45e jaargang (bladzijde 86) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Dit is de tekst zonder afbeeldingen. Zie voor afbeeldingen de papieren editie.
De Nieuwe Hollandse Waterlinie: een monument van wereldformaat
Auteur: Douwe Koen
De Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) zal waarschijnlijk in 2020 geplaatst worden op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Het Vechtplassengebied vormt een belangrijk onderdeel van deze linie. In de aanloop naar de plaatsing zullen er daarom in Stichtse Vecht allerlei activiteiten plaatsvinden, waaronder artikelen in de periodieken van de historische kringen van Breukelen, Loenen en Maarssen. Dit artikel is het eerste in deze reeks gewijd aan de NHW (zie afbeelding 1).
Inleiding
Een groot gedeelte van de gemeente Stichtse Vecht is gelegen in het gebied van de voormalige Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW). Deze militaire linie is aangelegd tussen 1815 en 1885 en zou - met noodzakelijke moderniseringen en aanpassingen - tot 1940 in functie blijven als de hoofdverdedigingslinie van Nederland. Gelegen op de scheidslijn van hoog en laag sloot de circa 85 kilometer lange linie tussen de Zuiderzee en de Biesbosch de toegang naar het westen van ons land af. Daarmee waren de grote steden, havens en industrieën beschermd tegen een aanval over land uit het oosten. De linie was de opvolger van de meer westelijk gelegen Oude Hollandse Waterlinie, die na 1815 dan ook werd opgeheven.
Zoals de naam al aangeeft, was de verdediging voornamelijk gebaseerd op water als hindernis. In tijden van mobilisatie en oorlog konden grote delen van het voorgelegen liniegebied onder water worden gezet. Geheel ‘waterdicht’ was de linie echter niet. Dijken, spoorlijnen, maar ook waterwegen vormden doorgangen, zogenaamde ‘accessen’, die de inundatiegebieden kruisten. Voor de afsluiting daarvan werden verdedigingswerken aangelegd. Ligging, vorm en omvang werden aangepast aan het strategisch belang en het acces ter plekke. Niet alleen nieuwe verdedigingswerken werden aangelegd, maar ook oude vestingen zoals Nieuwersluis, werden gemoderniseerd en in 1815 opgenomen in de nieuwe linie.
De NHW is in fasen aangelegd; dit als gevolg van ontwikkelingen in de artillerietechniek. Tussen 1815 en 1824 werd als eerste de strategische stad Utrecht met zijn vele land- en waterverbindingen aan de oostzijde van een aantal forten voorzien. Ook maakte men een begin met de aanleg van het inundatiestelsel. Daarna kwam de versterking van de NHW stil te liggen door de Belgische Opstand. Na 1840 werd de versterking van de linie hervat, nu ook in andere delen van de linie, waaronder het Vechtplassengebied. Nieuw waren onder meer de identieke forten Spion en Tienhoven, beide aangelegd in 1844-1847 (zie afbeelding 2). Deze forten waren klein van opzet, omdat ze slechts een smal acces moesten verdedigen dat verder geheel door inundaties zou zijn omringd. In het midden is een wachthuis met dikke muren opgenomen, die voorzien zijn van vele kanon- en geweerschietgaten en op het dak was een batterij ingericht. In het wachthuis was ruimte voor de gehele bezetting met de nodige voorzieningen, zoals logiesruimten, buskruitmagazijn, keuken, ziekenverblijf en privaten. De oude vesting Nieuwersluis kreeg binnen haar wallen in 1847 een klein afzonderlijk fort, onder meer ter bestrijking van de in 1843 geopende spoorweg Utrecht-Amsterdam. In dit fort werd een rond wachthuis met de gebruikelijke voorzieningen gebouwd.
De Vestingwet
Kort na 1860 kwam het ‘getrokken geschut’ in gebruik (zie afbeelding 3). Dit type geschut had met het gebruik van puntvormige granaten een veel groter bereik en een grotere indringingskracht. De bestaande forten moesten worden aangepast met zwaardere wallen, bomvrije kazernes voor de fortbezetting en remises voor het geschut. Ook was de bouw van aanvullende forten op zwakke punten in de linie noodzakelijk.
