44e jaargang (bladzijde 134) nr.4 / IN: Periodiek HKM
Het ontstaan en de ontwikkeling van de Bethunepolder Deel 1
‘MELK voor VISCH’: Van veenmoeras tot veenpolder
Auteur: Clan Visser ’t Hooft
Grenzend aan Maarssen ligt de Bethunepolder, een fijn wandel- en fietsgebied en een eldorado voor vogelaars. De Strook langs het Tienhovens kanaal kent iedereen wel, waar je ‘s zomers zo heerlijk kunt zwemmen en zonnebaden. De Nieuweweg erlangs vormt de bovengrens van de polder, de Maarsseveensevaart de ondergrens; daartussen ligt de Bethunepolder.
De afgelopen jaren heeft de polder volop in de belangstelling gestaan vanwege plannen tot drastische herinrichting van het gebied. Daarmee werd een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de rijke historie van de Bethunepolder. In de ruim 140 jaar van zijn bestaan heeft de polder diverse ingrijpende metamorfoses ondergaan. Waarom en waartoe deze transformaties? Hoog tijd om eens in de historie van de Bethunepolder te duiken.
In twee artikelen besteden wij aandacht aan dit leefgebied, dat hoort bij de gemeente Stichtse Vecht. Het eerste artikel gaat in op het ontstaan van de veengebieden vanaf de oertijd en beschrijft hoe het veenmoeras omstreeks 1900 met oneindig veel moeite werd drooggelegd en omgevormd tot boerenland. VIS (water) verdween om MELK-productie mogelijk te maken. De boerderij op de hoek van de Landweg en de Middenweg heet niet toevallig ‘Melk voor Visch’! Het tweede artikel zal vertellen over de geschiedenis van de polder van 1900 tot heden. De Bethunepolder heeft een hoop te vertellen, dat is zeker.
Ontstaan en belening van het veenmoeras
Rond 11.500 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd; het klimaat werd plotseling een stuk warmer met als gevolg een stijgende zeespiegel en een stijgend grondwaterpeil. Zo’n 7000 jaar geleden bereikte de resulterende vernatting ook de westelijke Vechtstreek. Door de voortgaande verhoging van de zeespiegel schoof de lijn waar het grondwater aan de zanderige oppervlakte kwam verder op naar het oosten. Onder die natte omstandigheden verteerden plantenresten slechts heel moeizaam, waardoor zich pakketten van organisch materiaal vormden bestaande uit wortels, stengels, bladeren, zaden en onder bepaalde omstandigheden veenmos. Ook bomen, riet en dergelijke speelden in dat proces een rol.
Zo ontstond in de loop van de tijd veenmoeras direct op de onderliggende zandgrond. In die tijd waren deze veenmoerassen het leefgebied voor wolven en beren, elanden en herten, otters en bevers en een grote variëteit aan vogels. Dat deze wildernis in deze regio moest wijken voor leefgebied voor de mens, dateert uit de tijd dat de stad Utrecht een rol van betekenis ging spelen. Tot ongeveer het jaar 1000 werden de veenmoerassen nauwelijks door mensen betreden. Alleen vissers en jagers waagden zich in deze bijna ondoordringbare gebieden.
Otto de Grote, keizer van het Duitse Rijk, schonk in 963 alle domeingronden en goederen langs de Vecht in leen aan de kerk van Utrecht. Wat wij nu kennen als de Vechtstreek was destijds een onderdeel van het gewest Niftarlake. Er zijn verschillende verklaringen voor de herkomst van deze naam. Een daarvan is als volgt: lake betekent water, meer en niftar is een uit het Hebreeuws stammend Jiddisch woord dat dood betekent. Het veenmoeras als water des doods, een waarschuwing voor wie zich daarin waagde! Een andere mogelijkheid is de betekenis van lake als grens en niftar als nevens, dus Niftarlake als grens tussen het Frankische en het Friese rijk. Tot slot is er de verklaring uit het toponymisch woordenboek van Gijsseling: ‘bij de waterloop in moerasgebied’.
