400
700
900
Elsenburg, de verdwenen buitenplaats (Deel 3). Een hofstede langs de 'zilveren Vecht'
Simonis, Lily

Elsenburg, de verdwenen buitenplaats (Deel 3). Een hofstede langs de 'zilveren Vecht'

44e jaargang (bladzijde 104 ) nr.3 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Buitenplaats

Plot

Elsenburg, de verdwenen buitenplaats
Deel 3

Een hofstede langs de ‘zilveren Vecht’

Auteur: Lily Simonis

Dit is de tekst zonder afbeeldingen: zie daarvoor de papieren editie.

Het hofdicht
Wanneer de eigenaar van een buitenplaats huis en hof overzag, kon het zijn dat hij, trots op zijn bezit, zijn huis en haard aan de wereld wilde tonen. Dat kon door middel van schilderijen en etsen of topografische kaarten, maar een gedrukte tekst bereikte uiteraard een groter publiek. Zo ontstond in de tweede helft van de zeventiende eeuw het gebruik om dichters de buitenplaats en daarmee ook de eigenaar te laten bezingen in een gedicht waarin het huis, maar meer speciaal de hof, de tuin en de omgeving van het huis worden beschreven. 1)
Het is niet verwonderlijk dat in deze periode, waarin in vrijwel alle kunsten werd teruggegrepen op thema’s uit de klassieke oudheid, dit ook hier het geval was. Zoals huis en tuin min of meer vanuit eenzelfde classicistisch principe ontworpen waren, zo kende ook het hofdicht een vast stramien. Het is een gedicht in de ik-vorm waarin de dichter/verteller in de tegenwoordige tijd als het ware een bezoek brengt aan de buitenplaats, die dan ook nadrukkelijk in de titel vermeld wordt, evenals de naam van de eigenaar. Deze laatste krijgt veelal aan het einde van het gedicht lof toegezwaaid over al het moois dat er in zijn ‘hof ’ te genieten valt. In het gedicht staat de schoonheid van tuin en gaard centraal, met veel aan de klassieken ontleende referenties en vergelijkingen, maar er is ook aandacht voor de omgeving. Bij hofdichten over de buitenplaatsen aan de Vecht is dat, niet verwonderlijk, de schoonheid van de ‘zilveren Vecht’.
Ook het buiten Elsenburg van Jacob Burggraaf (zie Periodiek nr. 1-2017) wordt bezongen in een hofdicht. Het is gemaakt door de dichter en schilder Pieter Verhoek. Het gedicht wordt in dit artikel in een hertaling gepresenteerd en toegelicht. Het originele gedicht staat in een apart kader aan het eind van dit artikel.

De dichter
Pieter Verhoek (1633-1702) werd geboren in Bodegraven. Hij ontwikkelde al jong grote belangstelling voor de dichtkunst, maar werd opgeleid tot schilder (zie afbeelding 1). Hij kreeg teken- en schilderles in Gorinchem bij Jacob van der Ulft, waar hij zich bekwaamde in het schilderen op glas. Omdat deze kunstvorm wat uit de mode dreigde te raken, raadde Van der Ulft hem aan zijn talenten elders breder te gaan ontwikkelen. Hij ging op studiereis naar Italië waar hij zich toelegde op ruitergevechten, ‘schermutselingen’, die in Rome en Napels veel opzien baarden. Ook schilderde hij landschappen met kleine figuren. Hij vestigde zich in Amsterdam waar hij veel geld verdiende met marmerschilderen.
De literatuur bleef echter trekken. Hij werd lid van het beroemde literaire genootschap ‘Nil Volentibus Arduum’ (Niets is moeilijk voor hen die willen) en niemand minder dan Vondel zag hem als een man van wie “iets groots is te verwachten.” Zijn bekendste werk, het treurspel ‘Karel de Stoute’ (1689), heeft in de Amsterdamse schouwburg meer dan een eeuw repertoire gehouden. Zijn verzamelde gedichten zijn in 1726 door zijn broer Gijsbert uitgegeven. Gijsbert was eveneens schilder en ook hij had een voorkeur voor ruiterstukken. Hij was daarmee echter minder succesvol dan zijn broer.
Het feit dat Pieter Verhoeks werk betrekkelijk laat na zijn dood nog werd uitgegeven, kan als een indicatie van zijn roem worden gezien. Het toont aan dat Burggraaf wist wat er in de culturele wereld te koop was: het was niet een goedwillende amateur, maar een bekende en gewaardeerde dichter die de loftrompet stak over zijn Maarssense buiten in een ‘hofdicht’, een genre dat hij - getuige de bundel uit 1726 - uitstekend beheerste.

