45e jaargang (bladzijde 18) nr.1 / IN: Periodiek HKM
Het ontstaan en de ontwikkeling van de Bethunepolder Deel II
“NATUUR voor MELK”:
Van veepolder tot natuurpolderee
Auteur: Clan Visser ’t Hooft
Met medewerking van Co Grootendorst, Martine Lodewijk (Waternet)
Inleiding
In Periodiek nr. 4 van 2017 staat beschreven hoe de Bethunepolder met veel moeite uit veenmoeras werd drooggelegd en uiteindelijk in stand gehouden kan worden dankzij de drinkwaterwinning uit de polder voor de stad Amsterdam. Dit vervolgartikel beschrijft de geschiedenis van de Bethunepolder vanaf de overeenkomst in 1930 over deze waterwinning tussen de gemeente Amsterdam en het Waterschap.
Een volgend artikel tot besluit zal de moeizame totstandkoming van de herinrichting van de Bethunepolder tussen 2012 en 2015 behandelen. In 1985 is de polder namelijk onderdeel geworden van het Noorderpark, een recreatief natuurgebied voor de stad Utrecht en omgeving, waarin nog slechts twee agrarische bedrijven over zijn, plus een enkele hobbyboer. Opnieuw een ingrijpende verandering in het landschap en zijn functie: MELK voor VISCH is NATUUR voor MELK geworden. Tijden veranderen!
Boerenbedrijf geen sinecure.
Op 20 december 1943 verscheen een rapport van de hand van de adjunct-ingenieur bij de Cultuurtechnische Dienst van het Waterschap, die verder niet bij name genoemd wordt.
Dit rapport beschrijft onder andere de redenen van het verloop van de boerenbedrijven in de polder.
Begin jaren veertig was de Bethunepolder een veeteeltgebied voor zelfkazers, oftewel kaasboeren, en voor zoetboeren; dat wil zeggen boeren die consumptiemelkers óf industriemelkers waren. Consumptiemelkers waren lid van de Consumptie-Melk-Centrale en moesten daaraan hun melk afdragen. Industriemelkers leverden hun melk aan particulieren of aan coöperatieve melkfabrieken. In 1940 waren er in de Bethunepolder nog twintig consumptiemelkers, acht industriemelkers en vier kaasboeren. Het waren veelal geen langblijvers, want de problemen waren dusdanig dat de een na de ander failliet ging of spoorslags vertrok om daaraan te ontkomen. Daardoor kreeg de polder ook een slechte naam.
Verder waren er nog vier tuinders met een geringe oppervlakte aan land. Eén van hen richtte in 1941 de Nederlandse Kininefabriek op om digitalis en artemisia te kweken voor medische doeleinden, met name met betrekking tot hart- en vaatziekten. Maar dat bedrijfje hield het niet lang vol. Na de inundatie door de bezetter was de kwaliteit van het land dusdanig achteruit gegaan dat er geen droog brood meer te verdienen viel. Hoe weinig boerenfamilies het uiteindelijk in de polder volhielden, blijkt uit het feit dat er eind 1943 van de oorspronkelijke bewoners uit 1909 nog maar enkelen over waren. De boerderijen in de polder waren ook niet groots. Integendeel, het waren sobere gebouwen, volkomen in overeenstemming met het welvaartsniveau van de bewoners.
Het leven van de boeren was altijd al zwaar geweest vanwege de slechte kwaliteit van het grasland, de hoge polderlasten en de last van het onderhoud van de sloten en greppels, naast al het dagelijks werk en niet te vergeten de overvloed aan moeilijk te bestrijden onkruiden. Dit was mede te wijten aan het feit dat op 23 april 1943 de ‘moffen’ de Nieuweweg hadden opgeblazen. Het water uit het Tienhovens Kanaal stroomde de Bethunepolder in. Tegelijkertijd hadden ze ook alle Vechtsluizen opengezet met het gevolg dat alle mogelijke onkruiden in het boerenland van de polder terecht kwamen, zoals biezen en waternavel, distels en zuring, allerlei klavers, moerasvergeetmijnietjes en koekoeksbloemen. Overal doken ratelaar en hermoes op; dat laatste wordt ook wel ‘soldatenjongens’ genoemd. Hooi met hermoes is vrijwel waardeloos, omdat de koeien door het vreten ervan weinig melk geven, mager blijven en er zelfs aan dood kunnen gaan.