De toenmalige Utrechtse bisschop Balderik, die leefde van 918-975, was een groot voorstander van ontginning van de veenmoerassen. Ontginning bracht immers geld in het laatje! De ontginning ten westen van de Vecht was het eerst aan de beurt vanaf het midden van de elfde eeuw. Daarna volgde in het begin van de twaalfde eeuw ook het oostelijk deel van het land, waartoe het gebied van de Bethunepolder behoort. Bisschop Balderik beleende aan een aantal van zijn leenmannen, die zich in de Vechtstreek gevestigd hadden en aan enkele Utrechtse Kapittelkerken en kloosters een deel van de venen ter ontginning. Deze ‘dienstadel’ oefende namens de bisschop bestuur en rechtsmacht uit. De stad Utrecht maakte rond die tijd een bloeiperiode door. Handelaren en ambachtslieden vestigden zich in de stad, want daar was niet alleen een aanlegplaats voor handelsschepen vanuit Scandinavië op weg naar Keulen, maar ook vanuit Noord Duitsland, Rijnland, Vlaanderen en Engeland. Kortom, Utrecht was een knooppunt van handelsroutes. De Vecht was hét vaarwater voor de handelsschepen en deed als zodanig dienst tot in de tweede helft van de negentiende eeuw. De bewoners van de oevers leefden van landbouw en in de loop van de tijd breidde de bevolking zich zodanig uit, dat opvoeren van de landbouwproductie noodzakelijk bleek.
Ontginning van het veenmoeras
Om land te winnen was ontwatering noodzakelijk. Door het graven van watergangen werden de moerassen ontsloten. Den Diepe was de eerste dwarswetering die op de Vecht afwaterde. Als principe bij de ontginning gold dat degenen die met het graven van sloten land wonnen, dat ook mochten behouden, maar zij dienden als vorm van winstbelasting, afhankelijk van de opbrengst, een tiende daarvan af te staan aan de leenman. Scheisloten verdeelden het veen in hoeven: evenwijdige kavels van 113 meter breed ofwel dertig Stichtse roedes. Deze sloten strekten zich in de loop van de tijd helemaal uit in de richting van het Gooi. Uiteraard ging de ontginning geleidelijk. De ontginners vestigden zich als boeren op het ontgonnen land. In eerste instantie was de ontginning dus vooral gericht op het winnen van cultuurland: tweederde van de percelen moest worden bezaaid en een derde beweid. Rogge, gerst en haver waren de voornaamste gewassen waarmee de boeren ook hun tienden konden betalen. Ook verbouwden ze hop voor de bierbrouwerijen. Het steken van turf was sterk gereguleerd en voorlopig nog bijzaak en de turf was voornamelijk bestemd voor eigen gebruik.
In de twaalfde eeuw kwamen de gerechten Westbroek, Maarsseveen en Breukeleveen aan de beurt om daar van wildernis boerenland te maken. Een gerecht was een bezitting met rechtsmacht, waaronder het heffen van accijnzen. Maarsseveen wordt voor het eerst in de annalen genoemd in 1174, omdat het toen beleend werd aan Herman van Maarssen, ridder en leenman van de bisschop. Hij verkocht op 6 december 1243 tien hoeven van zijn veen aan het Kapittel Sint Pieter. Een hoeve bestond uit veertien hectare land. Zo ontstond het gerecht Tienhoven, door deling dus van het oudere gerecht Maarsseveen. Breukeleveen was eigendom van de Sint Pieterskerk in Utrecht. Daarom staat het kadastraal nog steeds te boek als gemeente Breukelen-Sint Pieter. In Breukelen vormde de Scheendijk, daarvoor Zogdijk genoemd, de eerste ontginningsas met in het verlengde de oude weg Herenweg en Gageldijk. In Tienhoven en Maarsseveen lag de as tussen de Zogwetering en de Veenkade/ Herenweg.
