49e jaargang (bladzijde 7) nr.1 / IN: Periodiek HKM
Maarssen op de kaart
Hans van Bemmel
Arjan van Weele
Inleiding
Zodra de mens leerde lezen en schrijven bediende hij zich van geografische kaarten. 1) Eén van de oudste landkaarten is de Bedolina Kaart, die ongeveer 15.000 jaar geleden werd uitgehouwen in de bergrotsen van Val Camonica, in de Italiaanse Alpen. Veel later, vanaf 600 v.Chr., zijn kaarten op kleitabletten, papyrus en perkament gevonden in Babylonië, Griekenland en Italië.
Geografische kaarten kennen we in allerlei soorten en maten: (militaire) stafkaarten, topografische kaarten, maritieme kaarten, kadasterkaarten die de eigendom van landerijen aangeven, stadsplattegronden, enzovoort. Kaarten kunnen op verschillende wijzen tot stand komen: handgetekend of -geschilderd, via steengravures, kopergravures of later via de drukpers. Een bekende cartograaf in ons land was Johannes Blaeu wiens ‘Atlas Major’, gepubliceerd in 1662, wereldberoemd werd.
Cartografen werden van oudsher meegestuurd met militaire of maritieme expedities. Zij hadden tot taak tijdens de reis de afgelegde afstanden bij te houden en de omgeving al dan niet gedetailleerd in beeld te brengen. Op de bestemming aangekomen werden de aantekeningen verder uitgewerkt. Voor zijn werk maakte de cartograaf in de zestiende eeuw gebruik van onder meer kompas, gradenboog, meetketting, passer en de Hollandse Cirkel. De meetketting was gewoonlijk 20 meter lang en bestond uit veertig gelijke ijzeren schakels die met ringen met elkaar waren verbonden. Iedere schakel was samen met de twee halve ringen aan weerszijden precies een halve meter lang. Men gebruikte de meetketting om korte afstanden nauwkeurig te meten. De Hollandse Cirkel was een vondst van Johannes Pieterszoon Dou (1572-1635). Het stelde landmeters in staat in het open veld nauwkeurig hoeken op te meten of uit te zetten.
De eerste kaarten van onze Vechtstreek dateren uit de zestiende eeuw. 2) Op die kaarten is te zien hoe menselijk ingrijpen het karakter van de Vechtstreek en Maarssen en omgeving in de afgelopen eeuwen heeft veranderd. Dit menselijk ingrijpen kan – wat betreft Maarssen en omstreken – vanaf 1600 grofweg in vier fasen worden onderverdeeld:
1. de komst van Joan Huydecoper aan het begin van de zeventiende eeuw en de totstandkoming van vele buitenplaatsen in onze gemeente daarna;
2. de grootschalige afgraving van veengronden voor de turfwinning in de achttiende eeuw;
3. de ontwikkelingen op gebied van verkeer en vervoer eind negentiende eeuw/begin twintigste eeuw;
4. de nieuwbouw van grote wijken als gevolg van de bevolkingstoename na de Tweede Wereldoorlog in de tweede helft van de twintigste eeuw.
De invloed van Joan Huydecoper van Maarsseveen
De Vecht en de kleine woongemeenschappen Maarssen, Breukelen en Loenen zijn op de ons bekende vroegste kaarten (1524) slechts rudimentair aangegeven. 3) Op deze kaarten zijn wel details weergegeven als kloosters, kerken, kastelen en bruggen over de Vecht. Vanaf 1600 verschijnen meer gedetailleerde kaarten.
De kaart van B.F. van Berckenrode uit 1621 geeft een duidelijk beeld van de toenmalige ‘gerechten’ Breuckeleveen, Tienoven, Maerseveen en Westbrouck. Deze gerechten dateerden uit de twaalfde eeuw en waren het resultaat van de uitgifte van moerasgrond door de bisschop van Utrecht met het doel deze in cultuur te brengen. Het patroon van de ontginning van het veen gelegen tussen de Vecht en de grens met het gewest Holland – de afgeknotte taartpunt – is duidelijk op de kaart te zien. Op de kaart vallen ook de Vechtdorpen Suylen, Maersen, Brueckelen, Loenen en Vreelant te ontdekken.
Meer gedetailleerde kaarten met betrekking tot Maarssen verschenen er met de komst van Joan Huydecoper (1599-1661), een belangrijke magistraat en vermogend koopman uit Amsterdam. 4) Huydecoper had van zijn vader de hofstede ‘De Gouden Hoeff’ geërfd. Vanaf 1628 liet hij de boerderij verbouwen tot buitenplaats onder de naam Goudensteyn, de eerste buitenplaats langs de Vecht.
Op de manuscriptkaart van Van Berckenrode uit 1629, een kaart waarvan slechts één exemplaar is vervaardigd, is deze situatie in beeld gebracht. De kaart werd in opdracht van Huydecoper gemaakt en brengt niet alleen twee voor hem belangrijke zaken in beeld - zijn buitenhuis met grondbezit en de plannen die hij had met dat grondbezit -, maar laat ook de veranderingen zien die het grondgebruik - en daarmee het karakter van het dorp - zou ondergaan in de jaren daarna. Een uitsnede uit deze kaart illustreert treffend wat er zou gaan gebeuren: de transformatie van Maarssen van boerendorp naar een lustoord van buitenplaatsen. De agrarische samenleving is nog aanwezig in de vorm van de boerderij De Gouden Hoeff met drie hooibergen en een duifhuis, maar de boerderij verdwijnt - hoe symbolisch - achter het nieuwe buitenhuis Goudensteyn.
De plannen van Huydecoper zijn te zien op de hele kaart van Van Berckenrode. Ten zuiden van Goudensteyn is de toekomstige verandering van de Vechtoever al zichtbaar. Bij een donkergekleurd perceel staat de naam van een toekomstige buitenplaats: Elsenburch en aansluitend staan de kleine buitenplaats/boerderij Somersbergen en het buitentje Vechtleven. In het achterland ten oosten van Goudensteyn is een langgerekte strook grond te zien. Een deel van deze strook is verdeeld in kavels, waarvan enkele al zijn voorzien van een naam van een toekomstig buitenhuis: Mariënhof, Swanenhof en Petershagen. De rest van de strook is nog niet ontwikkeld; het zijn (nog) percelen agrarische grond, aangeduid met termen als ‘bou lant’ en ‘camp’ (akker, omheind stuk grond). De kaart laat goed zien wat Huydecoper van plan is met de agrarische gronden die hij in zijn bezit had en hoe systematisch hij daarbij te werk ging.
Met zijn ‘projectontwikkeling’- de verkaveling van gronden ten behoeve van toekomstige buitenplaatsen - had Huydecoper grote invloed op de bebouwde omgeving en landschappelijke structuur van Maarssen. Onder zijn invloed kwamen er bijna veertig buitenplaatsen in en rond Maarssen tot stand. Die stonden niet alleen rond Goudensteyn, maar ook meer naar het noorden rond Geesbergen. Ook daar had hij gronden voor de ontwikkeling van buitenplaatsen opgekocht. Dat is goed te zien op de nieuwe editie van de kaart van Bosch en Colom uit 1660. Er bestaat wel twijfel of de in opdracht van Huydecoper gemaakte kaart betrouwbaar is. Waarschijnlijk is deze kaart uitgebracht als reclame, als onderdeel van een marketingcampagne voor zijn buitenplaatsontwikkeling. Onderzoek heeft uitgewezen dat een deel van de genoemde buitenhuizen op de kaart geen bestaande buitenhuizen zijn, maar percelen grond gereserveerd voor toekomstige buitenplaatsen.