De mobilisatie van 1870 had aangetoond, dat er niet alleen veel mankeerde aan de verdedigingswerken, maar dat de verdediging al in vredestijd veel beter voorbereid kon worden. Mede naar aanleiding van de mobilisatie van 1870 nam het parlement in 1874 de Vestingwet aan, waarin een regeling voor het Nederlandse vestingstelsel was opgenomen. Sommige linies, afzonderlijke vestingen en forten werden opgeheven en andere gemoderniseerd. Daarnaast was er wederom sprake van de aanleg van nieuwe forten. De voltooiing van de NHW kreeg prioriteit en moest binnen een termijn van acht jaar voltooid zijn, hetgeen ook is gelukt. Als uitvloeisel van de Vestingwet zijn bijvoorbeeld de forten Spion en Tienhoven in 1879-1880 voorzien van een verdedigbaar wachtgebouw, gelegen bij de ingang. Fort Nieuwersluis is in 1880-1882 geheel omgewerkt en Fort Maarsseveen werd nieuw gebouwd in 1880-1881. De toen voltooide forten waren door middel van uitgebreide beplantingen gecamoufleerd tegen vijandelijke waarneming.
In andere opzichten kreeg de NHW eveneens versterking. Veilig gelegen achter de NHW en op loopafstand van een station, werd in 1877 in Nieuwersluis een kazernecomplex gevestigd voor een pupillenschool als algemeen opleidingsinstituut van de landmacht voor jongens van 12-15 jaar. In geval van mobilisatie konden hier gevechtstroepen worden ondergebracht.
‘Oefeningen in den Vestingoorlog’
Omstreeks 1880 werd voor elk fort een ‘Memorie van Verdediging’ samengesteld, waarin gegevens over de voorbereiding van de verdediging in brede zin waren opgenomen: de sterkte en samenstelling van de fortbezetting, de te verrichten werkzaamheden binnen en buiten het fort, de bewapening, logistiek, telegrafische verbindingen en de verzorging van gewonden en doden enzovoorts.
Door middel van kleinere en daarnaast grotere oefeningen ‘in den Vestingoorlog’ werden de troepen vertrouwd gemaakt met de specifieke verdediging van de forten en hun omgeving. In augustus-september 1883 vormde het plassengebied het strijdtoneel van een dergelijke oefening. De verslagen hiervan bevatten niet alleen een levendige beschrijving van de oefeningen, maar ook topografische informatie over de dorpen in het gebied.
Uiteindelijk omvatte de linie in 1885 maar liefst vijftig forten, waarvan een zestal vestingen. 1) De bewapening was gedeeltelijk permanent in artillerieloodsen op de forten aanwezig, maar de troepen en het overige gedeelte van de bewapening moesten bij het ‘in staat van verdediging’ brengen van de forten uit de garnizoenen komen.
Met de invoering van de brisantgranaat na 1885 leek het lot van de traditionele forten als artilleriesteunpunt bezegeld. Tegen de uitwerking van dit type granaat met zijn 12-15 maal grotere explosieve lading, waren de forten met hun wallen en bakstenen gebouwen niet bestand. Niettemin bracht de Genie kort na 1885 nog enkele verbeteringen aan, waaronder verschansingen achter de forten Spion en Tienhoven, om een vijandelijke omtrekking van de forten te bemoeilijken. Na 1885 werd er gekozen voor een andere strategie. Het zwaartepunt van de verdediging verschoof van de afzonderlijke forten naar een groot aantal verspreide opstellingen voor infanterie, artillerie, munitieopslag en dergelijke in het terrein, waardoor ze minder kwetsbaar waren voor beschietingen. Uit oogpunt van geheimhouding en onderhoudskosten werd hiertoe pas overgegaan in tijd van mobilisatie, voor het eerst in de mobilisatieperiode 1914-1918 en wederom in 1939-1940. De oude forten speelden toen nog maar een beperkte rol als infanteriesteunpunt.