Nadelen van ontginning en turfwinning.
De nadelen van de ontginning kwamen snel aan het licht. Door de sterke ontwatering klonk de grond in en kwam het land lager te liggen. Zo ontstond vanaf 1200 het systeem van dijken, sluizen en molens tegen de immer dreigende wateroverlast, ook zo typerend voor het gebied van Vecht en veen. Een voorbeeld daarvan is de Diependaalsedijk in Maarssen, vernoemd naar de eerste dwarswetering Den Diepe. In de veertiende en vijftiende eeuw kwam de turfwinning in een versnelling. Steeds dieper werd er afgegraven om, naarmate steden almaar groeiden, in de toenemende vraag naar brandstof te voorzien. Dijken en kaden moesten worden opgehoogd. De gewestelijke overheid vaardigde in opeenvolgende jaren strengere voorschriften uit, de zogenaamde ordonnanties, als bescherming tegen de nadelen van de turfwinning. De toegestane breedte van de trekgaten werd vastgelegd en de beplanting van de legakkers met houtgewas. De maximale breedte van de trekgaten in Tienhoven en Maarsseveen mocht de twee-en-halve roede niet overschrijden. Een roede was ongeveer 3.75 meter breed. In 1695 leidde ontheffing van deze beschikking al tot het toestaan van een breedte van vijf roeden; twintig jaar later zelfs tot acht à negen roeden!
De toestand waarin de veenderijen ten oosten van de Vecht rond 1819 verkeerden, was bepaald niet rooskleurig te noemen. Er heerste administratieve wanorde en er was een dringend gebrek aan technische voorzieningen. Dat kwam doordat de schout en de schepenen zelf vaak verveners waren en het houden van toezicht ten eigen bate verwaarloosden. In het begin van de negentiende eeuw was het stadium bereikt dat het verveende land bijna overging in plasvorming. Door de golfslag verdwenen ook nog eens enkele legakkers met het gevolg dat er rond 1850 grote watervlakten waren ontstaan ten oosten van de Vecht, waaronder de Tienhovense en Maarsseveense plassen. Geen wonder dus dat de visserij opkwam. In de achttiende en negentiende eeuw was er zelfs een scheepswerf op de hoek van de Heuvellaan en de Nedereindse Vaart.
Maar intussen was veel landbouwgrond verdwenen en daarmee ook een behoorlijk stuk werkgelegenheid. De meeste van de turfstekerijen waren nagenoeg tot op het zand uitgeveend en tot op een aanmerkelijke diepte tot water gemaakt. Dat was nu precies één van de problemen waarmee de Bethunepolder later van meet af aan zat opgescheept! Het winnen van turf was een lucratieve bezigheid en had de mogelijkheid voor landbouw verdrongen, mede omdat boeren hun grond verkochten aan de verveners. Het gevolg was dat de bevolking verarmde en vooral de inwoners van Tienhoven dreigden te verkommeren. Steeds meer boeren en landarbeiders trokken weg om elders hun geluk te beproeven. Dat was het moment waarop het plan ontstond de plassen van Tienhoven en Maarsseveen - in totaal 540 hectare groot - in land te herscheppen. Dit was het begin van een jarenlang slepende, bijna wanhopige strijd tegen het water!
Van veenmoeras tot waterschap Bethune.
Vóór- en tegenstanders gingen met elkaar in debat. Tegenstanders beriepen zich op het strategisch belang van de Nieuwe Hollandse Waterlinie voor de verdediging tijdens eventuele oorlogen. Het Tienhovens kanaal is een oude dwarswetering, verdedigd door het fort Tienhoven, gebouwd in 1848-1850, nog vóór het besluit tot drooglegging. Voorstanders pleitten voor landaanwinst met agrarische bestemming voor burgers die zich een beter bestaan zouden kunnen verwerven als boer en landarbeider. Kortom: militaire en sociale belangen botsten met elkaar.
