400
700
900
Voormalige UTD-fabriek viert 100-jarig jubileum
Aimée Mooiman

Voormalige UTD-fabriek viert 100-jarig jubileum

48e jaargang (bladzijde 125) nr.4 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Industrieel erfgoed

Plot

Voormalige UTD-fabriek viert 100-jarig jubileum

Aimée Mooiman

Dit jaar is het dubbel feest op Westkanaaldijk 7 te Utrecht. De voormalige UTD-fabriek bestaat 100 jaar en DeFabrique Evenementenlocatie viert haar 20-jarig jubileum. Het opvallende pand met haar torenhoge silo’s, tentvormige opslagloods en in de zon schitterende, gele letters is sinds de bouw een bekend en historisch belangrijk gebouw voor Maarssen en omgeving. Reis mee door een eeuw geschiedenis en ontdek hoe een oude lijnolie- en mengvoederfabriek uitgroeide tot één van de bekendste evenementenlocaties van Nederland.

Hoe het begon
In 1887 kocht Tsjaerd Twijnstra voor zijn 21-jarige zoon Ulbe de wind- en stoomoliemolen ‘De Eendragt’ in het Friese Akkrum. Deze molen perste olie uit lijnzaad, soja en copra, wat vervolgens werd gebruikt voor de fabricage van zeep, margarine, verven en vernissen. Vooral de wind zorgde voor drijfkracht, maar er was ook een kleine stoommachine aanwezig. Halverwege de negentiende eeuw telde Nederland 540 oliemolens, waarvan er zo’n 50 in Friesland stonden. De grootste afnemers van de plantaardige oliën waren zeep- en margarinefabrikanten. Voor molenaars was vooral het ‘afvalproduct’ lijnkoek interessant. Lijnkoek is het pulp dat overblijft na het persen van de olie en kan als veevoer worden gebruikt. Alleen in de winter was er afzet van de koeken, omdat de koeien dan op stal stonden en de boeren hen bijvoerden. Het zal dan ook niet verbazen dat de oliemolens vooral in veerijke weidestreken stonden. Hier bloeide de zuivelindustrie op, waardoor er steeds meer waarde werd gehecht aan goed veevoer. Oliemolens werden gezien als een interessante investering, omdat ze producten op twee afzonderlijke markten afzetten.

Olieslagerij
Vanwege het verwerkingsproces werden oliemolens ook wel ‘olieslagerijen’ genoemd. In de molen werd het zaad allereerst tussen walsen geplet. Het verkregen meel werd op een groot, met turf gestookt fornuis verwarmd waardoor de olie zich makkelijker uit het meel verwijderde. Het warme meel werd vervolgens in platte zakken verpakt en per twee in de pers geplaatst. Een door windmolen of stoommachine aangedreven heiwerk sloeg een wigvormig blok steeds verder in de pers waardoor de olie uit het meel werd geperst. Na zo’n 30 slagen was de olie uit het meel verwijderd en bleven er twee zogenaamde voorslagkoeken over.

Moderniseren
De jonge Ulbe Twijnstra pakte de zaken energiek aan. In 1891 werd de windmolen afgebroken en werd er een modern fabriekscomplex gebouwd. De stoommachine werd vervangen door een grotere en uit Engeland werden er persen aangeschaft waarmee de olie sneller en beter uit het gemalen zaad kon worden geperst. Tegelijkertijd werd er in het Friese Franeker een soortgelijke fabriek aangekocht die ook direct werd gemoderniseerd. De ‘UT’ groeide in korte tijd uit van een kleine, plaatselijke industrie tot een goed georganiseerd grootbedrijf, een echte industriële onderneming. Door eigen research en constante kwaliteit bouwde UT een goede naam op bij boeren. Als Ulbe Twijnstra in 1912 plotseling overlijdt, neemt zijn zoon Tjeerd Jacob Twijnstra drie jaar later de leiding op zich van het familiebedrijf U. Twijnstra’s Oliefabrieken NV in Akkrum. De Fries is dan 25 jaar oud.

