400
700
900
Een leven op, met en voor Slot Zuylen
Franse, Rob

Een leven op, met en voor Slot Zuylen

45e jaargang (bladzijde 136) nr.4 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Kastelen

Plot

Dit is de tekst zonder afbeeldingen. Zie voor afbeeldingen de papieren editie.


Een leven op, met en voor Slot Zuylen

Auteur: Rob Franse

Waarschijnlijk, beste lezer, woont u nu aanmerkelijk ruimer dan in de periode 1940-1960. Dat geldt voor de meesten van ons. Toch is er een beperkte groep mensen voor wie het omgekeerde geldt. Ik heb het over mensen, vaak van adel, die hun kasteel, landhuis, landgoed of grote huis in die periode hebben moeten inruilen voor een heel veel kleinere behuizing. Onlangs sprak ik met Lucile van Tuyll. Haar overkwam als kind, dat ze als klein meisje leefde in en om Slot Zuylen en als tiener in een klein hoekhuis in Breda…
Lucile werd midden in de oorlog geboren en woonde in het dorp Zuilen, vlak naast de brug in Klein Zuylenburg. In het laatste jaar van de oorlog vond haar grootvader, Frederik Christiaan Constantijn baron van Tuyll van Serooskerken, dat te gevaarlijk en hij besloot dat Luciles moeder met haar kinderen midden in de nacht de veiligheid van het grote huis moesten opzoeken, binnen de muren van het slot. Lucile, bijna twee jaar oud, werd daartoe in een wollen deken gewikkeld en opgepakt met de boodschap dat ze muisstil moest zijn. Zo gingen ze die nacht naar grootvader en grootmoeder. Lucile herinnert het zich nog zeer helder. De deken waarin ze gedragen werd, heeft ze nog steeds als een kostbaar relikwie; een herinnering aan een bijzonder moment.

Daar begint Luciles verhaal over Slot Zuylen. De geschiedenis van het slot gaat natuurlijk veel verder terug. Sinds 1250 was het een kasteel dat behoorde bij het bisdom Utrecht. Het kwam in 1665 in bezit van de familie Van Tuyll van Serooskerken en werd in de achttiende eeuw (de tijd van Belle van Zuylen) verbouwd tot buitenplaats. Het zou tot 1951 de woonplaats en het bezit zijn en blijven van de familie. Vanaf dat moment zou alles veranderen. Alles…?
Nadat zij allen de oorlog overleefd hadden, rees de vraag: Hoe nu verder? Haar grootouders woonden, leefden en werkten in en vanuit het ‘Grote Huis’. Binnen de gracht, in het huis dat als adres had ‘Bij de Poort’, woonde Lucile met haar ouders en haar broertjes en zusjes. Hun leven speelde zich voor een groot deel af in en om het ‘Grote Huis’. Dat huis echter was ernstig aan zeer groot onderhoud toe. Bovendien was de wereld na tien jaar crisis en vijf jaar oorlog ingrijpend veranderd. Zo bleek het oude verdienmodel van een slot met landerijen en pachters niet langer levensvatbaar en wierp de verzorgingsstaat, als vervanger van de adel en de kerk, haar schaduw vooruit. Luciles grootouders hadden zeven kinderen onder wie het huis en de bezittingen verdeeld zouden moeten worden. Haar grootouders namen dan ook het dappere en verstandige besluit om alles ‘binnen de muren’ in een stichting onder te brengen om zo het voortbestaan van het slot met de bij het slot behorende inventaris en de familiegeschiedenis zo goed mogelijk te borgen. Het bezit, waarvoor de familie ruim drie eeuwen had mogen zorgen, werd nu als het ware aan de gemeenschap gegeven, mede door openstelling voor een breed publiek.
Het was een wijs besluit zoals later zou blijken, maar zoals gezegd ook dapper en met vele consequenties. Daar waar tot 1952 haar grootouders werkten en de kleinkinderen met vriendjes en vriendinnetjes uit het dorp en omstreken onbekommerd speelden, zou weldra een museale omgeving ontstaan. Die omgeving vroeg er plotseling om zaken te ‘conserveren’ en met handschoenen aan te pakken, waar nog niet zo lang daarvoor kinderhanden alles als vanzelfsprekend aanraakten. Heftig...
Lucile had in die jaren een sterke band opgebouwd met haar grootouders. Vooral grootmoeder en Lucile waren een vanzelfsprekende twee-eenheid. Groot was dan ook de verandering toen Luciles vader daadwerkelijk thuiskwam na drie jaar krijgsgevangen te zijn geweest in de oorlog en enige tijd daarna voor drie jaar werd uitgezonden naar het voormalige Nederlands-Indië. Vader kwam namelijk niet zozeer thuis in het huis ‘Bij de Poort’, maar kwam als militair terug in Nederland en werd geacht om binnen korte tijd vlak bij de Militaire Academie in Breda te gaan wonen. Zo verhuisde het gezin met vader mee naar een klein hoekhuis. Plotseling was er voor Lucile (en natuurlijk ook voor haar broertjes en zusjes) geen vertrouwde grootmoeder meer, geen ruime leefruimte meer en geen vertrouwde omgeving. Nog sterker: Ze werd daar in Breda een beetje spottend bekeken…, een barones! Waarschijnlijk is daar en later ook tijdens haar studietijd in Utrecht -waar ze sociale wetenschappen studeerde- de weerstand ontstaan tegen die titel. Je werd er niet alleen mee gepest, maar je werd erdoor niet eens vertrouwd bij demonstraties en bezettingen!
Wanneer ze maar kon tijdens haar tienertijd en tijdens haar studententijd trok ze naar Oud-Zuilen, naar Slot Zuylen en naar haar grootouders in het ‘kleine huisje’ (het voormalige koetshuis). Het bleef op de een of andere manier toch haar thuis en daarbij haar waardepatroon. Misschien kwam dit vooral door haar grootmoeder, die ook toen nog tenminste wekelijks geconsulteerd werd door de wijkverpleegkundige over de verschillende noden in het dorp. Het slot en de familie hadden nog steeds een grote verbondenheid met en ook zorg voor het dorp Oud-Zuilen, de ommelanden en zijn inwoners.