Koning Willem III stelde een Staatscommissie in om de verschillende belangen voor en tegen drooglegging van alle plassen ten oosten van de Vecht te onderzoeken. Deze commissie adviseerde alle plassen vanaf Muiden tot Zuilen droog te maken. Alleen de Droogmakerij van Tienhoven en Maarsseveen werd daarvan verwezenlijkt. Initiatiefnemers van dit plan waren onder anderen Jhr. mr. J. Huydecoper, burgemeester van Maarssen, en Mr. dr. J.N. Bastert uit Maarsseveen, lid van de Tweede Kamer en later ook minister. Zij vormden een werkgroep die op 31 oktober 1855 in Tienhoven een vergadering belegde voor grondeigenaren om hun een ontwerp voor te leggen tot droogmaking. Koninklijke Goedkeuring werd aangevraagd en bij besluit van 22 januari 1858 kon de ‘Vereeniging tot drooglegging der Tienhovensche en Maarsseveensche plassen’ onder voorzitterschap van de heer Huydecoper aan de slag.
Een groot deel van de plassen werd omsloten door een ringdijk en er werd een stoomgemaal gebouwd, gefundeerd op korte houten palen tot op het zand. Ten behoeve van de uitwatering werd naar de Vecht toe een kanaal gegraven; het dijkpad erlangs kreeg de toepasselijke naam Machinekade. Met het malen begon de ellende: men had niet gerekend op het ontstaan van kwellen in de bodem. Water zoekt altijd de weg van de minste weerstand met het gevolg dat water vanuit het hoger gelegen Gooi hier op het laagste punt omhoog stuwde. De capaciteit van de pompen bleek te klein, zodat het water slechts tot op zekere hoogte weg te pompen was. Intussen was de Vereeniging omgevormd tot een vennootschap, die failliet ging in 1865, toen inderdaad bleek dat het water niet weg te krijgen was. De vennootschap werd vervolgens ontbonden. Voor de Gedeputeerde Staten was dit aanleiding om te gelasten de droogmaking direct te staken.
Redding vanuit Brussel?
Na allerlei verwikkelingen en jaren van stilstand verschenen er in 1874 twee grootgrondbezitters uit Brussel, de heren M.A. Marquis de Bethune en Graaf d’Ennetières, die het aandurfden de uitdaging van bemaling opnieuw aan te gaan. Zij staken grote sommen eigen geld in deze onderneming. Het Rijk droeg f 40.000 bij en ook de Provincie doneerde eenzelfde bedrag. Er konden nieuwe machines worden gebouwd en de heren pakten de zaak zodanig voortvarend aan, dat in 1880 de Bethunepolder zijn allereerste lente kon beleven! De Staten van Utrecht besloten de bedijkte en drooggemalen delen van de Tienhovensche en Maarsseveensche plassen in één waterschap te verenigen. Bij KB van 17 oktober 1881 werd de oprichting en reglementering van het waterschap Bethune een feit. Eindelijk zou er een einde komen aan de armoedige levensomstandigheden in Tienhoven en Maarsseveen, althans dat was de verwachting. De Bethunepolder zou een land- en tuinbouwcentrum worden voor de steden Utrecht, Hilversum en Amsterdam met ruime werkgelegenheid. Maar de Bethune en zijn omgeving vormen eigenlijk twee communicerende vaten. In feite betekent dit dat droogleggen onbegonnen werk is; de put loopt even snel weer vol als je hem leegpompt… Dit leidde ertoe dat de Brusselse heren het niet langer zagen zitten en op 31 juli 1899 werd de Bethunepolder publiekelijk geveild.
Bodemgesteldheid van de Bethune
De bodem van de Bethunepolder loopt van zuidoost naar noordwest schuin af. In het zuidoostelijk deel van de polder neemt het zandgehalte in de bovengrond toe. Het veen is daar immers tot op het zand afgegraven. Het noordwestelijk deel van de polder meet echter op het diepste punt 3.93 meter onder N.A.P. en moest daarom ongecultiveerd blijven liggen. Er groeit weliswaar riet, maar dat is van slechte kwaliteit en onbruikbaar. De bodem is in de hele polder over het algemeen zacht en in de noordwesthoek zelfs drassig. Voor de boeren betekende dit hard werken. De polderlasten waren hoog en de grond was arm en had veel mest nodig.