Het hofdicht op Elsenburg
De ik-verteller/dichter is een ruiter te paard, die wanneer hij afstijgt bij Elsenburg, bekoord raakt door de schoonheid ervan. Hij beschrijft de tuin, de landerijen en het huis en roemt tot slot ‘puikheer’ Jacob Burggraaf in persoon.
Als wij het gedicht beschouwen met betrekking tot de maker, Pieter Verhoek, ligt de veronderstelling voor de hand dat dit gedicht geschreven is na zijn reis naar Italië. Hij voegt in zijn gedicht een speciale noot toe over de aan de Golf van Napels gelegen plaats Baje (Latijn Baiae), die door de natuur verzwolgen is. Hij veronderstelde kennelijk dat de lezers hier geen weet van hadden, zodat enige toelichting was geboden voor een beter begrip. Misschien heeft Verhoek, die immers Napels heeft bezocht en er als schilder successen had geboekt, hier een stukje ‘autobiografie’ ingebracht. Datzelfde geldt wellicht voor het feit dat hij te paard, dat wil zeggen als een redelijk gefortuneerd man, de Vechtstreek bezoekt. In ieder geval doet de verteller zich niet voor als een broodschrijver, maar eerder als een bezoeker die min of meer op voet van gelijkheid zou kunnen staan met de eigenaar van het huis. Het is goed voorstelbaar dat Burggraaf in het Amsterdamse milieu met de succesvolle schilder/dichter in contact is gekomen en hem heeft gevraagd een gedicht aan Elsenburg te wijden (zie afbeelding 2).
Verhoek heeft zich in elk geval met verve van die taak gekweten. Hij heeft zijn gedicht rijkelijk opgetuigd met verwijzingen naar figuren uit de oudheid en goden of halfgoden uit de mythologie die voor de moderne lezer lang niet meer allemaal meteen ‘herkenbaar’ zijn. Hetzelfde geldt voor de zeventiende-eeuwse taal waarin het gedicht geschreven is. Daarom hebben wij het gedicht hertaald in begrijpelijk Nederlands en de vele verwijzingen naar de klassieke oudheid toegelicht. De verwijzing in het begin van het gedicht naar ‘Flaccus’, beter bekend als Horatius, krijgt hieronder bijzondere aandacht, omdat de ‘levensfilosofie’ van Horatius de kern vormt van de ethische levensles in het gedicht.

De levenslessen van Horatius
Horatius ging als jongeman naar Athene om zich daar in de Griekse cultuur en wijsbegeerte te verdiepen. Na zijn terugkeer in Rome ging hij deel uitmaken van de literaire kring die Maecenas, de rijke beschermheer van de kunsten, om zich heen had gevormd. Hij werd bekend door zijn spotverzen over de vermeende ondeugden van de Romeinen, zoals een overdreven hang naar luxe en eer- en geldzucht, maar was wellicht geliefder om zijn liederen waarin de levensvreugde wordt uitgedragen. De uitdrukking ‘Pluk de dag’ oftewel ‘Carpe diem’ is wereldwijd bekend. Die is afkomstig uit het gedicht ‘Carpe diem’: “onderzoek niet (…) welk einde de goden aan mij, welk aan jou hebben gegeven. (…) Hoeveel beter is het, wat het ook maar zijn zal, te dragen! Pluk de dag, zo min mogelijk vertrouwend op de volgende dag.”
Toch moet dit citaat niet worden opgevat als een vrijbrief voor genotzucht, want “Er is in alle dingen een maat; er zijn tenslotte zekere grenzen, waarbuiten wat goed is, niet bestaan kan”. Horatius verkoos - volgens zijn eigen formulering - ‘de gulden middenweg.’
In zijn gedicht stelt Verhoek eveneens dat té grote welvaart schadelijk is (“’s Lands vetheit teelt gebreken“), een opvatting die onder meer door de ondergang van Baje wordt geïllustreerd. De rijkdom van de Vechtstreek en Maarssen en meer in het bijzonder de weelde van Elsenburg worden geprezen, want hier weet men weliswaar te genieten, maar …op een verantwoorde wijze, zodat het de landheer is gegund de vruchten van zijn arbeid ‘te plukken’ op Elsenburg.
In de slotregels van het gedicht klinken de woorden van Horatius na:
“De goden gaven u rijkdom en
De kunst er van te genieten.”
Verhoeks gedicht sluit dus naadloos aan op de levenslessen van zijn oude leermeester, want zo mogen wij Horatius wel noemen. Horatius was immers niet alleen de naamgever van het genootschap ‘Nil Volentibus Arduum’, maar hij was ook de auteur van het leerdicht ‘Ars Poetica’ (de kunst van het dichten), dat in het genootschap zo ongeveer de kracht van wet had.
Het is echter opvallend dat, waar de meeste hofdichters de natuur volgens hun Calvinistische geloof als een goddelijke openbaring beschouwen (in overeenstemming met Artikel II van de geloofsbelijdenis van de Dordtse Synode), er bij Verhoek geen enkele verwijzing te vinden is in de trant van: “Een mensch zal dus, als hij dit alles mag genieten // Des milden Gevers lof doen van zijn lippen vlieten”, Philip Zweers, 1759. Waar in vele hofdichten het leven van de nijvere bijen aan moet tonen dat zelfs de nederigste wezens getuigen van Gods plan, wordt hier volstaan het gebrom van de bijen te vermelden als onderdeel van de beschrijving van het idyllische landleven. Ook in de Italiaanse hofdichten ontbreken deze levenslessen. Kennelijk was de artistieke, dan wel de geloofsovertuiging van Burggraaf en/of Verhoek niet zozeer Dordts maar Romeins georiënteerd.