Dat het karakter van Maarssen/Maarsseveen in die tijd sterk bepaald werd door de buitenplaatsen, blijkt ook uit de volgende uitspraak van ‘Geheymschrijver’ uit 1759: ‘Veel bewoners van elders zijn hier neergestreken en wonen in ruime huizen en op een aantal buitenplaatsen, (…) ja dit dorp is bijna als een stad, in vergelijking van enige stedekens die dorpsgewijze bewoond worden.’
Wie een indruk wil hebben van de buitenplaatsen aan en rond de Vecht in die tijd doet er goed aan ‘De zegepraalende Vecht’ te raadplegen. 5) Helaas zijn vele van de oorspronkelijk 120 buitenplaatsen in de loop der jaren verdwenen. Van de toenmalige buitenplaatsen in Maarssen zijn er nog twaalf over. Merk op dat het huidige Maarssen vanaf 1641 bestond uit Maarssen (Maersen) en Maarsseveen (Heerlijckheit van Maerseveen), waarbij Maarsseveen bestond uit twee delen: Oud- en Nieuw-Maarsseveen. Maarssen en Maarsseveen vormden verschillende gerechten, die begrensd werden door de Kaatsbaan. Aan deze situatie kwam pas in 1948 een eind, toen beide gemeenten werden samengevoegd.
De ontginning en vervening van de Vechtstreek
Vanaf 1100 begon de ontginning van de veenmoerassen aan de oostkant van de Vecht ten behoeve van de winning van landbouwgronden. Vermoedelijk werd deze kaart gebruikt voor fiscale doeleinden: het vastleggen van het eigendom van de betrokken landarealen ten behoeve van de belastingplicht.
Wat opvalt in deze kaart en andere geografische kaarten uit de zeventiende eeuw is dat de waterrijke gebieden rond Loosdrecht (Loosdrechtse Plassen), Tienhoven en Maarsseveen nog niet voorkomen. Dat zou echter niet lang duren. De groei van de bevolking deed begin achttiende eeuw de vraag naar brandstoffen (turf) sterk toenemen.
Binnen 100 jaar zou het landschap enorm veranderen. Door het afgraven en baggeren van het veen aan de oostzijde van de Vecht, ook in Tienhoven en Maarsseveen, ontstond een gebied met vele plassen dat weinig mogelijkheden bood tot landbouw en veeteelt. Die veranderingen zijn nog steeds zichtbaar op de kaart van Thijsse uit 1915. De kaart laat ook nog een aantal belangrijke ontwikkelingen zien uit de negentiende eeuw.
De vele plassen gaven aanleiding tot het plan om een deel weer droog te leggen. Eén zo’n plan betrof de drooglegging een eeuw later, rond 1850, van de Tienhovense en Maarsseveense Plassen. De concessie hiervoor werd in 1858 afgegeven. Echter, de sterke kwel van het grondwater maakte de drooglegging lang problematisch. Pas met de komst van krachtige stoommachines lukte het de markies De Béthune de droogmakerij te voltooien. Als dank werd de door hem drooggelegde polder sindsdien naar hem vernoemd.
Ontwikkeling verkeer en vervoer rond Maarssen
De kaart van Thijsse laat nog iets zien: de doorbreking van de agrarische gronden in de polder Maarssenbroek door enkele grote infrastructurele werken. Allereerst de aanleg van de Rhijnspoorweg, vervolgens de aanleg van het Merwedekanaal en later, nog niet zichtbaar op deze kaart, de A2. De Rhijnspoorweg was de eerste spoorlijn die werd aangelegd door de Nederlandse Rhijnspoorweg Maatschappij. De spoorlijn liep van het Amsterdamse Weesperpoortstation via Utrecht naar Arnhem. Het gedeelte tussen Amsterdam en Utrecht werd geopend in december 1843. Interessant detail is dat voor de realisatie van dit deel van het spoor onder andere grond rond Nieuwersluis moest worden aangekocht. De desbetreffende grootgrondbezitter Doude van Troostwijk (eigenaar en bewoner van de buitenplaats ‘Sterreschans’ in Loenen) was alleen tot verkoop bereid als er in Nieuwersluis ook een station zou komen en dit station in de dienstregeling zou worden opgenomen. En dat gebeurde! Aan deze regeling kwam pas in 1953 een einde. De spoorlijn maakte een eind aan het vervoer van passagiers per trekschuit tussen Amsterdam en Utrecht.
Het Merwedekanaal - thans Amsterdam-Rijnkanaal - dat werd in 1882-1891 gegraven om een betere verbinding mogelijk te maken voor de scheepvaart tussen Amsterdam, Utrecht en Duitsland. Als gevolg daarvan verminderde het aantal vaarbewegingen op de Vecht aanzienlijk. Dat gold uiteraard ook voor de vaartijd! Vele schippers waren ongetwijfeld blij dat zij de Vecht letterlijk konden omzeilen met zijn vele ondiepten, bochten en bruggen! Het verdwijnen van de vrachtroute naar de Rijn (‘Keulse Vaart’) over de Vecht werd door het lokale bestuur met angst tegemoet gezien. Men verwachtte dat Maarssen hierdoor grote economische schade zou oplopen. De aanleg bleek echter een ‘blessing in disguise’ te zijn. Tussen 1920 en 1950 vestigde zich een groot aantal industrieën in Maarssen langs het kanaal. Maarssen werd verder ontsloten door de aanleg van Rijksweg 2 met dubbele rijbanen in 1954 tussen Amsterdam, Utrecht en ’s Hertogenbosch. De komst van de industrie bracht ook het vraagstuk van de huisvesting van de vele arbeiders met zich mee.
Het gevolg van deze ingrepen in het landschap was dat de uitbreidingsmogelijkheden van Maarssen aan de westelijke kant van het dorp uitermate beperkt werden. Om deze reden werd als gevolg van de toenemende bevolking later eerst richting het oosten gekeken. Het was na de Tweede Wereldoorlog gedaan met de rust in en om Maarssen!
Verstedelijking van Maarssen-Dorp
De grote expansie van de bebouwing in Maarssen vond vooral na WOII plaats. Een opvallend groot plan van voor die tijd was het uitbreidingsplan Ter Meer. Hiervoor moest het Huis Ter Meer, eens een grote buitenplaats met schitterende Franse tuinen, wijken. Het huis werd in 1903 gesloopt.
Huis Ter Meer werd in 1710 door Vincent Maximiliaan van Lockhorst gebouwd, op de fundamenten van het toenmalige slot Zuylenburg, met een tuin die bijna een vierkante kilometer besloeg. De buitenplaats bleef tot 1788 in familiebezit, waarna deze in de loop der tijd in verval raakte. In 1903 werd de grond verkaveld en gebruikt voor huizenbouw. Thans resteren nog twee hekpalen van het toegangshek op de hoek Parkweg-Kerkweg. Ook de naam Termeerbrug herinnert aan dit ooit glansrijke bezit. Met de bebouwing van deze grond kon Maarssen voorlopig in de groeiende behoefte aan woonruimte voorzien.
De naoorlogse woningbouw richtte zich in het begin vooral op het gebied ten oosten van de Diependaalsedijk. Deze bouwfase leidde tot twee wijken: de Staatsliedenbuurt en het Zeeheldenkwartier. De uitbreidingsplannen moesten een bevolkingsaanwas mogelijk maken van 6.500 tot 12.000 inwoners.
