44e jaargang (bladzijde 141) nr.4 / IN: Periodiek HKM
Zuylens bekkesnijdersdrama
Auteur: Kees Floor
Het ‘bekkesnijden’ was vroeger een geaccepteerd volksvermaak, maar werd later steeds meer beschouwd als barbaars. Een verhaal dat laat zien hoeveel ellende het gebruik teweeg kon brengen, speelde zich af in Zuilen.
Barbaars volksvermaak
In vroeger tijden ging het er tijdens boerenkermissen vaak ruig aan toe. In Princenhage bij Breda bijvoorbeeld was de kermis zelfs mislukt als er geen dode was gevallen. 1) Eén van de gebruiken die hoorden bij boerenkermissen en -bruiloften, was het zogeheten bekkesnijden. 2) Jonge boeren gingen elkaar daarbij te lijf met messen. Doel van dit ‘volksvermaak’ was de tegenstander een snee in de wang te bezorgen. Succes van de vechters werkte statusverhogend. Jonge boerinnen in ’t Sticht van Utrecht wilden geen relatie aangaan met een boer die zijn moed niet had getoond; de ‘jaap’ in het gezicht was een bewijs van heldhaftigheid. 3) Als iemand wilde gaan bekkesnijden hing hij zijn mes op aan zijn deur of in de herberg. Wie het mes aanraakte of er zelfs maar naar keek, had al dan niet bewust, de uitdaging tot een gevecht aangenomen.
Het volksvermaak paste destijds in een samenleving waarin geweld en het trekken van messen gebruikelijker en meer geaccepteerd waren dan tegenwoordig. In de achttiende en negentiende eeuw nam de weerstand tegen deze barbaarse gebruiken gaandeweg toe. Toch kwam het bekkesnijden nog tot in de negentiende eeuw in sommige gebieden voor, zoals in Het Gooi en in Gelderland.
De overheid probeerde het bekkesnijden weliswaar te verbieden, maar was daarin niet altijd succesvol. Mogelijk probeerde men de onwelgevallige praktijken ook tegen te gaan met breed uitgemeten verhalen waarin de ellende werd beschreven die het bekkesnijden kon veroorzaken. Een dergelijk verhaal verscheen in 1838 in De Avondbode, een door de regering gesubsidieerd ‘algemeen nieuwsblad voor staatkunde, handel, nijverheid, landbouw, kunsten en wetenschappen’. 4) Het blad werd uitgegeven te Amsterdam van 1837 tot 1841 en kende een landelijke verspreiding. Des te opmerkelijker is het daardoor dat het beschreven drama zich afspeelt ‘te Zuylen, in het Sticht van Utrecht’.
De schoonste van ’t Sticht, de rijkste van Zuylen
Het verhaal gaat terug tot het midden van de vijftiende eeuw. Hoofdpersoon is Gertruda, een mooie en aantrekkelijke jonge vrouw. De bijnaam ‘de schoonste van ’t Sticht’ liet ze zich gaarne aanleunen. Ze was het droombeeld van alle mannen. Onder de vrouwen was ze minder populair omdat alle aandacht van de andere sekse uitsluitend naar haar uitging. Extra pluspunt was haar rijkdom; ze gold als ‘de rijkste van Zuylen’.
Hoewel alle mannen, ongeacht leeftijd, stand of begaafdheid, aan haar voeten lagen, ging haar voorkeur uit naar Wolfert en Joost, de beide andere hoofdpersonen in het verhaal. Wolfert was een knappe, blonde en blozende, maar tengere man die smoorverliefd op haar was. Vrouwen tipten hem als Gertruda’s toekomstige bruidegom, maar geen van de mannen zag hem als een serieuze rivaal.
Joost daarentegen was een lange, ruwe, grof gebouwde vechtersbaas en voorvechter van de bekkesnijders. Hij vond Wolfert een lafaard en minachtte hem omdat zijn rivaal als één van de weinige mannelijke inwoners van Zuilen geen snee over zijn gezicht had.
De uitdaging
Gertruda had nog geen keus tussen de twee kunnen maken. Wolfert zag er aantrekkelijker uit, maar Joost was moediger, trotser en had meer heldendaden op zijn naam staan. En misschien heb je als vrouw wel meer aan een moedige, maar ’getekende’ man dan aan een mooie, aantrekkelijke lafaard.