Afhankelijk van de kwaliteit van de grond in relatie tot de wateroverlast, het onderhoud van de percelen en de vakkennis van de boeren, liepen de melkgiften per hectare en per koe sterk uiteen. Van 7468 liter per hectare per jaar tot 1507 liter, van 3437 liter per koe per jaar tot slechts 1281 liter. In het boekjaar 1941/1942 waren er nog slechts tien bedrijven over in de polder met een totale oppervlakte van 117 hectare, waarvan de boekhouding geregistreerd is. De gemiddelde opbrengst van die bedrijven was f 284,05. Daarvan moet nog f 253,54 afgetrokken worden aan lasten voor zaad, pootgoed, voer, lonen en meststoffen, zodat er slechts een bedrijfswinst overbleef van f 48,51. Voor het noordwestelijk weidegebied in de polder lagen de cijfers anders: bruto-opbrengst f 358,75, lasten f 261,59 en dus een bedrijfswinst van f 97,16. Bedragen die in onze ogen onvoorstelbaar minimaal zijn!
Op dit moment zijn er, zoals vermeld, nog maar twee boerenbedrijven in de Bethunepolder over, naast een enkele hobbyboer.
Landelijke ontwikkelingen rond Utrecht
Toen de grote steden in het westen van het land begonnen op te komen en zich systematisch uitbreidden, ontstond in de jaren dertig van de vorig eeuw de gedachte om rond die steden groene gordels te creëren om te voorkomen dat het hele land langzaam maar zeker zou worden volgebouwd. Toch zou het nog enkele decennia duren voordat de urgentie van dit idee tot actie leidde.
Ten noorden van de stad Utrecht hadden al ontwikkelingen plaatsgevonden om het boerenlandschap te beschermen en efficiënter in te richten. Resultaat van de veenontginningen was namelijk dat er een landschap was ontstaan van zeer lange, smalle stroken land van soms wel vier kilometer lang. Dat betekende een extra belasting voor de boeren om hun land te bewerken. Zij bewoonden in het gebied ten noorden van Utrecht de lange van oost naar west lopende linten van boerderijen, die zo kenmerkend zijn voor dit gebied. Denk bijvoorbeeld aan Oud-Maarsseveen, Tienhoven en Westbroek. Door middel van ruilverkaveling zouden eenvoudiger te bewerken percelen voor de boeren kunnen ontstaan door het verkleinen van de afstand tussen de boerderij en de weidegronden. Na twee mislukte pogingen in 1924 en in 1938 werd er pas in 1951 een nieuwe poging gedaan tot ruilverkaveling. Ditmaal met meer succes. Natuurgebieden werden stukje bij beetje aangekocht en ingericht voor behoud van natuur en recreatie. Boerderijen werden verplaatst en het wegennet werd waar mogelijk aangepast.
Het ten noorden van de stad gelegen landschap was daardoor al ingrijpend veranderd, maar zou nog meer veranderingen ondergaan. De Provinciale Planologische Dienst van Utrecht legde namelijk in 1969 een eerste concept op tafel voor het realiseren van een Noorder- en een Zuiderpark om groene gordels te creëren rond de stad. Alleen het Noorderpark werd uiteindelijk verwezenlijkt. Het zou bestaan uit drie delen: een westelijk deel voor water- en oeverrecreatie met het strandbad Maarsseveense Plassen als centraal punt, de Bethunepolder als een plek voor rustzoekers en het Gagelbos voor fietsers en wandelaars, een gebied van zeventig hectare groot. Het totale gebied zou 2500 hectare beslaan.
In 1976 gaf de provincie Utrecht opdracht om een basisplan voor het Noorderpark uit te werken. Toen in 1978 dit basisplan werd gepubliceerd, roerden de boeren zich heftig op de hoorzitting van 28 juni in het gemeentehuis te Maarssen. Hun agrarische bedrijven zouden in de knel komen door de oprukkende recreatievoorzieningen. En niet alleen dat! Ook waren ze bang voor de neveneffecten daarvan, zoals naturisme, zondagsontheiliging, lawaai en toenemende verkeersdrukte. Uiteindelijk besloten drie boerenorganisaties ondanks hun bezwaren eind augustus 1982 toch een aanvraag bij de provincie in te dienen voor de ruilverkaveling die noodzakelijk was om de voorliggende plannen te realiseren: uitbreiding van de stad door bebouwing van de aangrenzende polders voor nieuwe stadswijken en recreatiemogelijkheden voor de groeiende bevolking. Plannen voor het realiseren van de wijk Overvecht en de Maarsseveense Plassen lagen kant en klaar op de tekentafel. Herinrichting van de Bethunepolder zou daarna volgen, aangezien het Rijk de eis stelde dat de aanvraag voor ruilverkaveling diende samen te vallen met het gehele plangebied voor het Noorderpark. Ook Gedeputeerde Staten stemden ermee in. Daarmee was eindelijk het proces van besluitvorming rond!