Verhoeks gedicht is, hoewel niet gedateerd, mogelijk te plaatsen na 1660. Bekend met de economische activiteiten van Burggraaf, kan hij met de verwijzing naar “’t volkrijk Y” gedoeld hebben op de scheepswerven van Burggraaf op Wittenburg in Amsterdam en waar deze zijn verpozing zocht langs de ‘zilveren Vecht’ is dit gedicht tevens een duidelijke exponent van het thema ‘otium-negotium’ (vrije tijd-beroepsleven) of zoals de dichter Jan Vos, Verhoeks collega in het dichtgenootschap ‘Nil Volentibus Arduum’, schreef: “De Koopmanschap en ’t land zijn ongelijk van paalen: De beurszorg is voor ’t huis, en ’t land om adem te haalen.”

Het gedicht ‘Elzenburg, Hofstede Van den Edelen Heere Jakob Burg-Graef’ (hertaald)

Wanneer mijn geest, vermoeid van het boeken lezen,
In de buitenlucht op adem wou komen op het land
- ontspanning kan soms de wetenschap versterken -
begaf ik me te paard (de Vecht langsrijdend,
waarvan de oever met hofsteden, lustpriëlen en
torenrijke daken, het oog een heerlijke aanblik biedt)
naar Maarssen, dat als eertijds Baje, vol vermaak
alles in kunst en natuur overtreft,
en al wat de oudheid placht te roemen naar de kroon
steekt en de landheer en de koopman lieflijk toelacht.
Zoals een veld vol schone bloemen aardige meisjes
aanminnig tot een reidans in het groen verlokt,
zo wordt hier de bouwkunst ertoe verleid haar
meesterwerk te tonen:
’t Genoeglijk Elsenburg in ’t schaduwrijke geboomte
munt uit door pracht en praal, een parel aan de kroon
der zilveren Vecht, die hier zoet ruisend langs stroomt.
Als Flaccus’ lier de klank van de goddelijke snaren
afgestemd had op deze stroom in de schaduw van de
bomen, zou hij de lichtzinnigheid van Baje (die de baren
der zee terug deed deinzen door het gevaarte van zijn
standvastige grondvesten, voor de prachtige gebouwen
en weelde, en overdaad) niet in zijn werk hebben beschimpt.
De norse Cato zou met vreugde deze weelde aanschouwen,
ofschoon hier op deze stroom ’t goud van snelle jachten glimt.
Beschilderde roeibanken, die zich in de weerschijn van de baren
met duizend kleuren met elkaar verdubbelen.
Hier strooit men tijdens het varen geen rode rozen in ’t Meer,
noch wordt door gegalm van zangeressen, ‘t afschuwelijk nachtelijk misbaar,
de slaap verstoord of benomen: ’s Lands overdaad schaadt.
De weelde van Campanië brak de kracht van Hannibal,
die niet voor ’t ijs en sneeuw der Alpen was bezweken.
Dit dorp, een plaats van vreugde, houdt trots in weelde stand.
De koopman leeft hier goed van zijn geld.
Roemruchte plaats, wier glans Augustus boomgaard doet verbleken!
Mijn geest wordt, om uw pracht te schilderen naar u toegedreven.
De orde van Pomona’s fruithof wordt geroemd, maar is
ofschoon door Vertumnus geprezen, niets vergeleken met deze:
Daar groeien appel, peer, en vijg, en hazelnoot en kers
ter wille van de gasten. De beuk, de linde, en de eik, gegroeid
met els en populier, vormen een schild tegen de wind, die bars
uit het noorden waait. De Hof toont een keur van bloemen:
van Adonis, Hyacinthos, en Narcissus die treurig stierf ,
alle madelieven - zij zijn het waard geroemd te worden om hun kleuren.
