400
700
900
De beeldhouwers langs de Vecht
Versteegh, Jaap

De beeldhouwers langs de Vecht

45e jaargang (bladzijde 139) nr.4 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Beeldende Kunst

Plot

Dit is de tekst zonder afbeeldingen. Zie voor afbeeldingen de papieren editie.


Kunst uit de Vechtstreek Deel 4

De beeldhouwers langs de Vecht

Auteur: Jaap Versteegh

Bij velen leeft de gedachte dat Nederland veel grote schilders heeft voortgebracht, maar dat uit de Hollandse klei weinig bijzondere beeldhouwers zijn voortgekomen. Dit is een misvatting. In de twintigste eeuw heeft in ons land de figuratieve beeldhouwkunst een boeiende ontwikkeling doorgemaakt en een rijke bloeiperiode gekend. De sporen van deze bloeiperiode zijn ook in de Vechtstreek terug te vinden, waar zich destijds meerdere beeldhouwers van naam gevestigd hadden. Het merendeel van hen was opgeleid aan de Amsterdamse Rijksacademie, waar van 1914 tot 1947 professor Jan Bronner (1881-1972) de scepter zwaaide. Zijn adagium luidde ‘Beeldhouwkunst is architectuur en architectuur is beeldhouwkunst.’ Bronner moest weinig hebben van exaltatie. Vorm- en materiaalvernieuwingen vond hij minder belangrijk. Eén van zijn leerlingen heeft eens over hem gezegd: ‘Bronners voorkeur ging uit naar de Romaanse en vroeg-Gotische beeldhouwkunst, die voortkwam uit het “wij”, anoniem, voor ieder verstaanbaar, leesbaar.’ Na de Tweede Wereldoorlog bleek deze benadering van de beeldhouwkunst het ideale uitgangspunt voor het maken van oorlogsmonumenten die zowel het algemene verdriet verbeeldden als het verlangen naar een nieuwe toekomst symboliseerden. Het is dan ook geen toeval dat veel van de beeldhouwers die in de volgende decennia de beeldhouwkunst van Nederland hebben bepaald tot de ‘School van Bronner’ behoorden.

De beeldhouwers van ‘Oud-Over’
Het echtpaar Bertus Sondaar (1904-1984) en Ton Sondaar-Dobbelman (1907-2000) maakte deel uit van deze groep prominente beeldhouwers. Zij hadden elkaar leren kennen aan de Amsterdamse Rijksacademie waar beiden studeerden bij professor Bronner. Zij verlieten de opleiding in 1930, trouwden en trokken naar Parijs. Daar kreeg Bertus les in het beeldhouwen van portretten van de beroemde Franse beeldhouwer Charles Despiau. Terug in Nederland betrok het jonge echtpaar het prachtige buiten ‘Oud-Over’ in Loenen aan de Vecht (zie afbeelding 1). Het huis lag toentertijd in het buurtschap Oud-Over, dat tot de gemeente Loosdrecht behoorde. Nu bestaat dat buurtschap niet meer en zijn de nog overgebleven huizen volledig geïntegreerd in het dorp Loenen. 1) Hier ontwikkelde Bertus Sondaar zich tot één van de belangrijkste portretbeeldhouwers van zijn tijd. Hij vervaardigde prachtige portretten van onder meer de schrijver Louis Couperus, de componist Schubert en koningin Juliana (zie afbeelding 2). Ook zijn portret van de acteur Eduard Verkade is een hoogtepunt in zijn oeuvre. Sinds 1939 bewoonde Verkade Huize Klein Boom en Bosch in Breukelen. De dichter Adriaan Roland Holst die in 1940 door de Duitsers werd gezocht, dook tot het voorjaar van 1944 bij hem onder.
Ton Sondaar-Dobbelman deed in deze jaren als beeldhouwster een stapje terug ten faveure van haar echtgenoot (zie afbeelding 3). Na zijn overlijden heeft zij echter nog verschillende mooie beeldhouwwerken gemaakt, onder meer een reliëfportret van Belle van Zuylen voor een brug in het dorp Oud-Zuilen. Zij speelde halverwege de vorige eeuw ook een grote rol als gastvrouw van Oud-Over, dat in deze jaren uitgroeide tot een populaire artistieke ontmoetingsplaats. In deze feeërieke omgeving, waar werd geboetseerd, geschilderd en gemusiceerd (Bertus Sondaar was een uitzonderlijk goede zanger), kwamen regelmatig veel bevriende kunstenaars op bezoek, zoals de Haarlemse beeldhouwer Mari Andriessen, de schilder Wim Oepts, de Utrechtse beeldhouwer Pieter d’Hont en hun Amsterdamse vrienden en collega’s Arie Teeuwisse, Gerrit Bolhuis en Han Wezelaar, de laatste was getrouwd met de zus van Ton, Liesbeth Dobbelman, eveneens beeldhouwster. Zij hadden allen in Amsterdam aan de Rijksacademie les gehad van Bronner, evenals Gerarda Rueter, die aan de overkant van de Vecht woonde, in het dorp Loenen.