Landelijke afzet
Kort na de Eerste Wereldoorlog wilde Tjeerd een landelijke afzet van zijn producten. Hij zocht hiervoor een geschikte locatie in het midden van het land. In het jaarverslag van 1917 - 1918 meldde de directie dat zij aan de zeehaven te Dordrecht een terrein van twee hectare hadden gekocht voor de bouw van een nieuwe fabriek. De aanvoer van grondstoffen hoefde dan niet meer via de Zuiderzee, wat nog wel eens problemen opleverde. Plotseling liep de vraag naar lijnolie echter drastisch terug en de prijs kelderde, waarschijnlijk als gevolg van het eindigen van de Eerste Wereldoorlog. De vraag naar veekoek steeg echter sterk. Op het laatste moment besloot de directie het terrein in Dordrecht te verkopen en een dubbel zo groot stuk grond in Maarssen te kopen. Voor koekafzet lag Maarssen namelijk veel gunstiger en de aanvoerkosten van lijnzaad waren niet veel hoger. Het dorp Maarssen vlak bij Utrecht was gunstig gelegen aan de spoorlijn Utrecht - Amsterdam en aan het Merwedekanaal (het huidige Amsterdam-Rijnkanaal). De ligging aan goed vaarwater was voor de fabriek erg belangrijk in verband met de aan- en afvoer van grondstoffen. Hiervoor werd zelfs een eigen insteekhaven gegraven, waardoor het complex zowel per boot, trein, paard-en-wagen, en later ook met vrachtwagens goed bereikbaar was.

UT naar Maarssen
Zo verrees dus in april 1921 op een steenworp afstand van Utrecht een moderne fabriek voor de persing van lijnolie en de productie van veekoeken. Een goede vriend van Tjeerd was architect en hij ontwierp verschillende gebouwen. De basis van de fabriek bestond uit een olieperserij, veekoekenfabriek, expeditiecentrum en ronde silo’s van beton. Helaas kreeg men ook te maken met tegenslagen. Vanwege een strenge winter en het faillissement van de bouwer liep de bouw flinke vertraging op. Naarmate het project vorderde, kwamen machines uit Franeker en Akkrum naar Maarssen toe. Een ploeg UT-ers kwam ook mee om te assisteren bij de bouw en bij het installeren van de machines.

De Friezenbuurt
Toen de fabriek gereed was, kwam er een tweede stroom Friezen uit Akkrum naar Maarssen. Ook kantoorpersoneel werd overgeplaatst, want Maarssen werd het nieuwe hoofdkantoor. Al deze nieuwe inwoners moesten natuurlijk ook gehuisvest worden. Hiervoor had de UT een overeenkomst gesloten met de gemeente voor de huur van nieuw te bouwen woningen. Met garantie van de fabriek bouwde de gemeente aan de overzijde van het kanaal, langs de Straatweg, een wijkje met kleine arbeiderswoningen dat bekend staat als de Friezenbuurt. De Maarssense gemeenschap had veel profijt van hun komst. In vakbonden, kerken, verenigingen en gemeenteraden: overal kwam je Friezen tegen. De fabriek bood veel werkgelegenheid, niet alleen voor de Friezen, maar ook veel mensen uit de omgeving hebben hier hun brood verdiend.

Continue bedrijvigheid
Zo stond Tjeerd Jacob Twijnstra als jonge ondernemer aan het hoofd van twee florerende bedrijven. Met schepen kwamen grondstoffen binnen, deze werden met een kraan met grijper in bakken gestort en vervolgens via transportbanden naar de verschillenden persmachines getransporteerd. Alle machines werden vanuit het ketelhuis met schoorsteen aangedreven door een stoommachine. Zodra het productieproces klaar was, werden de eindproducten in zakken verpakt en in het expeditiecentrum opgeslagen. Van daaruit werden de zakken op schepen, treinen, wagens en later vrachtwagens geladen. Dit continue proces was mogelijk door drieploegendiensten. Per dag werkten er drie groepen, bestaande uit mensen met het juiste vakmanschap, acht uur in de fabriek.

Sociaal karakter
UT werd gezien als een heel sociaal bedrijf, zo vertellen oud-medewerkers. Het katholiek opinieblad De Linie zegt over Tjeerd Jacob Twijnstra: ‘Een samenbindend figuur, een pionier in het steeds evoluerende proces der maatschappelijke ontwikkeling.’ De Nieuwe Rotterdamse Courant zegt: ‘Geen strijd maar samenwerking: dit beginsel heeft zijn streven gekenmerkt overal waar hij geroepen werd leiding te geven.’ Hoe zag je dit terug in de bedrijfsvoering? Al tijdens het 25-jarig jubileum in 1912 zette Twijnstra een pensioenfonds op, waaraan elk jaar uit de winst een donatie werd toegevoegd, zodat je niet je hand op hoefde te houden als je niet meer kon werken. Later werd er ook een steunfonds opgezet. Personeelszaken hield dan een dubbeltje per maand in van je salaris en bij grote, onverwachte uitgaven kon je een beroep doen op dit fonds. Het bedrijf stopte hier zelf ook geld in. Daarnaast had UT een fanfarekorps dat vaak op feestdagen in het dorp speelde. Er was ook een ‘jutezakkenafdeling’ waar oude mensen, die lastig aan een baan konden komen, werden aangenomen om jutezakken te repareren. Het aanbieden van deze werkgelegenheid was in die tijd behoorlijk vooruitstrevend.