Toen Wolfert Gertruda om haar hand vroeg, ging ze daar dus niet op in. Iemand die nog nooit met een mes had gevochten en die geen littekens in zijn gezicht droeg, mocht zich geen man noemen, vond ze. Wolfert begreep de hint en spoedde zich naar het huis van Joost. Daar raakte hij het mes aan dat er hing en dat nog droop van het bloed van het laatste gevecht. Joost was niet thuis, maar het gerucht dat Wolfert hem had uitgedaagd, verspreidde zich als een lopend vuurtje door het dorp. Voor Joost was het een ongebruikelijke ervaring om niet de uitdager te zijn, maar de gedaagde.
Het gevecht
Gertruda spoedde zich ‘met een hoogrode blos van trotsheid op de wangen’ naar de plaats waar het gevecht zou plaatsvinden en waar het bloed zou gaan vloeien. ‘Schoonste van ’t Sticht, beloof je dat de winnaar je man zal worden?’ vroeg Joost nog aan Gertruda, maar zij beloofde niets.
Het was een ongelijke strijd; Wolfert was geen partij voor Joost. Vrij snel wankelde hij en viel op de grond. Hij had een snee van zijn rechteroog tot zijn linkeroor en het bloed stroomde langs zijn kaken. Toen Gertruda dat zag, wist ze al dat die lelijkerd nooit haar man zou worden; hij was te wanstaltig en te mismaakt. Joost vroeg haar na zijn overwinning om haar hand. Zij gaf hem haar jawoord en bepaalde de dag waarop ze met hem in het huwelijk zou treden.
De brand
Wolferts wonden waren snel hersteld, maar de littekens bleven. Toen hij zich voor het eerst weer in het openbaar durfde te vertonen, keken alle vrouwen, vervuld met medelijden voor de vroeger zo knappe jongeman, snel de andere kant op. Gertruda vond hem, toen hij haar kwam opzoeken, te lelijk om aan te zien en wees hem af. Wolfert stond eerst als door de bliksem getroffen, maar herpakte zich en zwoer dat zij nog lelijker zou worden dan hij.
Diezelfde nacht brandde Gertruda’s woning tot de grond toe af. Terwijl heel Zuilen radeloos en in verwarring toekeek, zat zij nog in het brandende huis. Ze riep om hulp, maar niemand durfde de vlammenzee te trotseren. Zelfs Joost niet, de alom gevreesde vechtersbaas en haar toekomstige bruidegom, die zich onder het toegestroomde publiek bevond.
Wolfert ging echter wél naar binnen, met een mes in zijn hand. Hij droeg haar langs een trap die hij tegen de muur had gezet, naar buiten, legde haar op de grond en zwaaide met zijn mes. Vrijwel meteen klonk er een verschrikkelijke gil. Dorpsbewoners die erop af kwamen, dachten dat ze uit het raam gesprongen was, maar ze vonden haar in een grote plas bloed. Wolfert had woord gehouden: zonder neus zag ze er nog wanstaltiger uit dan hij. ‘De schoonste van ’t Sticht’ was nu de lelijkste. Door de brand was ze ook nog eens al haar bezittingen kwijt; ze was dus niet meer ‘de rijkste van Zuylen’. Joost had dan ook geen interesse meer in haar. Dat Wolfert opgepakt en terechtgesteld werd, kon haar lot niet verzachten.
Conclusie
De moraal van het verhaal is duidelijk: zo kon het dus jonge vrouwen vergaan die walgden van mannen die geen schram of litteken in hun gezicht konden laten zien. Ook is duidelijk hoeveel schade het in de tijd van De Avondbode als barbaars bestempelde bekkesnijden kon aanrichten.
Noten
1. Cornelissen, J. Nederlandse volkshumor op stad en dorp, land en volk, deel 3 (1930). Antwerpen: De Sikkel, pp. 116, 193, 195, 196. (op dbnl.org).
2. Gouw, J. ter. De Volksvermaken (1871). Haarlem: Erven F. Boon, p. 564. (op dbnl.org).
3. Smids, L. Schatkamer der Nederlandsse Oudheden (1711). Amsterdam, Pieter de Coup, p. 29. (op books.google.com).
4. V.V.V. De Beksnijders. De Avondbode (7 oktober 1839). pp. 1-2. (op delpher.nl).
Afbeelding
Bekkesnijders op een gravure van Jacob Marcus te Leiden. Datering: 1616-1618. Bron: Atlas Van Stolk.