Het meest opvallende woningbouwproject was natuurlijk de nieuwbouw van Maarssenbroek, aan de westelijk kant van Maarssen en aan de andere van het Amsterdam-Rijnkanaal. In de loop der jaren werden van 1970 tot ongeveer 1990 diverse wijken voortvarend uit de grond gestampt. Eerst zagen Bloemstede en Boomstede het licht. Er zouden nog vele wijken volgen. Er kwam ook een grootschalige winkelvoorziening in de vorm van winkelcentrum Bisonspoor. In die tijd waren ongeveer 24.000 van de 40.000 inwoners die de gemeente Maarssen telde, in Maarssenbroek woonachtig. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat de vele boerderijen langs de Maarssenbroeksedijk en de bijbehorende hooi- en weilanden geheel verdwenen. In deze jaren werden verspreid door het dorp nog vele andere woningbouwprojecten gerealiseerd, bijvoorbeeld Zandweg-Oostwaard, de Componistenbuurt, Zogwetering, de Reizende Man en De Hoge Brug.
Het meest recente omvangrijke bouwproject, gestart in 2007, is de bouw van de wijk Op Buuren in Oud-Hollandse stijl met een grote verscheidenheid aan woningen en appartementen. Nieuw was dat de wijk autoluw werd gemaakt. Dat bereikte men door binnen de vierkante bebouwing de binnenzijde te benutten voor tuinen en parkeerplaatsen voor auto's. Ook werd in een gracht voorzien die ontsloot op de Vecht. Hierdoor werd voor vele bewoners waterrecreatie mogelijk.
Voor de volledigheid vermelden we dat Maarssen op 1 januari 2011 bestuurlijk werd samengevoegd met de gemeenten Loenen en Breukelen tot de fusiegemeente ‘Stichtse Vecht’. Deze bestuurlijke actie veranderde aan het landschap vanzelfsprekend weinig.
Slot: Maarssen op de kaart
Maarssen werd in de zeventiende eeuw door toedoen van Joan Huydecoper het dorp waar het buitenleven aan de Vecht begon. Binnen een halve eeuw werd het boerendorp omgetoverd tot een lustoord van buitenplaatsen. Maarssen, c.q. Maarsseveen kreeg een buitenplaatseconomie. Vele Maarssenaren vonden werk op de prachtige buitenplaatsen en zomerresidenties als dienstmeid, keukenhulp, koetsier, hovenier of ‘daghuurder’. Ook werkte men als arbeider in de lokale steen- en pannenbakkerijen. De buitenplaatsen en de steenbakkerijen, maar meer algemeen de groei van de steden in de Republiek, deden de vraag naar brandstoffen toenemen. Dit leidde tot een sterke vervening van het gebied. In de achttiende eeuw ontstonden hierdoor de waterrijke gebieden in Loosdrecht en Maarsseveen die later voor een klein deel weer werden drooggelegd (de Bethunepolder).
Vanaf het derde kwart van de achttiende eeuw begon het verval van de buitenhuizen. De vrijkomende gronden werden deels weer als agrarische grond in gebruik genomen. Een volgende belangrijke ingreep in het landschap werd veroorzaakt door de komst van het Merwedekanaal, de spoorlijn Utrecht-Amsterdam en een eeuw later de A2. Een en ander leidde tot een begrenzing van de uitbreidingsmogelijkheden van Maarssen-Dorp. De naoorlogse ontwikkelingen kenmerken zich door een enorme nieuwbouw, die ten koste ging van het agrarische landschap en de agrarische bedrijvigheid. In en om Maarssen stonden 150 boerderijen met bijbehorende gronden, die na WOII praktisch allemaal zijn verdwenen. Een vijftiental boerderijen is nog in gebruik als veehouderij. Dezelfde ontwikkeling deed zich voor bij de gronden die in gebruik waren als tuinderij. De geografische kaarten van de afgelopen eeuwen vormen een krachtige spiegel van de grote veranderingen die Maarssen en haar omgeving doormaakten.
Bronnen
J. Blaeu, Atlas Major (Amsterdam 1662).
M. Donkersloot-de Vrij, De Vechtstreek: oude kaarten en de geschiedenis van het landschap (Weesp 1985).
D. Stoopendaal, De zegepraalende Vecht (Amsterdam 1719).
Jac. P. Thijsse, De Vecht (Zaandam 1915).
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op twee lezingen die Hans van Bemmel eerder hield onder dezelfde titel voor de Historische Kring Maarssen in 2008 en het Vechtstreekmuseum in 2020. De auteurs danken Jan Simonis voor zijn waardevolle opmerkingen en aanvullingen.
2. Zie voor een gedetailleerde beschrijving M. Donkersloot-de Vrij.
3. Zie M. Donkersloot-de Vrij, pp. 39-40.
4. Joan Huydecoper bekleedde zesmaal het ambt van burgemeester van Amsterdam. Door de verwerving van de heerlijkheid van Maarsseveen en Neerdijck liet hij zich later aanduiden als Joan Huydecoper van Maarsseveen.
5. De oorspronkelijke versie uit 1719 bevat schitterende kopergravures van de hand van Daniel Stoopendaal van meer dan 100 buitenplaatsen en dorpsgezichten langs de Vecht. Het boek werd herdrukt in 1790, 1807 en 1998.
Maarssen op de kaart
Hans van Bemmel
Arjan van Weele
Inleiding
Zodra de mens leerde lezen en schrijven bediende hij zich van geografische kaarten. 1) Eén van de oudste landkaarten is de Bedolina Kaart, die ongeveer 15.000 jaar geleden werd uitgehouwen in de bergrotsen van Val Camonica, in de Italiaanse Alpen. Veel later, vanaf 600 v.Chr., zijn kaarten op kleitabletten, papyrus en perkament gevonden in Babylonië, Griekenland en Italië.
Geografische kaarten kennen we in allerlei soorten en maten: (militaire) stafkaarten, topografische kaarten, maritieme kaarten, kadasterkaarten die de eigendom van landerijen aangeven, stadsplattegronden, enzovoort. Kaarten kunnen op verschillende wijzen tot stand komen: handgetekend of -geschilderd, via steengravures, kopergravures of later via de drukpers. Een bekende cartograaf in ons land was Johannes Blaeu wiens ‘Atlas Major’, gepubliceerd in 1662, wereldberoemd werd.
Cartografen werden van oudsher meegestuurd met militaire of maritieme expedities. Zij hadden tot taak tijdens de reis de afgelegde afstanden bij te houden en de omgeving al dan niet gedetailleerd in beeld te brengen. Op de bestemming aangekomen werden de aantekeningen verder uitgewerkt. Voor zijn werk maakte de cartograaf in de zestiende eeuw gebruik van onder meer kompas, gradenboog, meetketting, passer en de Hollandse Cirkel. De meetketting was gewoonlijk 20 meter lang en bestond uit veertig gelijke ijzeren schakels die met ringen met elkaar waren verbonden. Iedere schakel was samen met de twee halve ringen aan weerszijden precies een halve meter lang. Men gebruikte de meetketting om korte afstanden nauwkeurig te meten. De Hollandse Cirkel was een vondst van Johannes Pieterszoon Dou (1572-1635). Het stelde landmeters in staat in het open veld nauwkeurig hoeken op te meten of uit te zetten.