Voor die uitbreiding van de stad was natuurlijk veel zand nodig. Door ruilverkaveling langs de Herenweg was het mogelijk geworden zeven miljoen kubieke meter zand weg te zuigen voor de aanleg van Overvecht. Zo ontstonden de Maarsseveense Plassen, die in 1986 officieel in gebruik werden genomen.
Gevolgen voor de Bethunepolder
De zandwinning had grote gevolgen voor de waterhuishouding in dat gebied. Een moeilijk doorlaatbare laag veen van een meter dik moest worden afgegraven, waardoor echter een toename van de kwel in de nabijgelegen Bethunepolder optrad. Het gemeentelijk waterleidingbedrijf van Amsterdam stemde erin toe die extra kwel weg te pompen voor f 5.000,00 per jaar. Het was al de tweede keer dat het Waterleidingbedrijf Amsterdam ingreep om de slechte waterstaatkundige toestand van de Bethunepolder te verbeteren door baggerwerkzaamheden uit te voeren: uit het Waterleidingkanaal naar het fort werd in 1966 16440 kubieke meter slib gebaggerd dat de laatste tien jaar was bezonken. Eind 1966 werd het oude gemaal vervangen door een nieuw, geautomatiseerd elektrisch gemaal. Dat bleek hard nodig.
Het was intussen duidelijk dat de Bethunepolder niet aan de landelijke en provinciale ontwikkelingen zou kunnen ontsnappen. In 1986 werd de Landinrichtingscommissie Noorderpark ingesteld die direct begon met het uitgeven van een voorlichtingskrant. Er werd een projectgroep Waterbeheer in de Bethune ingesteld. De Bethunepolder kreeg het predicaat ‘natuurontwikkelingsgebied’ opgeplakt, dit in tegenstelling tot eerder gemaakte afspraken! Aangezien de Utrechtse Heuvelrug aan verdroging leed, was een van de mogelijkheden om dat te verhelpen het geheel of gedeeltelijk onder water zetten van de Bethunepolder.
Het was overigens niet de eerste keer dat inundatie dreigde. Bij het aanleggen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie werd ook al overwogen de Bethunepolder, als dat nodig bleek, te inunderen om doorgang van vijandelijke troepen te verhinderen (zie kader).
Kader: De Nieuwe Hollandse Waterlinie in de Bethunepolder
Een gebeurtenis van historisch belang voor de Bethunepolder was de aanleg van de Nieuwe Hollandse waterlinie in het midden van de negentiende eeuw. Wie in de polder wandelt of fietst, komt op verschillende plekken in het landschap groepsschuilplaatsen tegen. Zij moesten bescherming bieden aan een kleine eenheid militairen tijdens beschietingen. De Waterlinie was bedoeld om vijandelijke legers tegen te houden door het land vanaf de Zuiderzee tot aan Noord-Brabant zo’n veertig centimeter onder water te zetten. Sloten en greppels zouden daardoor onzichtbaar worden, het land bevaarbaar noch doorwaadbaar, zodat vervoer van troepen en wapentuig onmogelijk zou zijn. De Bethunepolder werd aangewezen als één van de gebieden die daarvoor in aanmerking kwam. Het fort Tienhoven, gebouwd tussen 1848-1850, en de groepsschuilplaatsen in de polder zijn daar nog steeds de stille getuigen van. Langs de Machinekade staat er één vlakbij het pompstation, overgroeid met klimop, en even verderop rijst een merkwaardig grijs blok op poten omhoog, oorspronkelijk liggend op een terp waarvan de aarde in de loop van de tijd is ingeklonken. De Waterlinie is overigens nooit echt in werking getreden. De dreiging van inundatie van de Bethunepolder heeft nadien echter nog regelmatig de kop op gestoken. Ter herinnering aan dit stukje historie is in september 2017 langs de Nieuweweg een speciale bank neergezet met daarin verwerkt de spoorstaven die destijds in de wegen werden ingegraven om de vijand te dwarsbomen (zie afbeelding). Elders in het land zijn de forten ingericht als museum, als bezoekerscentrum of als een bijzondere eetgelegenheid, zoals in Maarssen op de hoek van de Herenweg en de Maarsseveensevaart.
Inundatie in het kader van de inrichting van het Noorderpark zou betekenen dat alle gronden en gebouwen in de 540 hectare grote polder onteigend moesten worden. Amsterdam zou dan op zoek moeten gaan naar een vervangende plek om water te winnen. Dit probleem reikte wijder dan de grenzen van het Noorderpark, maar het maakte wel degelijk onderdeel uit van de plannen voor herinrichting.