Gerarda Rueter
Gerarda Rueter (1904-1993) werd in Sloterdijk geboren als tweede dochter van de schilder Georg Rueter en zijn vrouw Gerarda de Lang. In het liefdevolle gezin Rueter kregen de kinderen alle kans zich artistiek te ontwikkelen. Dochter Gerarda, die ter onderscheiding van haar moeder de bijnaam ‘Meik’ kreeg, was dan ook niet de enige die een artistieke loopbaan zou opbouwen. Haar oudere zuster Maria, die later zou trouwen met de schilder Willem Hofker, maakte naam maken met haar geaquarelleerde en gekalligrafeerde jaarboeken, waarin zij de groei en ontwikkeling van haar tuin vastlegde. Haar jongere broer Georg, die de bijnaam ‘Pam’ kreeg, ontwikkelde zich tot één van Nederlands meest vooraanstaande grafici. Ook Gerarda gaf reeds op jonge leeftijd, druk doende met het boetseren van allerlei beesten, blijk van haar artistieke talent. Daarom ging zij na haar eindexamen eerst naar de Kunstnijverheidsschool in Amsterdam voor het verkrijgen van een algemene vaktechnische ondergrond, om vervolgens naar de Rijksacademie te gaan voor een specifieke beeldhouwopleiding onder leiding van Bronner.
Na haar opleiding aan de Rijksacademie vond zij atelierruimte in een oude schuur aan de Sloterkade te Amsterdam en tot 1961 bleef zij bij haar ouders in Sloten wonen. Daarna verhuisde zij naar het dorp Loenen aan de Vecht, waar zij, op een steenworp afstand van Bertus Sondaar en Ton Dobbelman, een huisje betrok aan de Dorpsstraat nummer 88.
Hier bleef zij tot op hoge leeftijd werken (zie afbeelding 4). Zij ontving meerdere opdrachten, waaronder verschillende gevelstenen met beeldhouwwerk in reliëf, zoals een gedenksteen voor de kunstenaar-biograaf Carel van Mander aan de Oude Kerk te Amsterdam en een reliëf aan het Parlementsgebouw te Stockholm. Haar bekendste vrijstaande beeld is waarschijnlijk haar Watersnoodmonument te Stellendam uit 1956, voorstellende een oude, verkleumde vrouw in een groot kleed gewikkeld. Maar in haar kleinere, vrije werk kwam haar poëtische talent voor de uitbeelding van mens en dier minstens zo goed tot uiting.

René van Seumeren
De Utrechtse beeldhouwer René van Seumeren (1923-1989) was ook enige jaren leerling geweest aan de Rijksacademie, waar hij les had gehad van Jan Bronner en Gerrit Bolhuis, maar stond desondanks op meer afstand van de groep beeldhouwers rond ‘Oud-Over’ (zie afbeelding 5). Misschien dat zijn katholieke achtergrond hier mee te maken had. In de eerste helft van de vorige eeuw vormde de katholieke kerk voor een grote groep kunstenaars een belangrijke bron van inkomsten en tot en met de hervormingen, die het gevolg waren van het Tweede Vaticaans Concilie, was er behoefte aan religieus geïnspireerd beeldhouwwerk. René van Seumeren heeft hier een belangrijke bijdrage aan geleverd. In 1949 won hij de zilveren medaille voor beeldhouwkunst bij de Prix de Rome en kort hierop verhuisde hij met zijn gezin naar Maarssen, waar hij een mooie, grote woning betrok aan de Kerkweg. In deze nieuwe woonomgeving kreeg hij diverse mooie opdrachten. Voor de Heilig Hartkerk in Maarssen mocht hij een nieuw hoofdaltaar maken, voor het bejaardenhuis Maria Dommer vervaardigde hij een groot reliëf voor boven de ingang. Voor de priorij Emmaus bij Doornburgh maakte hij een prachtig gestileerd Christusbeeld, dat bevestigd is aan de buitengevel bij de ingang van de kapel. Het neemt binnen het bijna geheel figuratieve oeuvre van René van Seumeren een unieke plaats in, mede omdat het sterk geabstraheerd is. Maar het is wel degelijk figuratief. Het beeld is geïnspireerd op het kruis van de kloosterorde van de Kanunnikessen van het Heilig Graf, de voormalige bewoonsters van de priorij. De afstand van de twee dwarslatten is vergroot, zodat de verticale vorm omhoog lijkt te rijzen uit de onderste dwarsbalk, aldus de verrijzenis symboliserend. Ondanks deze en andere opdrachten bood de beeldhouwkunst René van Seumeren onvoldoende mogelijkheden om te kunnen voorzien in de kosten voor het onderhoud van zijn groeiende gezin en begin jaren ’80 maakte hij de overstap van de beeldhouwkunst naar de scheepsbouw. Lang heeft hij echter niet kunnen profiteren van deze, uit financieel oogpunt verstandige keuze, Van Seumeren overleed op 65-jarige leeftijd.