De eerste kaarten van onze Vechtstreek dateren uit de zestiende eeuw. 2) Op die kaarten is te zien hoe menselijk ingrijpen het karakter van de Vechtstreek en Maarssen en omgeving in de afgelopen eeuwen heeft veranderd. Dit menselijk ingrijpen kan – wat betreft Maarssen en omstreken – vanaf 1600 grofweg in vier fasen worden onderverdeeld:
1. de komst van Joan Huydecoper aan het begin van de zeventiende eeuw en de totstandkoming van vele buitenplaatsen in onze gemeente daarna;
2. de grootschalige afgraving van veengronden voor de turfwinning in de achttiende eeuw;
3. de ontwikkelingen op gebied van verkeer en vervoer eind negentiende eeuw/begin twintigste eeuw;
4. de nieuwbouw van grote wijken als gevolg van de bevolkingstoename na de Tweede Wereldoorlog in de tweede helft van de twintigste eeuw.
De invloed van Joan Huydecoper van Maarsseveen
De Vecht en de kleine woongemeenschappen Maarssen, Breukelen en Loenen zijn op de ons bekende vroegste kaarten (1524) slechts rudimentair aangegeven. 3) Op deze kaarten zijn wel details weergegeven als kloosters, kerken, kastelen en bruggen over de Vecht. Vanaf 1600 verschijnen meer gedetailleerde kaarten.
De kaart van B.F. van Berckenrode uit 1621 geeft een duidelijk beeld van de toenmalige ‘gerechten’ Breuckeleveen, Tienoven, Maerseveen en Westbrouck. Deze gerechten dateerden uit de twaalfde eeuw en waren het resultaat van de uitgifte van moerasgrond door de bisschop van Utrecht met het doel deze in cultuur te brengen. Het patroon van de ontginning van het veen gelegen tussen de Vecht en de grens met het gewest Holland – de afgeknotte taartpunt – is duidelijk op de kaart te zien. Op de kaart vallen ook de Vechtdorpen Suylen, Maersen, Brueckelen, Loenen en Vreelant te ontdekken.
Meer gedetailleerde kaarten met betrekking tot Maarssen verschenen er met de komst van Joan Huydecoper (1599-1661), een belangrijke magistraat en vermogend koopman uit Amsterdam. 4) Huydecoper had van zijn vader de hofstede ‘De Gouden Hoeff’ geërfd. Vanaf 1628 liet hij de boerderij verbouwen tot buitenplaats onder de naam Goudensteyn, de eerste buitenplaats langs de Vecht.
Op de manuscriptkaart van Van Berckenrode uit 1629, een kaart waarvan slechts één exemplaar is vervaardigd, is deze situatie in beeld gebracht. De kaart werd in opdracht van Huydecoper gemaakt en brengt niet alleen twee voor hem belangrijke zaken in beeld - zijn buitenhuis met grondbezit en de plannen die hij had met dat grondbezit -, maar laat ook de veranderingen zien die het grondgebruik - en daarmee het karakter van het dorp - zou ondergaan in de jaren daarna. Een uitsnede uit deze kaart illustreert treffend wat er zou gaan gebeuren: de transformatie van Maarssen van boerendorp naar een lustoord van buitenplaatsen. De agrarische samenleving is nog aanwezig in de vorm van de boerderij De Gouden Hoeff met drie hooibergen en een duifhuis, maar de boerderij verdwijnt - hoe symbolisch - achter het nieuwe buitenhuis Goudensteyn.
De plannen van Huydecoper zijn te zien op de hele kaart van Van Berckenrode. Ten zuiden van Goudensteyn is de toekomstige verandering van de Vechtoever al zichtbaar. Bij een donkergekleurd perceel staat de naam van een toekomstige buitenplaats: Elsenburch en aansluitend staan de kleine buitenplaats/boerderij Somersbergen en het buitentje Vechtleven. In het achterland ten oosten van Goudensteyn is een langgerekte strook grond te zien. Een deel van deze strook is verdeeld in kavels, waarvan enkele al zijn voorzien van een naam van een toekomstig buitenhuis: Mariënhof, Swanenhof en Petershagen. De rest van de strook is nog niet ontwikkeld; het zijn (nog) percelen agrarische grond, aangeduid met termen als ‘bou lant’ en ‘camp’ (akker, omheind stuk grond). De kaart laat goed zien wat Huydecoper van plan is met de agrarische gronden die hij in zijn bezit had en hoe systematisch hij daarbij te werk ging.
Met zijn ‘projectontwikkeling’- de verkaveling van gronden ten behoeve van toekomstige buitenplaatsen - had Huydecoper grote invloed op de bebouwde omgeving en landschappelijke structuur van Maarssen. Onder zijn invloed kwamen er bijna veertig buitenplaatsen in en rond Maarssen tot stand. Die stonden niet alleen rond Goudensteyn, maar ook meer naar het noorden rond Geesbergen. Ook daar had hij gronden voor de ontwikkeling van buitenplaatsen opgekocht. Dat is goed te zien op de nieuwe editie van de kaart van Bosch en Colom uit 1660. Er bestaat wel twijfel of de in opdracht van Huydecoper gemaakte kaart betrouwbaar is. Waarschijnlijk is deze kaart uitgebracht als reclame, als onderdeel van een marketingcampagne voor zijn buitenplaatsontwikkeling. Onderzoek heeft uitgewezen dat een deel van de genoemde buitenhuizen op de kaart geen bestaande buitenhuizen zijn, maar percelen grond gereserveerd voor toekomstige buitenplaatsen.
Dat het karakter van Maarssen/Maarsseveen in die tijd sterk bepaald werd door de buitenplaatsen, blijkt ook uit de volgende uitspraak van ‘Geheymschrijver’ uit 1759: ‘Veel bewoners van elders zijn hier neergestreken en wonen in ruime huizen en op een aantal buitenplaatsen, (…) ja dit dorp is bijna als een stad, in vergelijking van enige stedekens die dorpsgewijze bewoond worden.’
Wie een indruk wil hebben van de buitenplaatsen aan en rond de Vecht in die tijd doet er goed aan ‘De zegepraalende Vecht’ te raadplegen. 5) Helaas zijn vele van de oorspronkelijk 120 buitenplaatsen in de loop der jaren verdwenen. Van de toenmalige buitenplaatsen in Maarssen zijn er nog twaalf over. Merk op dat het huidige Maarssen vanaf 1641 bestond uit Maarssen (Maersen) en Maarsseveen (Heerlijckheit van Maerseveen), waarbij Maarsseveen bestond uit twee delen: Oud- en Nieuw-Maarsseveen. Maarssen en Maarsseveen vormden verschillende gerechten, die begrensd werden door de Kaatsbaan. Aan deze situatie kwam pas in 1948 een eind, toen beide gemeenten werden samengevoegd.
De ontginning en vervening van de Vechtstreek
Vanaf 1100 begon de ontginning van de veenmoerassen aan de oostkant van de Vecht ten behoeve van de winning van landbouwgronden. Vermoedelijk werd deze kaart gebruikt voor fiscale doeleinden: het vastleggen van het eigendom van de betrokken landarealen ten behoeve van de belastingplicht.
Wat opvalt in deze kaart en andere geografische kaarten uit de zeventiende eeuw is dat de waterrijke gebieden rond Loosdrecht (Loosdrechtse Plassen), Tienhoven en Maarsseveen nog niet voorkomen. Dat zou echter niet lang duren. De groei van de bevolking deed begin achttiende eeuw de vraag naar brandstoffen (turf) sterk toenemen.
Binnen 100 jaar zou het landschap enorm veranderen. Door het afgraven en baggeren van het veen aan de oostzijde van de Vecht, ook in Tienhoven en Maarsseveen, ontstond een gebied met vele plassen dat weinig mogelijkheden bood tot landbouw en veeteelt. Die veranderingen zijn nog steeds zichtbaar op de kaart van Thijsse uit 1915. De kaart laat ook nog een aantal belangrijke ontwikkelingen zien uit de negentiende eeuw.