Inundaties: de ruggengraat van de verdediging
Zoals opgemerkt was de verdediging van de NHW voor een belangrijk gedeelte gebaseerd op onderwaterzettingen als hindernis. Het laaggelegen land vormde de onderlegger voor de inundatiegebieden. Het inunderen van het gebied tussen de Lek en Muiden was een ingewikkelde aangelegenheid; het terrein tussen beide plaatsen heeft namelijk een verval van circa 2 meter. Zou men het gebied bij de Lek zonder meer inunderen, dan zou het water bij Muiden circa 2 meter hoog staan en het gebied bij de Lek nog droog zijn. Door de verdeling in vijf (later zes) inundatiekommen kon voor elke kom het gewenste waterpeil worden bereikt. Zo vormde de Tienhovenschekade de keerkade tussen de eerste en tweede inundatiekom. Een uitgebreid stelsel van bestaande civiele en speciaal aangelegde en gebouwde militaire dijken, kaden en sluizen, duikers en coupures (doorsnijdingen) zorgde voor een snelle en gelijkmatige verspreiding van het water. De meest oostelijke polders werden het eerst onder water gezet om een aanvaller al in een vroeg stadium tegen te houden.
Erg hoog hoefde het water niet op de inundatieterreinen te staan. Een waterpeil van 30-50 cm boven het maaiveld was al voldoende om het terrein ‘plas en dras’ te zetten. De watergangen en oneffenheden in het maaiveld verdwenen dan onder de waterspiegel, terwijl de ondergrond veranderde in een modderige, onbegaanbare en ondoorwaadbare hindernis; niet alleen voor troepen, maar ook voor paarden en voertuigen. Snelheid was cruciaal bij het stellen van inundaties. Men moest natuurlijk wel zien te voorkomen, dat een aanvaller voor de linie zou komen te staan, voordat de inundaties gesteld waren. Daarom heeft de Genie het inundatiestelsel tot 1940 periodiek verbeterd (zie afbeelding 4).
Uiteraard was de aanwezigheid van de Loosdrechtse Plassen een groot voordeel bij de verdediging van de linie. Een groot gedeelte van dit liniegedeelte stond permanent onder water en door de lage ligging kon de Bethunepolder in zeer korte tijd worden geïnundeerd. Tegen een eventuele vijandelijke aanval met boten konden de verdedigers rond 1880 platte schuiten, bewapend met een kanon, de zogenaamde uitleggers, inzetten. De Koninklijke Marine zorgde met kleine schepen voor patrouilles op de Vecht en het Merwedekanaal (zie afbeelding 5).
Verboden Kringen
Voor een goede vuuruitwerking van de kanonnen en handvuurwapens uit de forten waren een vrije observatie en schootsvelden van groot belang. Daarvoor was in 1853 de Kringenwet aangenomen. Deze wet onderscheidt in de omtrek van een verdedigingswerk drie denkbeeldige zones, de zogenaamde ‘Verboden Kringen’, waarbinnen allerlei beperkingen gelden met betrekking tot de bouw van opstallen en beplantingen.
Langs de Mijndensedijk en ook op andere locaties in Nieuwersluis en daarnaast bij Fort Maarsseveen en Fort Tienhoven treffen we nog houten opstallen aan als uitvloeisel van de Kringenwet: woonhuizen, boerderijen en schuren (zie afbeelding 6). Omdat het geen echte militaire objecten betreft, zijn houten opstallen niet opgenomen in de lijst van voor te dragen objecten voor de plaatsing op de Werelderfgoedlijst. De toepassing van de Kringenwet werd in 1951 opgeschort; de wet zelf is pas in 1963 ingetrokken.
Ook in breder verband heeft de NHW een grote invloed gehad op de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht. Zo gingen plannen voor de drooglegging van het plassengebied in 1855 en 1857 en later in 1876-1878 niet door vanwege de bezwaren van het Ministerie van Oorlog. De drooglegging zou de verdediging ernstig verzwakken. Om die verzwakking te compenseren eiste het Ministerie van Oorlog de bouw van niet minder dan vijf forten en bovendien enkele dijken en kanalen, om de polders weer snel te kunnen inunderen. Geconfronteerd met deze eisen trokken de investeerders zich terug. En dat is maar goed ook, want tegenwoordig vormen de Loosdrechtse Plassen een waardevol recreatie- en natuurgebied en is belangrijk voor de winning van drinkwater. Uiteindelijk is slechts de Bethunepolder drooggelegd, maar een groot nadeel was dit niet, want de laaggelegen polder kon natuurlijk in zeer korte tijd weer onder water gezet worden. Een plan voor een spoorlijn tussen Hilversum en Nieuwersluis haalde het eveneens niet; een hooggelegen spoordijk vormde immers een nieuw acces.