Allerlei alternatieven kwamen ter sprake in de projectgroep Waterbeheer in de Bethune, zoals het graven van meer en grotere petgaten of de aanleg van een groot reservoir in de polder. Natuurbeschermers en boeren kwamen tegenover elkaar te staan; de partijen hadden tegengestelde belangen. Natuurbeschermers ijverden voor grote wateroppervlakten ten bate van broedplaatsen voor diverse soorten watervogels en voor waterplanten. Boeren zouden moeten verdwijnen en naar elders verplaatst, binnen of buiten de grenzen van het Noorderpark. Zij zouden last krijgen van een toename van ganzen en zwanen op hun weidegronden.
De weidegrond van de boeren die in de polder zouden blijven, moest verkaveld worden ten bate van waterberging. Positief was dat 60% van hun gronden bij de bedrijfsgebouwen zou komen te liggen. Dan kon het vee dichtbij huis worden geweid en gemolken. Op die manier zou het ook mogelijk worden om moderne melkapparatuur te installeren en de bedrijfsvoering te moderniseren. Herverkaveling zou niet alleen gunstig zijn voor de boeren, maar ook versterking van natuur- en recreatiegebieden betekenen. Vrijwilligheid zou bij dit alles voorop staan.
In 1993 stelde de Landinrichtingscommissie een ‘Voorontwerp Landinrichtingsplan’ voor het Noorderpark vast. De naam Noorderpark uit het begin van de jaren zeventig besloeg alleen de recreatiezone ten noorden van de stad Utrecht, maar omvatte nu ook het hele gebied tussen Utrecht en Maarssen ten zuiden van de stad, de Loosdrechtse Plassen aan de westkant, Hollandse Rading in het noorden tot aan de Utrechtse Heuvelrug aan de oostzijde, in totaal 5900 hectare groot. Ruim tweemaal zo groot als oorspronkelijk de bedoeling was.
Een groot deel van de beoogde natuurontwikkeling werd in de Bethunepolder gepland. Opvallend was de aandacht voor de aanleg van wandel- en fietspaden en kanoroutes voor openluchtrecreatie. Een kanoroute dwars door de Bethunepolder om de Loosdrechtse Plassen met de Maarsseveense Plassen te verbinden. Het onder water zetten van de polder was daarbij weliswaar van de baan, maar er werd ten zuiden van de Middenweg wel een natuurontwikkelingsproject ontworpen ter grootte van 100 hectare en in het noordelijk deel van de polder een hoogwatervoorziening.
Van alle kanten werd opnieuw bezwaar gemaakt tegen dit ontwerp. Het waterleidingbedrijf ageerde tegen deze gedeeltelijke inundatie van de polder in een paar artikelen in De Telegraaf. Het zou een bedreiging vormen voor de winning van drinkwater. De gemeente Amsterdam ging er direct toe over boerderijen in het zuiden van de polder aan te kopen om zoveel mogelijk grond te verwerven. Boeren en bewoners vreesden voor een enorme muggenplaag, afgezien van de jaarlijkse ‘knuttentijd’ (minimugjes) in juni.
In het rapport ‘Bethune – trillend hart van Nederland’ werkte het waterleidingbedrijf de gedachte verder uit dat natuurontwikkeling de beste bescherming zou zijn voor het veilig stellen van de drinkwaterbelangen. In overleg met de Landinrichtingscommissie werd besloten het natuurontwikkelingsgebied in tweeën te delen: Staatsbosbeheer zou de noordelijke helft van de Bethunepolder in bezit en beheer krijgen, het Waterleidingbedrijf Amsterdam kreeg het zuidelijk deel toegewezen, 225 hectare groot. De gemeente Amsterdam reserveerde hiervoor 16 miljoen gulden. Het aankopen van de gronden zou geleidelijk aan plaatsvinden tot 2010.
De boeren in de Bethunepolder kregen te maken met strengere eisen van het Waterleidingbedrijf Amsterdam ten aanzien van het gebruik van pesticiden. Duidelijk was dat de agrarische functie van de polder langzamerhand kleiner zou worden: NATUUR voor MELK!
Bronnen
- Rapport Cultuurtechnische Dienst van het Waterschap van de hand van de adjunct-ingenieur. 20 december1943.
- B. Rusken en A. Menting. Bethunepolder polder of plas. Examenopdracht planologie, juni 1992. Internationale Agrarische Hogeschool Larenstein.
- Arcadis. Inrichting Bethunepolder. Toelichting op het definitief ontwerp in opdracht van de Dienst Landelijk gebied van de provincie Utrecht. 7 mei 2012.