De vele plassen gaven aanleiding tot het plan om een deel weer droog te leggen. Eén zo’n plan betrof de drooglegging een eeuw later, rond 1850, van de Tienhovense en Maarsseveense Plassen. De concessie hiervoor werd in 1858 afgegeven. Echter, de sterke kwel van het grondwater maakte de drooglegging lang problematisch. Pas met de komst van krachtige stoommachines lukte het de markies De Béthune de droogmakerij te voltooien. Als dank werd de door hem drooggelegde polder sindsdien naar hem vernoemd.
Ontwikkeling verkeer en vervoer rond Maarssen
De kaart van Thijsse laat nog iets zien: de doorbreking van de agrarische gronden in de polder Maarssenbroek door enkele grote infrastructurele werken. Allereerst de aanleg van de Rhijnspoorweg, vervolgens de aanleg van het Merwedekanaal en later, nog niet zichtbaar op deze kaart, de A2. De Rhijnspoorweg was de eerste spoorlijn die werd aangelegd door de Nederlandse Rhijnspoorweg Maatschappij. De spoorlijn liep van het Amsterdamse Weesperpoortstation via Utrecht naar Arnhem. Het gedeelte tussen Amsterdam en Utrecht werd geopend in december 1843. Interessant detail is dat voor de realisatie van dit deel van het spoor onder andere grond rond Nieuwersluis moest worden aangekocht. De desbetreffende grootgrondbezitter Doude van Troostwijk (eigenaar en bewoner van de buitenplaats ‘Sterreschans’ in Loenen) was alleen tot verkoop bereid als er in Nieuwersluis ook een station zou komen en dit station in de dienstregeling zou worden opgenomen. En dat gebeurde! Aan deze regeling kwam pas in 1953 een einde. De spoorlijn maakte een eind aan het vervoer van passagiers per trekschuit tussen Amsterdam en Utrecht.
Het Merwedekanaal - thans Amsterdam-Rijnkanaal - dat werd in 1882-1891 gegraven om een betere verbinding mogelijk te maken voor de scheepvaart tussen Amsterdam, Utrecht en Duitsland. Als gevolg daarvan verminderde het aantal vaarbewegingen op de Vecht aanzienlijk. Dat gold uiteraard ook voor de vaartijd! Vele schippers waren ongetwijfeld blij dat zij de Vecht letterlijk konden omzeilen met zijn vele ondiepten, bochten en bruggen! Het verdwijnen van de vrachtroute naar de Rijn (‘Keulse Vaart’) over de Vecht werd door het lokale bestuur met angst tegemoet gezien. Men verwachtte dat Maarssen hierdoor grote economische schade zou oplopen. De aanleg bleek echter een ‘blessing in disguise’ te zijn. Tussen 1920 en 1950 vestigde zich een groot aantal industrieën in Maarssen langs het kanaal. Maarssen werd verder ontsloten door de aanleg van Rijksweg 2 met dubbele rijbanen in 1954 tussen Amsterdam, Utrecht en ’s Hertogenbosch. De komst van de industrie bracht ook het vraagstuk van de huisvesting van de vele arbeiders met zich mee.
Het gevolg van deze ingrepen in het landschap was dat de uitbreidingsmogelijkheden van Maarssen aan de westelijke kant van het dorp uitermate beperkt werden. Om deze reden werd als gevolg van de toenemende bevolking later eerst richting het oosten gekeken. Het was na de Tweede Wereldoorlog gedaan met de rust in en om Maarssen!
Verstedelijking van Maarssen-Dorp
De grote expansie van de bebouwing in Maarssen vond vooral na WOII plaats. Een opvallend groot plan van voor die tijd was het uitbreidingsplan Ter Meer. Hiervoor moest het Huis Ter Meer, eens een grote buitenplaats met schitterende Franse tuinen, wijken. Het huis werd in 1903 gesloopt.
Huis Ter Meer werd in 1710 door Vincent Maximiliaan van Lockhorst gebouwd, op de fundamenten van het toenmalige slot Zuylenburg, met een tuin die bijna een vierkante kilometer besloeg. De buitenplaats bleef tot 1788 in familiebezit, waarna deze in de loop der tijd in verval raakte. In 1903 werd de grond verkaveld en gebruikt voor huizenbouw. Thans resteren nog twee hekpalen van het toegangshek op de hoek Parkweg-Kerkweg. Ook de naam Termeerbrug herinnert aan dit ooit glansrijke bezit. Met de bebouwing van deze grond kon Maarssen voorlopig in de groeiende behoefte aan woonruimte voorzien.
De naoorlogse woningbouw richtte zich in het begin vooral op het gebied ten oosten van de Diependaalsedijk. Deze bouwfase leidde tot twee wijken: de Staatsliedenbuurt en het Zeeheldenkwartier. De uitbreidingsplannen moesten een bevolkingsaanwas mogelijk maken van 6.500 tot 12.000 inwoners.
Het meest opvallende woningbouwproject was natuurlijk de nieuwbouw van Maarssenbroek, aan de westelijk kant van Maarssen en aan de andere van het Amsterdam-Rijnkanaal. In de loop der jaren werden van 1970 tot ongeveer 1990 diverse wijken voortvarend uit de grond gestampt. Eerst zagen Bloemstede en Boomstede het licht. Er zouden nog vele wijken volgen. Er kwam ook een grootschalige winkelvoorziening in de vorm van winkelcentrum Bisonspoor. In die tijd waren ongeveer 24.000 van de 40.000 inwoners die de gemeente Maarssen telde, in Maarssenbroek woonachtig. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat de vele boerderijen langs de Maarssenbroeksedijk en de bijbehorende hooi- en weilanden geheel verdwenen. In deze jaren werden verspreid door het dorp nog vele andere woningbouwprojecten gerealiseerd, bijvoorbeeld Zandweg-Oostwaard, de Componistenbuurt, Zogwetering, de Reizende Man en De Hoge Brug.
Het meest recente omvangrijke bouwproject, gestart in 2007, is de bouw van de wijk Op Buuren in Oud-Hollandse stijl met een grote verscheidenheid aan woningen en appartementen. Nieuw was dat de wijk autoluw werd gemaakt. Dat bereikte men door binnen de vierkante bebouwing de binnenzijde te benutten voor tuinen en parkeerplaatsen voor auto's. Ook werd in een gracht voorzien die ontsloot op de Vecht. Hierdoor werd voor vele bewoners waterrecreatie mogelijk.
Voor de volledigheid vermelden we dat Maarssen op 1 januari 2011 bestuurlijk werd samengevoegd met de gemeenten Loenen en Breukelen tot de fusiegemeente ‘Stichtse Vecht’. Deze bestuurlijke actie veranderde aan het landschap vanzelfsprekend weinig.
Slot: Maarssen op de kaart
Maarssen werd in de zeventiende eeuw door toedoen van Joan Huydecoper het dorp waar het buitenleven aan de Vecht begon. Binnen een halve eeuw werd het boerendorp omgetoverd tot een lustoord van buitenplaatsen. Maarssen, c.q. Maarsseveen kreeg een buitenplaatseconomie. Vele Maarssenaren vonden werk op de prachtige buitenplaatsen en zomerresidenties als dienstmeid, keukenhulp, koetsier, hovenier of ‘daghuurder’. Ook werkte men als arbeider in de lokale steen- en pannenbakkerijen. De buitenplaatsen en de steenbakkerijen, maar meer algemeen de groei van de steden in de Republiek, deden de vraag naar brandstoffen toenemen. Dit leidde tot een sterke vervening van het gebied. In de achttiende eeuw ontstonden hierdoor de waterrijke gebieden in Loosdrecht en Maarsseveen die later voor een klein deel weer werden drooggelegd (de Bethunepolder).