Mobilisaties
Driemaal is de NHW gemobiliseerd, voor het laatst in 1939-1940. Het kwam echter niet meer tot oorlogshandelingen als gevolg van de capitulatie van de Nederlandse krijgsmacht.
Het zal duidelijk zijn dat deze mobilisatieperioden hun neerslag hebben gehad op de dorpen in het Plassengebied en hun inwoners. Vooral de langdurige mobilisatie van 1914-1918 was ingrijpend (zie afbeelding 7). Toen was de ‘Staat van Beleg’ afgekondigd en kregen inwoners te maken met inkwartieringen, verplichte werkzaamheden, vorderingen van terreinen, paarden en allerlei materialen. De bestudering van archieven en kranten uit die periode levert veel interessante historische en wetenswaardige informatie op. Zo vernemen we, dat bijvoorbeeld als gevolg van petroleumtekort de trekschuit weer in gebruik wordt genomen. Ook het verhaal van Jac. P. Thijsse die wordt opgepakt op verdenking van spionage, is typerend voor die tijd.
De NHW is echter meer dan geschiedenis alleen: de meeste objecten, zoals forten, groepsschuilplaatsen, inundatiemiddelen zijn nog terug te vinden in het landschap en dat geldt ook voor de landschapsordening. Nergens anders in de NHW komt het effect van een inundatie beter tot uitdrukking dan bij de Loosdrechtse Plassen.
Tezamen vormt dit militair erfgoed als onderdeel van de omvangrijke NHW een monument van formaat en zelfs van wereldformaat. Dat was voor de Nederlandse regering aanleiding om de NHW voor te dragen voor plaatsing op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. In het Statement ter aanbeveling voor de aanwijzing op de lijst worden drie belangrijke elementen genoemd: het strategisch landschap van de NHW, het watermanagementsysteem dat hiervoor wordt ingezet en de strategisch gepositioneerde militaire werken die er onlosmakelijk mee verbonden zijn.
Gezien de samenhang met de Stelling van Amsterdam, die al in 1996 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO was geplaatst, zal de NHW als een uitbreiding van deze linie worden voorgedragen voor plaatsing op de Werelderfgoedlijst. Volgens de huidige planning zal de plaatsing in 2020 haar beslag krijgen. Daarmee heeft de met monumenten toch al rijk bedeelde gemeente Stichtse Vecht er een belangrijke categorie monumenten bij; een categorie monumenten waar we als inwoners van onze gemeente trots op mogen zijn!
Bronnen
Irma en Kathelijne Gondrie (2017). Nieuwe Hollandse Waterlinie levert prestatie van wereldformaat. In Tijdschrift Historische Kring Breukelen, jrg. 32, 2.
D.T. Koen (1998). Nieuwersluis. Van Starreschans tot Strafbastion.
Jac. P. Thijsse (1915). De Vecht.
Chris Will (2002). Sterk Water. De Hollandse Waterlinie.
Noten
1. Een fort is een naar alle zijden militair verdedigbaar aarden werk. Een vesting is een militair verdedigingswerk met een civiele bebouwing, bijvoorbeeld vesting Naarden.
Onderschriften afbeeldingen
1. Overzichtskaart van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Provinciaal Bestuur Utrecht.
2. Luchtfoto van Fort Spion uit het zuiden na verbetering van de Bloklaan, 1936. Collectie Nationaal Militair Museum.
3. Een 12-cm kanon op een fortwal. Collectie J. de Zee.
4. De bouw van een nieuwe schutsluis in de Maarsseveensche Vaart als onderdeel van het inundatiestelsel, 1940. Collectie Douwe Koen.
5. Een uitlegger met een 12-cm kanon, 1890. Collectie J. de Zee.
6. Houten woning aan de Mijndensedijk te Nieuwersluis. Collectie A.R. Visser, 2003.
7. De Landweer te Loenen, ondergebracht op de boerderij Schoonoord, 1914. Collectie Douwe Koen.