Het vee moest in het najaar vroeg op stal om stuk trappen van de grond te voorkomen. In het voorjaar kwam de grasgroei pas langzaam op gang. Bovendien lieten wagenwielen diepe sporen na in het land. Om van het welig tierende onkruid maar niet te spreken. Omdat de grond altijd vochtig is, gaat gewied onkruid vrijwel nooit dood, zelfs in de droge zomermaanden niet. Daar heeft de Nimmerdorlaan dan ook zijn naam aan te danken! Het openhouden van greppels en sloten zorgde ook nog voor extra, zwaar werk.
De Nederlandsche Heidemaatschappij kreeg de opdracht om de ontwatering met name in de noordwesthoek grondig aan te pakken. De sloten werden verdiept en met de vrijgekomen bagger werd aan de akkers een ronde ligging gegeven. Verder werden de akkers overdwars op een afstand van tien meter gedraineerd door middel van het ingraven van takkenbossen. Dat bleek te werken als de sloten maar goed schoon gehouden werden voor de nodige afwatering. Er zijn vier soorten sloten in de Bethune: hoofdtochten die aangesloten zijn op het gemaal en onderhouden worden, op kosten van de gemeente Amsterdam, door het Waterschap; tochten, te onderhouden door het Waterschap en schei- en binnensloten die door de betrokken eigenaren schoon gehouden moeten worden. Jaarlijks wordt in de herfst daarop schouw uitgevoerd. De eerste jaren na de drooglegging werden er langzamerhand boerderijen gebouwd.
De avonturen van de heer Van Vloten
In september 1899 werd een N.V. opgericht tot exploitatie van de Bethunepolder, waarvan de heer A.A. van Vloten uit Maarssen in 1900 alle aandelen kocht en daarmee eigenaar van de polder werd. Sinds 1890 was hij overigens al benoemd tot directeur van het Waterschap Bethune. Hij woonde met zijn gezin op het beroemde Huis ten Bosch. Hij had landbouwkunde gestudeerd in Wageningen en was op zoek naar een geschikte plek om zijn in Denemarken opgedane kennis op het gebied van fabrieksmatige zuivelbereiding vorm te geven. In die tijd was de zuivelindustrie in opkomst. Aan het weggetje dat later officieel Nimmerdorlaan zou gaan heten, verrees in 1890 zijn Maarsseveensche Stoomzuivelfabriek. In de gevel van de voormalige kaasfabriek is nog de eerste steen te vinden, gelegd door Van Vloten en de burgemeester van Maarssen Jhr. D.J.A. van Lawick van Pabst. Het pachten van een boerenbedrijf in de polder hield vanzelfsprekend in dat de boeren hun melk aan de fabriek moesten leveren. Dagelijks brachten zij ook de geproduceerde boter en kaas naar het station of naar de veerschuit voor verder transport. De veestapel in de Bethune was nog in ontwikkeling, het aantal koeien was nog gering en in ieder geval te klein om de zuivelfabriek van Van Vloten van voldoende melk te voorzien. Bijkopen van melk uit de omgeving was een stevige kostenpost en de melkproductie in de Bethune was sterk afhankelijk van het weer. In geval van een natte zomer kwam er te weinig aanbod van melk uit de polder. In 1903 zag Van Vloten zich dan ook genoodzaakt zijn fabriek te sluiten, maar sociaal bewogen als hij was, leerde hij de boeren die daar prijs op stelden, zelf kaas te maken.