Vanaf het derde kwart van de achttiende eeuw begon het verval van de buitenhuizen. De vrijkomende gronden werden deels weer als agrarische grond in gebruik genomen. Een volgende belangrijke ingreep in het landschap werd veroorzaakt door de komst van het Merwedekanaal, de spoorlijn Utrecht-Amsterdam en een eeuw later de A2. Een en ander leidde tot een begrenzing van de uitbreidingsmogelijkheden van Maarssen-Dorp. De naoorlogse ontwikkelingen kenmerken zich door een enorme nieuwbouw, die ten koste ging van het agrarische landschap en de agrarische bedrijvigheid. In en om Maarssen stonden 150 boerderijen met bijbehorende gronden, die na WOII praktisch allemaal zijn verdwenen. Een vijftiental boerderijen is nog in gebruik als veehouderij. Dezelfde ontwikkeling deed zich voor bij de gronden die in gebruik waren als tuinderij. De geografische kaarten van de afgelopen eeuwen vormen een krachtige spiegel van de grote veranderingen die Maarssen en haar omgeving doormaakten.
Bronnen
J. Blaeu, Atlas Major (Amsterdam 1662).
M. Donkersloot-de Vrij, De Vechtstreek: oude kaarten en de geschiedenis van het landschap (Weesp 1985).
D. Stoopendaal, De zegepraalende Vecht (Amsterdam 1719).
Jac. P. Thijsse, De Vecht (Zaandam 1915).
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op twee lezingen die Hans van Bemmel eerder hield onder dezelfde titel voor de Historische Kring Maarssen in 2008 en het Vechtstreekmuseum in 2020. De auteurs danken Jan Simonis voor zijn waardevolle opmerkingen en aanvullingen.
2. Zie voor een gedetailleerde beschrijving M. Donkersloot-de Vrij.
3. Zie M. Donkersloot-de Vrij, pp. 39-40.
4. Joan Huydecoper bekleedde zesmaal het ambt van burgemeester van Amsterdam. Door de verwerving van de heerlijkheid van Maarsseveen en Neerdijck liet hij zich later aanduiden als Joan Huydecoper van Maarsseveen.
5. De oorspronkelijke versie uit 1719 bevat schitterende kopergravures van de hand van Daniel Stoopendaal van meer dan 100 buitenplaatsen en dorpsgezichten langs de Vecht. Het boek werd herdrukt in 1790, 1807 en 1998.
Maarssen op de kaart
Hans van Bemmel
Arjan van Weele
Inleiding
Zodra de mens leerde lezen en schrijven bediende hij zich van geografische kaarten. 1) Eén van de oudste landkaarten is de Bedolina Kaart, die ongeveer 15.000 jaar geleden werd uitgehouwen in de bergrotsen van Val Camonica, in de Italiaanse Alpen. Veel later, vanaf 600 v.Chr., zijn kaarten op kleitabletten, papyrus en perkament gevonden in Babylonië, Griekenland en Italië.
Geografische kaarten kennen we in allerlei soorten en maten: (militaire) stafkaarten, topografische kaarten, maritieme kaarten, kadasterkaarten die de eigendom van landerijen aangeven, stadsplattegronden, enzovoort. Kaarten kunnen op verschillende wijzen tot stand komen: handgetekend of -geschilderd, via steengravures, kopergravures of later via de drukpers. Een bekende cartograaf in ons land was Johannes Blaeu wiens ‘Atlas Major’, gepubliceerd in 1662, wereldberoemd werd.
Cartografen werden van oudsher meegestuurd met militaire of maritieme expedities. Zij hadden tot taak tijdens de reis de afgelegde afstanden bij te houden en de omgeving al dan niet gedetailleerd in beeld te brengen. Op de bestemming aangekomen werden de aantekeningen verder uitgewerkt. Voor zijn werk maakte de cartograaf in de zestiende eeuw gebruik van onder meer kompas, gradenboog, meetketting, passer en de Hollandse Cirkel. De meetketting was gewoonlijk 20 meter lang en bestond uit veertig gelijke ijzeren schakels die met ringen met elkaar waren verbonden. Iedere schakel was samen met de twee halve ringen aan weerszijden precies een halve meter lang. Men gebruikte de meetketting om korte afstanden nauwkeurig te meten. De Hollandse Cirkel was een vondst van Johannes Pieterszoon Dou (1572-1635). Het stelde landmeters in staat in het open veld nauwkeurig hoeken op te meten of uit te zetten.
De eerste kaarten van onze Vechtstreek dateren uit de zestiende eeuw. 2) Op die kaarten is te zien hoe menselijk ingrijpen het karakter van de Vechtstreek en Maarssen en omgeving in de afgelopen eeuwen heeft veranderd. Dit menselijk ingrijpen kan – wat betreft Maarssen en omstreken – vanaf 1600 grofweg in vier fasen worden onderverdeeld:
1. de komst van Joan Huydecoper aan het begin van de zeventiende eeuw en de totstandkoming van vele buitenplaatsen in onze gemeente daarna;
2. de grootschalige afgraving van veengronden voor de turfwinning in de achttiende eeuw;
3. de ontwikkelingen op gebied van verkeer en vervoer eind negentiende eeuw/begin twintigste eeuw;
4. de nieuwbouw van grote wijken als gevolg van de bevolkingstoename na de Tweede Wereldoorlog in de tweede helft van de twintigste eeuw.
De invloed van Joan Huydecoper van Maarsseveen
De Vecht en de kleine woongemeenschappen Maarssen, Breukelen en Loenen zijn op de ons bekende vroegste kaarten (1524) slechts rudimentair aangegeven. 3) Op deze kaarten zijn wel details weergegeven als kloosters, kerken, kastelen en bruggen over de Vecht. Vanaf 1600 verschijnen meer gedetailleerde kaarten.
De kaart van B.F. van Berckenrode uit 1621 geeft een duidelijk beeld van de toenmalige ‘gerechten’ Breuckeleveen, Tienoven, Maerseveen en Westbrouck. Deze gerechten dateerden uit de twaalfde eeuw en waren het resultaat van de uitgifte van moerasgrond door de bisschop van Utrecht met het doel deze in cultuur te brengen. Het patroon van de ontginning van het veen gelegen tussen de Vecht en de grens met het gewest Holland – de afgeknotte taartpunt – is duidelijk op de kaart te zien. Op de kaart vallen ook de Vechtdorpen Suylen, Maersen, Brueckelen, Loenen en Vreelant te ontdekken.
Meer gedetailleerde kaarten met betrekking tot Maarssen verschenen er met de komst van Joan Huydecoper (1599-1661), een belangrijke magistraat en vermogend koopman uit Amsterdam. 4) Huydecoper had van zijn vader de hofstede ‘De Gouden Hoeff’ geërfd. Vanaf 1628 liet hij de boerderij verbouwen tot buitenplaats onder de naam Goudensteyn, de eerste buitenplaats langs de Vecht.
Op de manuscriptkaart van Van Berckenrode uit 1629, een kaart waarvan slechts één exemplaar is vervaardigd, is deze situatie in beeld gebracht. De kaart werd in opdracht van Huydecoper gemaakt en brengt niet alleen twee voor hem belangrijke zaken in beeld - zijn buitenhuis met grondbezit en de plannen die hij had met dat grondbezit -, maar laat ook de veranderingen zien die het grondgebruik - en daarmee het karakter van het dorp - zou ondergaan in de jaren daarna. Een uitsnede uit deze kaart illustreert treffend wat er zou gaan gebeuren: de transformatie van Maarssen van boerendorp naar een lustoord van buitenplaatsen. De agrarische samenleving is nog aanwezig in de vorm van de boerderij De Gouden Hoeff met drie hooibergen en een duifhuis, maar de boerderij verdwijnt - hoe symbolisch - achter het nieuwe buitenhuis Goudensteyn.