Voortbestaan bedreigd
Directeur Tjeerd Jacob Twijnstra zag in de jaren twintig twee gevaren voor zijn onderneming ontstaan: de oprukkende landbouwcoöperaties gingen zelf koeken produceren en de margarine-industrie perste zelf oliezaden. Hij zocht naar mogelijkheden om de positie van UT veilig te stellen. Twijnstra stelde voor om een zeepziederij aan te kopen. De geproduceerde lijnolie kon dan worden gebruikt voor de fabricage van zeep. Aan de zuidkant van de haven werd een zeepfabriek gebouwd.

Wereldwijde crisis
Het gevaar voor UT was echter nog niet geweken. De Roaring Twenties kwamen in 1929 abrupt tot stilstand als gevolg van de beurscrash op Wall Street, waarbij de aandelenkoersen ongekend snel kelderden. Het gevolg was een wereldwijde crisis. Vanwege de lage koekprijzen was het persen van oliezaden niet meer rendabel. De productie werd verminderd, de werkweek werd ingekort en fabrieksarbeiders werden ontslagen. Daar kwam als ongunstige factor ook de groeiende macht van de Margarine Unie bij. Voor sojaolie, kokosolie en grondnotenolie was de Margarine Unie vrijwel de enige koper en die kocht niet bij derden. Ook de koekenmarkt was geheel ingestort; een rampzalige toestand dus. Twijnstra onderhandelde nog met de Margarine Unie over een samenwerking met behoud van zelfstandigheid. Dit leverde helaas niets op.
Een nieuwe fusie bedreigde begin 1930 het voortbestaan van UT. De Margarine Unie en Lever Brothers (de twee grootverbruikers van oliën en vetten) werden het eens: Unilever ontstond. Zij was marktleider op het gebied van margarine en zeep. Uiteindelijk ging UT in 1930 een samenwerking aan met het internationale bedrijf om te profiteren van de gezamenlijke inkoop van grondstoffen en zo het voortbestaan van de onderneming veilig te stellen.

Overstap
Lange tijd waren veekoeken slechts het bijproduct van de oliefabriek, maar steeds vaker brachten fabrikanten gemengde koeken op de markt. Door de gunstige eigenschappen waren deze een betere voeding voor de koe en het was goedkoper voor de boer. In 1937 werd er in de fabriek een mengvoederafdeling gebouwd. De eerste stap van olieslagerij naar mengvoederfabriek was gezet.

Tweede Wereldoorlog
Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog stagneerde de aanvoer van oliezaden en in april 1940 kromp het personeelsbestand opnieuw. Alle ontslagen arbeiders vonden werk bij Defensie, waar men met man en macht bezig was om de Nieuwe Hollandse Waterlinie te versterken. In de oorlogsjaren werd op alle mogelijke manieren geprobeerd het personeel van UT aan het werk te houden door bijvoorbeeld turfsteken, wegenaanleg en zakjes vullen met surrogaatzeep. Helaas werden er 17 medewerkers verplicht in Duitsland te werk gesteld van wie er, voor zover bekend, één niet terugkeerde. Naarmate de oorlog langer duurde, nam de voedselvoorziening af. Dankzij de inspanningen van de fabrieksleiding van Maarssen en mede door hulp van Akkrum lukte het om alle personeelsleden en hun gezinnen toch van eten te voorzien. Aan het einde van de oorlog werden in de opslagloodsen van de fabriek Duitse krijgsgevangenen ondergebracht. De Engelse bewakers vestigden zich in het kantoor. De oorlogsbuit bestond uit een surrogaat fietsband, die nog een paar jaar op de kantoorfiets is gebruikt door de jongste bediende.