Barbara de Clercq
Volgend op deze generatie figuratieve beeldhouwers die tijdens het interbellum is opgeleid aan de Amsterdamse Rijksacademie zijn er meer beeldhouwers te noemen die actief waren en nog steeds zijn in de Vechtstreek. Men kan hierbij denken aan Gabriël Sterk (1942), thans woonachtig in Frankrijk, aan Charles Dumernit (1948), die tegenwoordig in Limburg woont en aan Peter Petersen, die al jaren in de boerderij Huys ten Halve aan de Maarsseveensevaart 11 te Maarssen woont. Maar de enige beeldhouwer die in deze korte opsomming van beeldhouwers nadrukkelijk meer aandacht verdient is Barbara de Clercq (zie afbeelding 6). Enerzijds omdat de kwaliteit van haar werk dit rechtvaardigt, anderzijds omdat zij volledig past in de ontwikkeling van de figuratieve beeldhouwkunst zoals hierboven geschetst. Dit hangt voor een deel samen met haar opvoeding. Als dochter van het beeldhouwersechtpaar Geurt Brinkgreve en Sjuwke Brinkgreve-Kunst is zij opgegroeid te midden van de eerder genoemde kunstenaarskring van ‘Oud-Over’. Zij is weliswaar niet opgeleid aan de Amsterdamse Rijksacademie en zeker niet door Jan Bronner, daar is zij te jong voor, maar zij past wel in de traditie van de leerlingen van Bronner. Men zou haar als beeldhouwster een naturalist kunnen noemen. Haar naturalisme steunt op techniek, maar is geen doel. Techniek, of anders gezegd materiaalbeheersing, kan een valkuil vormen. Daar gaat het haar ook niet om. Zij wil juist los komen van de materie. Kijkend naar de beelden van Barbara de Clercq herken je een dier, maar je ziet haar lijn, de lijn die zij ziet in het dier. Technische vaardigheid is in dat verband niet genoeg. Het gaat haar om de poëzie in de verbeelding.
Zoals het goede kunst betaamt is het werk van de beeldhouwster Barbara de Clercq onlosmakelijk met haar hele persoon verbonden. Het is vriendelijk, bescheiden en rijk aan verschillende visies. Barbara de Clercq heeft naam gemaakt met beelden van dieren, die zij ziet rondscharrelen rondom haar huis. Samen met haar man Steven bewoont zij al weer enkele decennia een deel van de monumentale buitenplaats Herteveld, gelegen aan de Vecht nabij Maarssen. Het is er een oase van rust, waar haar grote en kleine bronzen beelden van eenden, ganzen en waterkipjes een subtiel eerbetoon brengen aan de schoonheid van de Vecht, die ook veel andere beeldhouwers heeft weten te inspireren.

Noten
1) Sarah de Clerq en Jan Teeuwisse, Ton en Bertus Sondaar: leven en beeldhouwen aan de Vecht. (1996) Loenen aan de Vecht. Medimil.

Onderschriften afbeeldingen
1. Voorgevel van het buiten Oud-Over in Loenen aan de Vecht. Bron: Wikipedia/RCE.
2. Bertus Sondaar: portret van ‘Yvonne’. Collectie Kunsthandel Pygmalion.
3. Beeld voorstellende 'Moeder en dochter' op het Borneoplein te Amersfoort van Ton Sondaar-Dobbelman. Archief Jaap Versteegh.
4. ‘Waternimf’ van Gerarda Rueter. Collectie Kunsthandel Pygmalion.
5. ‘Francientje van Seumeren’ is een beeld van René van Seumeren op het graf van zijn dochter op de rooms-katholieke begraafplaats van Maarssen. Archief Jaap Versteegh.
6. Beeldje van Barbara de Clercq voorstellende de Ark van Noach. Collectie Kunsthandel Pygmalion.