Hier draait Clytia, die graag getroost zou worden.
Haar minnaar blijft haar, na de min en argwaan,
hoewel zij is herschapen tot een bloem,
in deze gedaante nog nabij.
Hier kan een duffe geest verstrooiing vinden
Langs groene omheiningen en groene wandellaan,
terwijl het vogelgezang, dat door de lusthof schettert,
met zoet gevlei de ruwste mens in vervoering brengt.
Genoeglijk Elsenburg, zo sierlijk door water omgeven.
Mij dunkt - al dichtend - dat uw vijver wordt bewogen
door het gewemel van baars en karper, pos en brasem.
De Romeinse redenaar Hortensius hield vis
enkel voor zijn genoegen, en huilde zich buiten adem
om de dood van een ervan, maar hier wordt de dis
met deze dieren ruimhartig overladen!
Hij weigerde om die reden zijn vriend twee vissen
en stelde hem nog liever twee muilezels en de benodigdheden
voor een versierde draagstoel tot zijn beschikking.
Maar BURGGRAAFS vijver voedt zijn vissen voor de vrinden:
Het rinse vocht springt hier aan de dis de roemer uit!
Hier is Saturnus’ tijd, en gastvrijheid te vinden.
Een plaats om Nestors eeuw te leven, terwijl ’t geluid
van de koetsen langs de weg met dampende paarden
in een stofwolk her- en derwaarts ratelt.
Waar de Amstel, als de dauw zich spreidt over de aarde,
in het hagelwit geklede nimfen aanspoort in de plezierige avondlucht
langs de oever van de Vecht te treden – waar minnaars zich verpozen.
Zo treedt vrouw Venus langs het Damaceense veld
gevolgd door haar stoet. Zo loopt Diana door de wouden,
met loshangend haar, dat nazwiert, terwijl ze daar snelt,
omringd door haar gevolg, jachtvaardig over de wegen,
- als in ’t lommerrijk doolhof van oud Kreta, dicht met groen,
dat zijn kruin, hoog in de open lucht gestegen,
mild omvlochten, in ’t water spiegelt. Elk seizoen
is hier een lust voor ’t oog: Daar bloeit het welig koren,
ginds boekweit, hier weer vlas. Daar lacht een beemd u toe.
Hier snijdt de scherpe ploeg zijn voren in de akkers,
ginds straalt de melk, dat ’t schuimt, uit de uiers van de koe.
De maaier, klam van het zweet, doorsnijdt de goudgele aren.
En Meeuwis rollebolt met zijn Trijn in de hooiberg.
Hier hoort men ’t vee loeien, daar ’t wollige schaapje blaten.
Ginds meldt een bijenzwerm zijn vlucht door het gebrom.
Hier rent het moedige paard naar het einde van zijn groene renbaan,
en briest, en is vol goede moed, en schudt zijn manen uit,
de zenuwen oefenend, als in het scherpst van het strijdgewoel.
Daar zeilt een plezierjacht. En nog verder wordt een schuit
met reizigers door een paard door de baren getrokken
naar ’t volkrijk Y. Mocht deze schildering u vervelen,
dan kunt ge op ELZENBURG door de kunst van kunstenaars
uw oog verpozen in het veld, dat door verf is uitgebeeld,
en uw ruime kamers en luchtige vertrekken
- een bouwkunst, door de geest van Vingboons gewrocht,
waarvan schoonheid en comfort iedereen in het oog springt -
betreden met plezier in een gezonde lucht.
Gelukkig zijt gij, die andere steden bereisd hebt,
en deze liefelijke streek verkoos voor uw vermaak.
Uitnemend heer, geniet tevreden van het zoete van de lusthof:
Die het tot zijn genoegen gebruikt, verricht een grote zaak.