Overgang naar mengvoederfabriek
Veranderingen op de wereldmarkt zorgden ook voor een veranderende bedrijfsvoering bij UT. Na de Tweede Wereldoorlog groeiden de veestapels snel en werd het ‘voeder’ niet alleen meer gericht op rund, maar ook op varkens- en pluimvee. Twijnstra’s Olie en Voederkoekenfabriek stapte in 1945 over op copra, het gedroogde vruchtvlees van de kokosnoot. De kokosolie werd vooral gebruikt in de margarine-industrie. De kokosnoten werden opengebroken, het water afgevoerd en de pit gedroogd (bijvoorbeeld in de zon of in de oven). De korrels die overbleven werden vervolgens geplet om olie te extraheren. Ten behoeve van dit proces, verrees in 1950 een opvallende, tentvormige loods, nu bekend als de Copraloods. In deze ruimte werden alle kokosnoten opgeslagen. In 1959 overleed directeur Tjeerd Jacob Twijnstra en nam zijn zoon Ubbo Twijnstra het familiebedrijf over. Hij was al sinds de jaren vijftig technisch directeur. Uiteindelijk werd in 1962 – na 75 jaar – besloten de olieslagerij te sluiten. Mengvoeder werd van het bijproduct nu officieel het hoofdproduct.

Ontstaan UTD-fabriek
In het jaar 1963 fuseerde Twijnstra’s fabriek met de mengvoederafdeling van NV Oliefabrieken Calvé-Delft. Dit resulteerde in U.T.-Delfia BV, waarmee de naam van UT in UTD veranderde. Delfia was onderdeel van Unilever en daardoor een heel groot bedrijf. Door met hen te fuseren, vergrootte UT zijn afzetgebied en daarmee ook het marktaandeel. Uiteindelijk werd het in 1998 opgenomen in het Nutreco-concern, waar het fuseerde met Hendrix en zo Hendrix UTD werd. Sinds april 2012 maakt Hendrix UTD onderdeel uit van ForFarmers.

Verkoop fabriek
In 1991 werd de fabriek te koop gezet. Vijf jaar verstreken en niemand was geïnteresseerd. Ondernemer Jan van Eck werd door een bekende verleid tot een bezoekje en werd op slag verliefd op het pand. Er werd flink onderhandeld en op 15 oktober 1996 kreeg Jan de fabriek cadeau van zijn vrouw Krijnie voor zijn 50e verjaardag. De productie werd verplaatst naar Deventer en gedurende een half jaar werd de oude fabriek leeggeruimd. Jan wilde de ruimtes in het begin vooral gebruiken voor opslag. Hij had wel gedacht om er ooit een bedrijf te beginnen, maar dat werd pas een concreet idee toen hij Arjan Norbart leerde kennen. Arjan had veel kennis van en passie voor racen en vond de grote hal (nu bekend als Kartfabrique) uiterst geschikt voor een kartbaan. Twee jaar en een grote verbouwing later, werd in 2000 de kartbaan, inclusief horecagelegenheid geopend. Jan vertelt: ‘Ik hou van oude gebouwen, die eigenlijk rijp zijn voor de sloop, om daar een herbestemming voor te vinden. Niet direct slopen, maar nieuw leven inblazen. Dat zit in mijn DNA.’ Mede-eigenaar Allart van Eck vertelt: ‘Het gebouw heeft enorm veel karakter. Waarom zou je dat niet behouden? We kunnen de meest uiteenlopende activiteiten en evenementen organiseren, dat is een toegevoegde waarde voor de omgeving.’
Start DeFabrique
Bij de kartbaan zat ook een kleine locatie voor evenementen. Nadat een bezoeker aangaf dat hij op zoek was naar een evenementenlocatie en de uitstraling van het pand wel interessant vond, is de eerste ruimte leeggehaald en omgebouwd tot evenementenlocatie. In 2001 werd hier het allereerste evenement gehouden van DeFabrique Evenementenlocatie. ‘DeFabrique is organisch ontstaan en gegroeid. Het was echt pionieren.’ Jan en Krijnie zagen in de oude fabriek met zijn karakteristieke ruimtes een prachtige kans om een stukje historie te bewaren en met anderen te delen. Dankzij hun gedrevenheid werden er in twintig jaar tijd steeds meer silo’s en hallen geopend. De namen van deze ruimtes, zoals Perserij, Copraloods en Kalvermelkfabriek, verwijzen naar de rijke geschiedenis van de fabriek. Inmiddels telt DeFabrique 21 ruimtes met elk een unieke uitstraling en met de meest moderne faciliteiten. Elke ruimte is liefdevol gerestaureerd en vertelt zijn eigen verhaal. De familie doet er alles aan om het historische en industriële karakter te behouden. ‘Ik word er gelukkig van als oude spullen een nieuwe plek krijgen. Of het nu vliegtuigonderdelen, lampen of balkonhekken zijn. Als je iets tegenkomt onderweg, je hangt het op en het blijkt te kloppen, is dat fantastisch’, aldus Jan. Allart: ‘We hebben ons vizier alweer op de toekomst. Het is een continu proces om dit familiebedrijf generaties lang mee te laten gaan.’