Na op verschillende plekken rond de stad Utrecht gewoond te hebben, deed zich in 1985 de gelegenheid voor om vlak bij het slot te gaan wonen op één van de landerijen die haar vader had geërfd. Dat was een mogelijkheid die besproken moest worden met man en kinderen en ook moest worden afgewogen in relatie met haar werk. Zelf was ze immers trots op wat ze met studeren en werken bereikt had en dat moest, net als het werk van haar man, gecombineerd kunnen worden met het wonen vlak bij het slot. Daarbij kon het hele gezin natuurlijk op de vingers natellen dat het slot en de stichting haar zouden gaan ‘roepen’.
Er werd verhuisd en die ‘roep’ werd almaar sterker, ofschoon ze er in het begin erg aan moest wennen dat de dorpsbewoners haar nu ‘mevrouw’ noemden in plaats van Lucile. Ze was inmiddels al voorzitter van de vriendenvereniging en uiteindelijk voorzitter van de operationele stichting. Dit was een positie waarin ze al haar liefde en zorg voor het behoud van het ‘Grote Huis’ en de tuin vorm kon en kan geven.
In die rol kreeg ik haar te spreken. Zittend in de eeuwenoude vensterbank van de keuken van het ‘Grote Huis’ sprak zij anderhalf uur lang en bracht daarmee het verleden tot leven; een verleden dat domweg niet verloren mag gaan en dat altijd weer overgedragen moet worden aan eenieder die in het heden leeft, als waardevolle aanvulling op het leven. Na ons gesprek ben ik er nog meer van overtuigd dat het slot, de geschiedenis van het slot, de verhalen en vooral de waarden die aldaar leiden tot bewustmaking en bezinning altijd weer onder ieders aandacht gebracht moeten worden.
Je spreekt dan over zaken als de zorg voor elkaar; de kracht van een gemeenschap waarbij het ‘Grote Huis’ de verbindende factor is. Er was een vanzelfsprekende figuur als haar grootvader die zich ook het recht had verworven om zich tegen ruzies aan te mogen bemoeien en haar grootmoeder die een bindende kracht was binnen de familie, zowel collectief als individueel, maar ook een bindende en zorgende kracht was binnen het oude dorp Zuilen. Een plek waar je als dorpelingen als vanzelfsprekend bij elkaar kon en kunt komen; een slot met historie en met vele verhalen om trots op te zijn.
Zittend in die vensterbank met een vertellende Lucile en een klok die elk halve uur meedogenloos aangeeft dat de tijd voortsnelt, zie en hoor ik verschillende periodes voorbij komen. Het is vooral de periode waarin de zorg voor elkaar en misschien ook wel het paternalisme hun goede kant laten zien, een kant die mij aanspreekt. Het past naadloos bij de doelstellingen van de stichting en bij die van Lucile. Je praat dan over volhouden, behouden maar ook over meegaan met je tijd (zoals Belle al deed), de verplichtingen die al dit bezit met haar voorrechten met zich meebrengt, en over de omgeving die zowel rust uitstraalt als bewustwording oproept. Het is voor mij een moment van bezinning, een bezinning die prachtig past bij haar wens en opdracht om alle samengebalde historie en daarbij vergaarde kennis over te dragen om samen weer stappen verder te komen. Ik zou het eenieder gunnen om de tijd te nemen en dit aldaar te ervaren.
Van Lucile naar doctorandus, naar mevrouw, naar voorzitter en weer naar Lucile. Zelf gebruikt ze haar adellijke titel niet. Dat begrijp ik inmiddels maar al te goed. Maar na zo’n gesprek en nadat we samen terug wandelden, waarbij ze echt oog heeft voor alle details en voor alles wat nog moest gebeuren, dacht ik toch echt dat deze Lucile de titel barones zou moeten hebben. Niet vanwege haar afkomst maar vanwege alles wat het leven en haar leefomgeving haar geleerd hebben én hoe ze dat heden ten dage uitdraagt aan alles en iedereen.
Zo kom ik terug bij mijn openingsalinea. Ze woont niet meer zo riant als ze ooit woonde, maar ze leeft wel met die omgeving. En hoe! Ze onderhoudt, deelt op een persoonlijke manier en draagt over. Ze laat de historie met haar waarden herleven en trekt je mee in verleden, het heden en naar de toekomst waarbij het echt aankomt op -en je bijna dwingt tot- bezinning.
Op de terugweg voel ik me verrijkt. Ik mag haar tutoyeren en met Lucile aanspreken ook. Dank je wel, barones. Blijf volhouden, blijf delen en laat de verhalen aankomen!



Onderschrift afbeelding
Grootvader en grootmoeder. Voorwaar een baron en een barones ...