Toelichting bij het gedicht
Baje: Plaats buiten Napels aan zee, waar vroeger de Romeinen de zomerse hitte ontvluchtten. Getooid met verscheidene prachtige tempels, keizerlijke paleizen en aangename lusthoven; door de oorlogen verwoest, door het water verslonden en tot een puinhoop en wildernis verworden. Deze toelichting is van de auteur van het gedicht.
Flakkus, Flaccus: Voluit Quintus Horatius Flaccus, beter bekend als Horatius (eerste eeuw v.Chr.). Beroemd Romeins dichter. Bekritiseerde volgens een hofdicht van Frans Greenwood uit 1719 met veel ”kunst en zwier //Oudt Rome en zijn bedurve zeden”.
In Verhoeks gedicht over Elsenburg bekritiseert Horatius het kennelijk losbandige Baje.
Ook de redenaar-politicus-advocaat en filosoof Cicero (eerste eeuw v.Chr.) heeft Baje beschreven als een oord van “lust, liefde, overspel, strandleven, feesten…, gezangen, orkesten, plezierboten.”
Kato, Cato: Leefde in de derde/tweede eeuw v.Chr. Sober en conservatief magistraat, streng zedenmeester; vooral bekend doordat hij ieder betoog in de Romeinse senaat eindigde met de woorden: “Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden.” Cato en Horatius hebben werken gewijd aan de land- en tuinbouw.
’t Meer: Hier wordt het spelevaren op de Vecht afgezet tegen minder onschuldig vermaak in de oudheid, kennelijk gepaard gaande met ‘gegalm’ en ‘nachtbrakerij’. Wellicht betreft het hier het Lago Fusaro, op 800 meter van Baje gelegen.
Kampagne, Campanië, Campania: in het Latijn vaak aangeduid als ‘Campania Felix’, gelukkig Campanië. Streek rond de Golf van Napels, waaraan ook Baje lag (en het pas in de achttiende eeuw ‘ontdekte’ Pompeï ). Campanië, aangenaam gelegen en bijzonder welvarend, was bekend door haar tempels en luxueuze buitenhuizen van rijke Romeinen. Hannibal vertoefde er lange tijd.
Hannibal: (derde eeuw v.Chr.) Briljant veldheer, trok vanuit Carthago via Spanje en Frankrijk over de Alpen ten strijde tegen Rome, behaalde veel overwinningen. Verbleef zestien jaar in Campanië totdat hij naar Carthago werd teruggeroepen. In die periode heeft hij Rome niet kunnen – of willen belegeren.
Augustus: (eerste eeuw v./na Chr.) Zijn heerschappij leidde een lange periode van vrede en welvaart in. Van hem is bekend dat hij zelf ook graag in zijn tuinen werkzaam was; in hofdichten wordt deze activiteit dan ook enkele malen genoemd.
Pomona: Romeinse godin van de boomvruchten, in het bijzonder de appel. Zie afbeelding 3.
Vertumnus: God van de herfst, was hevig verliefd op Pomona en heeft haar in vele, verschillende gedaanten het hof gemaakt tot zij uiteindelijk voor zijn werkelijke, schone gestalte bezweek. Voortaan waren zij een onafscheidelijk paar.
Adonis: Griekse mythologie. Jongeling, om zijn schoonheid geliefd bij de goden, geliefde van Aphrodite, de godin van de liefde. Na zijn dood kreeg de treurende Aphrodite van oppergod Zeus gedaan dat hij ieder jaar gedurende een half jaar de onderwereld mocht verlaten. Dan was het lente en leefde de natuur op; bij zijn vertrek braken herfst en winter weer aan. De tranen die Aphrodite bij Adonis’ dood plengde, veranderden in anemonen en rode rozen.
Hyacinthos: Geliefde van de Griekse god van de schoonheid Apollo, die diens onfortuinlijke dood bij het discuswerpen niet kon verwerken en uit zijn bloed de hyacint schiep en de bloemblaadjes met zijn tranen overgoot.
Narcissus: Figuur uit de Griekse mythologie, van wie het verhaal gaat dat hij verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld in het water. Maar steeds als hij zich voorover boog om de schone jongeling die hij daar zag te kussen, verdween deze door de rimpeling van het water. Narcissus verliet de oeverrand niet meer en kwijnde weg van liefdesverdriet. Uit medelijden veranderde Aphrodite hem in een bloem, de narcis.