De plannen van Huydecoper zijn te zien op de hele kaart van Van Berckenrode. Ten zuiden van Goudensteyn is de toekomstige verandering van de Vechtoever al zichtbaar. Bij een donkergekleurd perceel staat de naam van een toekomstige buitenplaats: Elsenburch en aansluitend staan de kleine buitenplaats/boerderij Somersbergen en het buitentje Vechtleven. In het achterland ten oosten van Goudensteyn is een langgerekte strook grond te zien. Een deel van deze strook is verdeeld in kavels, waarvan enkele al zijn voorzien van een naam van een toekomstig buitenhuis: Mariënhof, Swanenhof en Petershagen. De rest van de strook is nog niet ontwikkeld; het zijn (nog) percelen agrarische grond, aangeduid met termen als ‘bou lant’ en ‘camp’ (akker, omheind stuk grond). De kaart laat goed zien wat Huydecoper van plan is met de agrarische gronden die hij in zijn bezit had en hoe systematisch hij daarbij te werk ging.
Met zijn ‘projectontwikkeling’- de verkaveling van gronden ten behoeve van toekomstige buitenplaatsen - had Huydecoper grote invloed op de bebouwde omgeving en landschappelijke structuur van Maarssen. Onder zijn invloed kwamen er bijna veertig buitenplaatsen in en rond Maarssen tot stand. Die stonden niet alleen rond Goudensteyn, maar ook meer naar het noorden rond Geesbergen. Ook daar had hij gronden voor de ontwikkeling van buitenplaatsen opgekocht. Dat is goed te zien op de nieuwe editie van de kaart van Bosch en Colom uit 1660. Er bestaat wel twijfel of de in opdracht van Huydecoper gemaakte kaart betrouwbaar is. Waarschijnlijk is deze kaart uitgebracht als reclame, als onderdeel van een marketingcampagne voor zijn buitenplaatsontwikkeling. Onderzoek heeft uitgewezen dat een deel van de genoemde buitenhuizen op de kaart geen bestaande buitenhuizen zijn, maar percelen grond gereserveerd voor toekomstige buitenplaatsen.
Dat het karakter van Maarssen/Maarsseveen in die tijd sterk bepaald werd door de buitenplaatsen, blijkt ook uit de volgende uitspraak van ‘Geheymschrijver’ uit 1759: ‘Veel bewoners van elders zijn hier neergestreken en wonen in ruime huizen en op een aantal buitenplaatsen, (…) ja dit dorp is bijna als een stad, in vergelijking van enige stedekens die dorpsgewijze bewoond worden.’
Wie een indruk wil hebben van de buitenplaatsen aan en rond de Vecht in die tijd doet er goed aan ‘De zegepraalende Vecht’ te raadplegen. 5) Helaas zijn vele van de oorspronkelijk 120 buitenplaatsen in de loop der jaren verdwenen. Van de toenmalige buitenplaatsen in Maarssen zijn er nog twaalf over. Merk op dat het huidige Maarssen vanaf 1641 bestond uit Maarssen (Maersen) en Maarsseveen (Heerlijckheit van Maerseveen), waarbij Maarsseveen bestond uit twee delen: Oud- en Nieuw-Maarsseveen. Maarssen en Maarsseveen vormden verschillende gerechten, die begrensd werden door de Kaatsbaan. Aan deze situatie kwam pas in 1948 een eind, toen beide gemeenten werden samengevoegd.
De ontginning en vervening van de Vechtstreek
Vanaf 1100 begon de ontginning van de veenmoerassen aan de oostkant van de Vecht ten behoeve van de winning van landbouwgronden. Vermoedelijk werd deze kaart gebruikt voor fiscale doeleinden: het vastleggen van het eigendom van de betrokken landarealen ten behoeve van de belastingplicht.
Wat opvalt in deze kaart en andere geografische kaarten uit de zeventiende eeuw is dat de waterrijke gebieden rond Loosdrecht (Loosdrechtse Plassen), Tienhoven en Maarsseveen nog niet voorkomen. Dat zou echter niet lang duren. De groei van de bevolking deed begin achttiende eeuw de vraag naar brandstoffen (turf) sterk toenemen.
Binnen 100 jaar zou het landschap enorm veranderen. Door het afgraven en baggeren van het veen aan de oostzijde van de Vecht, ook in Tienhoven en Maarsseveen, ontstond een gebied met vele plassen dat weinig mogelijkheden bood tot landbouw en veeteelt. Die veranderingen zijn nog steeds zichtbaar op de kaart van Thijsse uit 1915. De kaart laat ook nog een aantal belangrijke ontwikkelingen zien uit de negentiende eeuw.
De vele plassen gaven aanleiding tot het plan om een deel weer droog te leggen. Eén zo’n plan betrof de drooglegging een eeuw later, rond 1850, van de Tienhovense en Maarsseveense Plassen. De concessie hiervoor werd in 1858 afgegeven. Echter, de sterke kwel van het grondwater maakte de drooglegging lang problematisch. Pas met de komst van krachtige stoommachines lukte het de markies De Béthune de droogmakerij te voltooien. Als dank werd de door hem drooggelegde polder sindsdien naar hem vernoemd.
Ontwikkeling verkeer en vervoer rond Maarssen
De kaart van Thijsse laat nog iets zien: de doorbreking van de agrarische gronden in de polder Maarssenbroek door enkele grote infrastructurele werken. Allereerst de aanleg van de Rhijnspoorweg, vervolgens de aanleg van het Merwedekanaal en later, nog niet zichtbaar op deze kaart, de A2. De Rhijnspoorweg was de eerste spoorlijn die werd aangelegd door de Nederlandse Rhijnspoorweg Maatschappij. De spoorlijn liep van het Amsterdamse Weesperpoortstation via Utrecht naar Arnhem. Het gedeelte tussen Amsterdam en Utrecht werd geopend in december 1843. Interessant detail is dat voor de realisatie van dit deel van het spoor onder andere grond rond Nieuwersluis moest worden aangekocht. De desbetreffende grootgrondbezitter Doude van Troostwijk (eigenaar en bewoner van de buitenplaats ‘Sterreschans’ in Loenen) was alleen tot verkoop bereid als er in Nieuwersluis ook een station zou komen en dit station in de dienstregeling zou worden opgenomen. En dat gebeurde! Aan deze regeling kwam pas in 1953 een einde. De spoorlijn maakte een eind aan het vervoer van passagiers per trekschuit tussen Amsterdam en Utrecht.
Het Merwedekanaal - thans Amsterdam-Rijnkanaal - dat werd in 1882-1891 gegraven om een betere verbinding mogelijk te maken voor de scheepvaart tussen Amsterdam, Utrecht en Duitsland. Als gevolg daarvan verminderde het aantal vaarbewegingen op de Vecht aanzienlijk. Dat gold uiteraard ook voor de vaartijd! Vele schippers waren ongetwijfeld blij dat zij de Vecht letterlijk konden omzeilen met zijn vele ondiepten, bochten en bruggen! Het verdwijnen van de vrachtroute naar de Rijn (‘Keulse Vaart’) over de Vecht werd door het lokale bestuur met angst tegemoet gezien. Men verwachtte dat Maarssen hierdoor grote economische schade zou oplopen. De aanleg bleek echter een ‘blessing in disguise’ te zijn. Tussen 1920 en 1950 vestigde zich een groot aantal industrieën in Maarssen langs het kanaal. Maarssen werd verder ontsloten door de aanleg van Rijksweg 2 met dubbele rijbanen in 1954 tussen Amsterdam, Utrecht en ’s Hertogenbosch. De komst van de industrie bracht ook het vraagstuk van de huisvesting van de vele arbeiders met zich mee.
