandaar Straatweg (Route Impérial no. 2). De naam Olifant zou afgeleid zijn van de zware, hoge diligences, de zogenaamde olifantenwagens, waarmee Van Gend en Loos het personenvervoer verzorgde tussen Utrecht en Amsterdam (reistijd 5 uur).

Slot
In de bocht van de weg (Zandweg 129/130), vlak voor wij de buitenplaats Cromwijck bereiken, staat een merkwaardig huis met opvallende, halfronde ramen dat de indruk wekt niet afgebouwd te zijn. Het huis zou omstreeks 1927 gebouwd zijn op grond van Cromwijck waarbij gebruik is gemaakt van de materialen van de ontmantelde steenbakkerij van Cromwijck. Mogelijk is ook een deel van de oude opstallen gebruikt bij de bouw van het huis. Dat zou de ronde vorm van de muur kunnen verklaren.
Cromwijck hebben we al eerder behandeld in het deel van de wandeling die liep van Cromwijck naar de Evert Stokbrug in Maarssen-Dorp (zie de opening van dit artikel).
Tot slot nog een opmerking over de Vecht, met name over het deel waar wij zojuist langs gewandeld zijn. Het heeft niet veel gescheeld of het Vechtlandschap was hier totaal veranderd. De Vecht vormde, zoals u wellicht weet, een belangrijk deel van de vaarroute naar het Duitse achterland. De onvrede over de bevaarbaarheid van de Vecht, met name bij Amsterdam, leidde in de negentiende eeuw tot allerlei plannen voor verbetering ervan. Omstreeks 1881 is er een plan ontwikkeld om de Vecht vanaf Breukelen tot Cromwijck te kanaliseren . De Vecht zou dan buiten gebruik worden gesteld en ten oosten ervan zou dan een nieuwe vaarroute komen. Gelukkig is het plan niet doorgegaan en werd een ander plan ontwikkeld en uitgevoerd: het Merwedekanaal.


Bronnen
M.A. Dukes-Greup, Vecht en veste. Proefschrift (Delft 1993).
A. Manten en Marina Laméris. Breukelen. Geschiedenis en Architectuur. Monumenten-Inventarisatie Provincie Utrecht (Zeist en Utrecht 2008).