Maegdelieven: Oude schrijfwijze voor madelieven. De naam is verbonden met de maagd Maria (vandaar de hoofdletter), bloempje dat duidt op de nederigheid van Maria.
Clytia: Griekse mythologie. Nimf die door Apollo werd verlaten. Toen zij daarop de vader van haar rivale vertelde dat zijn dochter geen maagd meer was, liet hij zijn dochter doden. Clytia treurde negen dagen achtereen op een kale rots om de verloren liefde van Apollo. Zij had slechts oog voor de baan van de zon aan de hemel (Apollo personifieerde als zonnegod de zon), totdat zij veranderd werd in een zonnebloem.
Quintus Hortensius Hortalus: eerste eeuw v.Chr. Beroemd consul, spreker en advocaat, een van de rijkste mannen van zijn tijd. De schrijver Varro vertelt dat hij de vissen uit zijn vijver niet op tafel wou brengen, hij gaf je nog liever een span muilezels te leen (die je nog mocht houden ook), dan dat je één van zijn barbelen kreeg!
De anekdote over de vissen van Hortensius maakt deel uit van een passage waarin de visvijver van Elsenburg ter sprake komt. Een visvijver was in de zeventiende eeuw - evenals in de oudheid - een statussymbool: “Het aanleggen van opzichtige visvijvers was een teken van macht en van een bevoorrechte positie: het liet zien dat je het soort vis kon eten dat bij vorsten op het menu stond. Ze vormen het bewijs dat je niet tot het gewone volk hoorde, wat de reden is dat ze zo dikwijls aan de rand van een landgoed of vlak achter de hekken en muren lagen.” 2)
Saturnus: Romeinse god van de landbouw en het uitgezaaide graan. In de Griekse traditie symbool van het ´gouden tijdperk´ van vrede en welvaart.
Nestor: Figuur in het werk van Homerus. Oudste en meest ervaren vorst, gerespecteerd om zijn wijsheid.
Nimfen: Griekse mythologie, halfgodinnen. Lieflijke meisjes veelal in doorschijnende sluiers afgebeeld. Bij de Grieken personificatie van het leven in de natuur. Zij openbaren zich bij rivieren, beken, velden, bossen en weiden en leiden daar een genoeglijk leven.
Venus: Romeinse godin, oorspronkelijk beschermster van tuinen en wijngaarden, later vereenzelvigd met Aphrodite. Waar zij verscheen, veranderden woeste gronden in bloeiende velden. Damascus behoorde tot het Romeinse rijk en de streek die nu de grens vormt tussen Syrië en Libanon, was beroemd om de schoonheid van zijn vruchtbare oase-landschap. In dit gebied richtten de Romeinen vele tempels op, onder andere voor Venus. (Astarte, een voormoeder van Aphrodite-Venus, was oorspronkelijk een Syrische godin.)
Kreta: In de Minoïsche beschaving (3300 v.Chr.-1450 v.Chr.) staan verhalen over de legendarische koning Minos centraal. In een labyrint in zijn paleis huisde de gevreesde minotaurus, half mens half stier, die uiteindelijk door de held Theseus werd gedood.
Meeuwis en Trijn: Na een reis door oudheid en mythologie maken wij een zachte landing bij Meeuwis en Trijn in de hooiberg! Het was niet ongebruikelijk dat typen uit de ‘lagere standen’ in het hofdicht werden opgevoerd als grappig element. Soms maakten ze zelfs - al dan niet dialect sprekend - deel uit van de handeling. Dat is bijvoorbeeld het geval in het bekende gedicht ‘Hofwijck’ van Huygens.
Zo blijkt dat de hof van Elsenburg wordt bevolkt door goden en helden, door een maaiende boer, een vrijend paartje en door de `levende´ personen van een dichter/schilder en een ondernemer/landheer.
U en Gij: In de laatste elf regels van het gedicht is sprake van een aangesproken persoon, met ‘u’ en ‘gij’ aangeduid. Het is mogelijk dat hier (ook) de lezer is bedoeld, die dan als het ware uitgenodigd wordt voor een bezoek aan Elsenburg. De vier laatste regels hebben in ieder geval exclusief betrekking op Burggraaf, die zich hier de vruchten van zijn arbeid goed laat smaken.