Nog gaf Van Vloten zich niet gewonnen. Hij besloot zich met zijn gezin te vestigen op de hoger gelegen grond en er een modern tuinbouwbedrijf te starten. Het complex van de zuivelfabriek werd uitgebreid en deels omgebouwd tot woonhuis. Aan tafel gezeten bedacht de familie de naam Nimmerdor voor hun nieuwe behuizing. Rond het huis ontstond een Engelse tuin met prachtige borders vol kleurige bloemen, rododendrons en bloeiende heesters. Hij wilde in zijn moestuinen niet alleen bekende soorten groenten kweken, zoals aardappelen, bonen en kolen, maar ook onderzoek doen naar nieuwe soorten, gele komkommers, postelein, spinazie en dergelijke. Ook fruitbomen ontbraken niet. Zijn producten leverde hij sinds 1905 aan de Utrechtse veiling.
Helaas bleek ook dit avontuur geen onverdeeld succes. Het kwelwater was koud; daardoor warmde de grond in het voorjaar langzaam op, zodat de groei pas laat op gang kwam en de grond in de herfst te snel afkoelde. Het nimmer verdorrende onkruid bleef ook eindeloos zijn eigen gang gaan. In 1914 dreigde nog meer rampspoed.
In dat jaar dreigde de Bethunepolder onder water gezet te worden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse waterlinie. Van Vloten wendde onmiddellijk zijn invloed aan om dat te voorkomen en zijn actie had resultaat. Maar inmiddels had een aantal bewoners de polder al de rug toegekeerd. De laatste oorlogsjaren deden de tuinderij de das om. De lasten van de ontwatering drukten zwaar op de bedrijfsvoering van Nimmerdor. In 1920 overleed Van Vloten aan maagbloedingen, de idealist die zich voortdurend bekommerd had om zijn boeren en werknemers. Hij had de omstandigheden jaar in jaar uit tegen gehad. In 1921 werd het faillissement van Nimmerdor uitgesproken. Boerderijen, percelen bouwland, weiland, ruigtland, zodde en water kwamen onder de hamer en werden op een openbare verkoping op 14 december 1920 en 11 januari 1921 bij opbod verkocht. Er kwamen wel kijkers, maar nauwelijks kopers op af.
Zo kwam de grond grotendeels in handen van twee banken die nog wel risico’s durfden te nemen: de Hollandsche Algemeene Verzekeringsbank uit Schiedam en de N.V. Nationale Boerenborg Maatschappij uit Den Haag. Zij konden de landerijen daarna weer doorverkopen aan boeren. Het land bleek namelijk vooral geschikt voor rundveehouderij. Als er niet in 1930 wat de bemaling betreft een overeenkomst voor drinkwaterwinning was gesloten tussen de gemeente Amsterdam en het waterschap, dan zouden ook deze boeren zeker het loodje hebben gelegd. De kwel in de polder was en is zo groot dat er dag en nacht gemalen moet worden met een capaciteit van 3800 kubieke meter per uur! Het is dus letterlijk pompen of verzuipen. Bij stevige regenval moet er zelfs nog een tweede pomp bij ingeschakeld worden.
Het tweede artikel beschrijft de geschiedenis van de polder na de dood van Van Vloten. De tijden veranderden: de polder werd uiteindelijk onderdeel van de ontwikkeling van het Noorderpark en MELK voor VISCH werd ingeruild voor NATUUR voor MELK!
Geraadpleegde bronnen
Bos, Ingwer J. Het ontstaan van de venen in het Vechtgebied. In: Naerdincklant Special (Archeologie Gooi en Vechtstreek). De Middeleeuwse Veenontginningen. Uitgave 2012-02.
Rinsma, E.J. Nederlandse Historiën 14de jaargang no. 4. De 100 lentes van de Bethune. September 1980.
Rinsma, E.J. Vecht en Veen op de valreep. Uitgeverij Canaletto 1980.
Rinsma, E.J. Kroniek van Nimmerdor. Maarssen 1976.
Weijs, Wim. Natuur & Landschap van de Vechtstreek. Stichting uitgeverij KNNV 2011.