Het gevolg van deze ingrepen in het landschap was dat de uitbreidingsmogelijkheden van Maarssen aan de westelijke kant van het dorp uitermate beperkt werden. Om deze reden werd als gevolg van de toenemende bevolking later eerst richting het oosten gekeken. Het was na de Tweede Wereldoorlog gedaan met de rust in en om Maarssen!
Verstedelijking van Maarssen-Dorp
De grote expansie van de bebouwing in Maarssen vond vooral na WOII plaats. Een opvallend groot plan van voor die tijd was het uitbreidingsplan Ter Meer. Hiervoor moest het Huis Ter Meer, eens een grote buitenplaats met schitterende Franse tuinen, wijken. Het huis werd in 1903 gesloopt.
Huis Ter Meer werd in 1710 door Vincent Maximiliaan van Lockhorst gebouwd, op de fundamenten van het toenmalige slot Zuylenburg, met een tuin die bijna een vierkante kilometer besloeg. De buitenplaats bleef tot 1788 in familiebezit, waarna deze in de loop der tijd in verval raakte. In 1903 werd de grond verkaveld en gebruikt voor huizenbouw. Thans resteren nog twee hekpalen van het toegangshek op de hoek Parkweg-Kerkweg. Ook de naam Termeerbrug herinnert aan dit ooit glansrijke bezit. Met de bebouwing van deze grond kon Maarssen voorlopig in de groeiende behoefte aan woonruimte voorzien.
De naoorlogse woningbouw richtte zich in het begin vooral op het gebied ten oosten van de Diependaalsedijk. Deze bouwfase leidde tot twee wijken: de Staatsliedenbuurt en het Zeeheldenkwartier. De uitbreidingsplannen moesten een bevolkingsaanwas mogelijk maken van 6.500 tot 12.000 inwoners.
Het meest opvallende woningbouwproject was natuurlijk de nieuwbouw van Maarssenbroek, aan de westelijk kant van Maarssen en aan de andere van het Amsterdam-Rijnkanaal. In de loop der jaren werden van 1970 tot ongeveer 1990 diverse wijken voortvarend uit de grond gestampt. Eerst zagen Bloemstede en Boomstede het licht. Er zouden nog vele wijken volgen. Er kwam ook een grootschalige winkelvoorziening in de vorm van winkelcentrum Bisonspoor. In die tijd waren ongeveer 24.000 van de 40.000 inwoners die de gemeente Maarssen telde, in Maarssenbroek woonachtig. Het gevolg van deze ontwikkeling was dat de vele boerderijen langs de Maarssenbroeksedijk en de bijbehorende hooi- en weilanden geheel verdwenen. In deze jaren werden verspreid door het dorp nog vele andere woningbouwprojecten gerealiseerd, bijvoorbeeld Zandweg-Oostwaard, de Componistenbuurt, Zogwetering, de Reizende Man en De Hoge Brug.
Het meest recente omvangrijke bouwproject, gestart in 2007, is de bouw van de wijk Op Buuren in Oud-Hollandse stijl met een grote verscheidenheid aan woningen en appartementen. Nieuw was dat de wijk autoluw werd gemaakt. Dat bereikte men door binnen de vierkante bebouwing de binnenzijde te benutten voor tuinen en parkeerplaatsen voor auto's. Ook werd in een gracht voorzien die ontsloot op de Vecht. Hierdoor werd voor vele bewoners waterrecreatie mogelijk.
Voor de volledigheid vermelden we dat Maarssen op 1 januari 2011 bestuurlijk werd samengevoegd met de gemeenten Loenen en Breukelen tot de fusiegemeente ‘Stichtse Vecht’. Deze bestuurlijke actie veranderde aan het landschap vanzelfsprekend weinig.
Slot: Maarssen op de kaart
Maarssen werd in de zeventiende eeuw door toedoen van Joan Huydecoper het dorp waar het buitenleven aan de Vecht begon. Binnen een halve eeuw werd het boerendorp omgetoverd tot een lustoord van buitenplaatsen. Maarssen, c.q. Maarsseveen kreeg een buitenplaatseconomie. Vele Maarssenaren vonden werk op de prachtige buitenplaatsen en zomerresidenties als dienstmeid, keukenhulp, koetsier, hovenier of ‘daghuurder’. Ook werkte men als arbeider in de lokale steen- en pannenbakkerijen. De buitenplaatsen en de steenbakkerijen, maar meer algemeen de groei van de steden in de Republiek, deden de vraag naar brandstoffen toenemen. Dit leidde tot een sterke vervening van het gebied. In de achttiende eeuw ontstonden hierdoor de waterrijke gebieden in Loosdrecht en Maarsseveen die later voor een klein deel weer werden drooggelegd (de Bethunepolder).
Vanaf het derde kwart van de achttiende eeuw begon het verval van de buitenhuizen. De vrijkomende gronden werden deels weer als agrarische grond in gebruik genomen. Een volgende belangrijke ingreep in het landschap werd veroorzaakt door de komst van het Merwedekanaal, de spoorlijn Utrecht-Amsterdam en een eeuw later de A2. Een en ander leidde tot een begrenzing van de uitbreidingsmogelijkheden van Maarssen-Dorp. De naoorlogse ontwikkelingen kenmerken zich door een enorme nieuwbouw, die ten koste ging van het agrarische landschap en de agrarische bedrijvigheid. In en om Maarssen stonden 150 boerderijen met bijbehorende gronden, die na WOII praktisch allemaal zijn verdwenen. Een vijftiental boerderijen is nog in gebruik als veehouderij. Dezelfde ontwikkeling deed zich voor bij de gronden die in gebruik waren als tuinderij. De geografische kaarten van de afgelopen eeuwen vormen een krachtige spiegel van de grote veranderingen die Maarssen en haar omgeving doormaakten.
Bronnen
J. Blaeu, Atlas Major (Amsterdam 1662).
M. Donkersloot-de Vrij, De Vechtstreek: oude kaarten en de geschiedenis van het landschap (Weesp 1985).
D. Stoopendaal, De zegepraalende Vecht (Amsterdam 1719).
Jac. P. Thijsse, De Vecht (Zaandam 1915).
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op twee lezingen die Hans van Bemmel eerder hield onder dezelfde titel voor de Historische Kring Maarssen in 2008 en het Vechtstreekmuseum in 2020. De auteurs danken Jan Simonis voor zijn waardevolle opmerkingen en aanvullingen.
2. Zie voor een gedetailleerde beschrijving M. Donkersloot-de Vrij.
3. Zie M. Donkersloot-de Vrij, pp. 39-40.
4. Joan Huydecoper bekleedde zesmaal het ambt van burgemeester van Amsterdam. Door de verwerving van de heerlijkheid van Maarsseveen en Neerdijck liet hij zich later aanduiden als Joan Huydecoper van Maarsseveen.
5. De oorspronkelijke versie uit 1719 bevat schitterende kopergravures van de hand van Daniel Stoopendaal van meer dan 100 buitenplaatsen en dorpsgezichten langs de Vecht. Het boek werd herdrukt in 1790, 1807 en 1998.