Tot besluit
De in de slotregels toegesproken ‘puikheer’ Jacob Burggraaf wordt in het gedicht gecomplimenteerd met de keuze van zijn woonplaats, zijn prachtige hofstede en zijn goede gastheerschap. Hij laat aan de dis de wijn rijkelijk vloeien. Het is duidelijk dat op Elsenburg ‘overvloed’ niet gepaard gaat met ‘onbehagen.’
De oorzaak daarvan is - en dat wordt de lezer in het begin van het gedicht te verstaan gegeven - dat men hier geniet met ‘tevredenheid’ en dat hier, in tegenstelling tot de gegeven voorbeelden uit de oudheid, de weelde niet heeft geleid tot decadentie: Maarssen is geen Baje!

Noten
1) Zie voor het hofdicht als literair genre: Veen, P.A.F. van. De soetigheydt des buytenlevens, vergheselschapt met de boucken. Het hofdicht als tak van een georgische literatuur (1985). Utrecht. Citaten uit andere hofdichten zijn aan dit boek ontleend.
Het gedicht van Pieter Verhoek wordt op pag. 78 kort besproken.
2) Pye, M. Aan de rand van de wereld. Hoe de Noordzee ons vormde (2014). Amsterdam. pag. 212.

Streamer
“Er is in alle dingen een maat; er zijn tenslotte zekere grenzen, waarbuiten wat goed is, niet bestaan kan”.

Elzenburg Hofstede Van den Edelen Heere
JAKOB BURG-GRAEF

Wanneer myn geest vermoeit door ’t lezen van de boeken
Te paerde in ruimer lucht zyn adem schepte op ’t land.
Uitspanning komt zomwyl de wetenschap verkloeken.
Begaf ik my (de Vecht langs rydende, wiens kant
Met Hofsteên, lustpriëels, en torenryke daken,
Een heerelyk gezicht voor ’t oog ten Hemel heft,)
Te Maerzen, dat, gelyk eer Baje, vol vermaken,
Door kunst en door natuur het alles overtreft,
De kroon strykt van al ’t geen de aloutheit plagt te roemen,
En lacht den staetheer en den koopman lieflyk aen.
Als ’t brave jufferschap een beemt vol schoone bloemen,
Aenminnigh lokt ten reie in ’t groen ten dans te gaen,
Wiert boukunst hier verrukt haer meesterstuk te toonen.
’t Vermaek’lyk Elzenburg in ’t schaduwryk geboomt
Munt uit in stant en prael, een peerel aen de kroone
Der zilv’re Vecht, die hier langs heen zoetruischent stroomt.
Zoo Flakkus lier den klank der goddelyke snaren
Aen dezen stroom in schauw der bomen had gepaert;

Hy had de dartelheit te Baje (die de baren
Der zee te ruggewaerts deet wyken door ’t gevaert
Der grontvest, hecht van stant, voor prachtige gebouwen
En weelde, en overdaet) niet konstelyk beschimpt.
De norsche Kato zou met vreugt dees weelde aenschouwen,
Schoon op dees stroom hier ’t gout van snelle jachten glimpt,
Bemaelde doften; die in ’t weerschyn van de baren
Met duizent kleuren zich verdubb’len door elkaer.
Men strooit hier ’t Meer niet met roo rozen in het varen.
Noch zangeressen galm; ’t wanschriklyk nachtgebaer
Ontrukt, noch steurt den slaep:’s Lands vetheit teelt gebreken.
Kampanje brak door weeld de kraght van Hannibal,
Die niet voor ’t ys, en sneeuw der Alpen was bezweken.
Dit vlek, een plaats van vreugt, hout trots in weelde stal.
De koopman leit hier van zyn goet een rustigh leven.
Roemruchte plaets, wier glans Augustus boomgaert dooft!
Myn geest wort om uw stant te malen heen gedreven.
Pomonaes netheit in haer fruithof wort gelooft,
Schoon haer Vertumnus prees by deze niets te wezen,
Daer appel, peer, en vyg, en hazenoot, en kars
De gasten nood: de beuk, de linde, en eik, gerezen
Met elsch en populier, een schildt voor windt, die bars
Uit ’t noorden schent, verstrekt: de Hof toont keur van bloemen,
Adoon en Hiacint, Narcis, die treurigh storf
Al Maegdelieven; om haer verwen waert te roemen.
Hier keert zich Clytie, die garen troost verworf.
Haer minnaer na de min en argwaen, schoon herschapen
In bloem gestalt, blyft haer nogh in dit wezen by.
Hier kan een doffe geest vermaek’lykheden rapen
Langs groene heiningen, en groene wandelry;
Dewyl de vog’lenzang, die door den lusthof schatert,
Met zoete vleingen den rousten mensch vervoert.
Genoeglyk Elzenburg, zoo sierelyk bewatert,
My dunkt al dichtent, dat uw vyver wort beroert
Door ’t wemelen der baers en karper, posch en braessem.
De Roomsche redenaer Hortensius hiel visch
Alleen tot zyn vermaek, en schreide ’t enden aessem
Zich zelven om de doot van eene, maer de disch
Wort hier met dit gediert gulhartigh overladen.
Hy weigerde zyn vrient twee visschen met die reen,
Dat hy hem liever schonk twee muilen met gewaden
Ter rosbaer opgesiert tot zyn gedienstigheen
Maer BURGGRAEFS vyver voed zyn visschen voor de vrinden.
Het rinsche vocht springt hier ten disch den roemer uit.
Hier is Saturnus tydt, en gastvryheit te vinden:
Een plaets om Nestors eeuw te leeven: wyl ’t geluit
Der koetzen langs den wegh met rokerige paerden
In eenen stofwolk gins, en herwaert henen snort,
Daer de Amstel Nimfen, als de dauw zich spreit op de aerde,
In ’t hagelwit ’t vermaek in ’t avondluchje port
Den Vechtkant langs te treên, van minnaers onderhouden:
Zoo treet vrou Venus langs het Damasceensche veldt,
Gevolgt van haren stoet. Diaen stapt dus de wouden
Met ongevlochten hair, dat nazwiert, wyl ze ‘er snelt,
Omheint van haer gevolg, jachtvaerdigh in de wegen,
Als ’t lomm’righ doolhof van out Kreten, dicht met groen,
Dat zyne kruin, om hoog in de open lucht gestegen,
In ’t water spiegelt, milt omvlochten. Elk saizoen
Geeft hier vermaek aen ’t oog. Daer bloeit het weligh koren,
Gins boekweit; hier weer vlas. Daer lacht een beemt u toe.
Hier snyt de scharpe ploegh in de akkers zyne voren.
Gins straelt de melk, dat ’t schuimt, uit de uiers van de koe.
De majer, klam van zweet, doorsnyt de goudgeele aeren.
En Meeuwis rolt zyn Tryn eens in den hooiberg om.
Hier hoort men ’t loeient vee. Daer ’t wolligh schaepje blaeren.
Gins melt een byenzwerm zyn vlucht door het gebrom.
Hier rent het moedigh paert den groenen kamp ten ende,
En briescht, en is vol moets, en schud zyn manen uit,
De zenuw oef’nende als in ’t spits der oorloghsbende.
Daer zeilt een speeljacht. En nogh verder wort een schuit
Met reizers van een paert getrokken door de baren
Naer ’t volkryk Y. Als u dees schildery verveelt,
Kunt gy op ELZENBURG met konst der konstenaren
Verpoozen ’t oog in ’t veldt, door verwen uitgebeelt,
Uw’ ruime kameren en luchtige vertrekken,
Een bouwkunst; door den geest van Vinkeboom gewrocht,
Wier sieraet en gemak elx oog tot zich kan trekken,
Betreden met vermaek in een gezonde locht.
Gelukkigh zyt gy, die, doorreist zynde and’re steden,
Dees lieffelyke streek verkoost voor uw vermaek.
Puikheer, geniet het zoet des lusthofs wel te vreden,
Die ’t zyn vernoegt gebruikt, verricht een groote zaek.





Onderschriften afbeeldingen
Afbeelding 1
De dichter en schilder Pieter Verhoek. Bron: Rijksmuseum Amsterdam.

Afbeelding 2
Facsimile van de eerste pagina van het hofdicht uit de originele uitgave: Pieter Verhoeks Poëzy. Amsterdam 1726. Uitgegeven door Willem Barents.

Afbeelding 3
Pomona, Romeinse godin van de boomvruchten, later meer in het bijzonder van de appel. Schilderij van Nicolas Fouché, circa 1700. Bron: Wikimedia Commons.