400
700
900
Trekhonden in Maarssen
Smits, W.

Trekhonden in Maarssen

46e jaargang (bladzijde 11) nr.1 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Voertuigen

Plot

Trekhonden in Maarssen

Auteur: Wally Smits

Mijn grootmoeder, oma Smits, vertelde ooit dat zij in haar jonge jaren, voor of tijdens de Eerste Wereldoorlog, met de hondenkar schoon wasgoed van de wasserij van Van der Kreeft helemaal naar Weesp moest brengen. De wasserij was gelegen aan de Amsterdamsestraatweg ter hoogte van de plek waar vroeger de ABTB was en wij, de toehorende kleinkinderen, vonden dat toch wel een flinke afstand. Met de bromfiets was het wel te doen maar met de fiets, laat staan te voet, leek de afstand ons veel en veel te groot. Met deze constatering was voor ons toen de kous af. Nu, nadat ik in het gemeentearchief van Maarsseveen en Maarssen onderzoek heb gedaan naar het verschijnsel trekhonden, kwam dat verhaal weer bij mij boven. Had oma echt die afstand met de hondenkar lopend afgelegd en ook nog terug? Had ze op de heen- of terugweg zelf gelopen of was ze op de kar gaan zitten? Hoe was het gesteld met de poten van de hond na zo’n tocht? Ik vrees dat, als ik diezelfde tocht uit nostalgische overwegingen nog eens zou maken, de grens van Breukelen voor mij het verst haalbare geweest zou zijn. Voor die tijd had zou de politie mij vermoedelijk al lang opgepakt hebben op grond van de Wet op de Dierenbescherming van 1962 waarin het gebruik van trekhonden uitdrukkelijk wordt verboden. Of de tocht was mij onmogelijk gemaakt door dierenliefhebbers, die een hondenkar toch wel als erg dieronvriendelijk zouden bestempelen.
Oma’s verhaal wordt ondersteund door de herinneringen van P. Reith, die in vier wandelingen Maarssen omstreeks 1900 beschreef. Als hij schrijft over het straatbeeld in die tijd vermeldt hij dat er weinig verkeer was maar dat er geregeld vee en schapen door het dorp trokken. ‘De voormiddag staat in het teken van venters met melk, groenten, vis, hout en turf, petroleum, aardappelen, fruit enzovoort. Ze hebben allen een handwagen met een trekhond ervoor of eronder, die ook weer het zijne op straat deponeert. Tussen al die honden een geweldig geblaf en gekef tegen elkaar. Zaterdagmiddag passeren de veedrijvers, die de koeien van de veemarkt in Utrecht bij de kopers thuisbezorgen. Dat zijn soms behoorlijke aantallen dieren die ook weer hun niet geringe sporen achterlaten. Dan komen nog de Utrechtse venters op hun hondenkarren met de groenten die op de veiling in Utrecht onverkocht bleven, welke ze à tout prix kwijt willen. (…) Des avonds om ongeveer zes uur komen melkventers nog een keer, weer met verse melk.’ Hoewel de strekking van zijn verhaal ook is dat er nogal wat mest op de openbare weg achterbleef, geeft het een mooi beeld van het volkomen ingebed zijn van het verschijnsel trekhond. Geen woord van medelijden met de trekhond. Hij vindt het interessanter om de enorme hoeveelheid mest te beschrijven die er altijd op de wegen in de steden en dorpen lag.

De trekhond, tractie voor de kleine middenstander
In tegenstelling tot in Denemarken, waar het gebruik van trekhonden altijd al verboden was, heeft onze viervoeter in Nederland eeuwenlang dienstgedaan als trekdier voor diegenen die zich geen paard konden veroorloven of voor wie het handiger was om een kleiner dier te hebben als trekdier. De hondenkar is immers in de stad met zijn smalle straatjes wendbaarder dan een paard en wagen. Vooral na 1800 werd deze manier van vervoer veel gebruikt. In de tweede helft van de negentiende eeuw begon men meer oog te krijgen voor het lot van dieren in het algemeen en voor trekhonden in het bijzonder. Veelal op gemeentelijk- en provinciaal niveau werden allerlei verordeningen uitgevaardigd die schijnbaar het lot van de dieren moesten verlichten, maar veelal waren het verordeningen die meer gericht waren op het beschermen van de bevolking tegen gevaarlijke honden. De verordeningen gaan vaker over het muilkorven van honden en het afschieten in verband met hondsdolheid dan over een betere behandeling.
Het Reglement van Politie van de gemeente Zuilen uit 1857 rept met geen woord over trekhonden. Toch is er in de navolgende jaren het een en ander veranderd. Het ‘Brievenboek justitiezaken’ van de gemeente Maarsseveen over de periode 1890-1904 wemelt van de processen-verbaal over verkeerd gebruik van trekhonden. 1) Zo kreeg in 1901 G. van Schaik uit Maarssen een proces-verbaal omdat zijn honden ‘niet van lederen halters waren voorzien’. Duidelijk is dat er wel aandacht was voor het paard van de kleine neringdoende. Wellicht dat deze ‘grotere aandacht veroorzaakt is door het vanaf 1896 geldende ‘Reglement op het rijden met hondenkarren in de Provincie Utrecht’, waarin eisen voor houders, karren en honden werden opgenomen. Hierin staat in Artikel 6 uitdrukkelijk vermeld dat de bestuurders of geleiders van deze hondenkarren zich in de kom van de gemeente ’niet op het voertuig mogen plaatsen, maar daarnaast moeten gaan’. 2) Op dit artikel kom ik hieronder nog terug vanwege de uitzonderingen.
Door onduidelijkheden kwam er in 1910 een vernieuwde Trekhondenwet en daaropvolgend een Trekhondenbesluit. Vanaf die tijd moesten houders van trekhonden zich laten inschrijven bij de gemeente en kreeg men een soort rij- en kentekenbewijs. Dit kenteken moest op de kar bevestigd zijn. Ook aan de hond werden speciale eisen gesteld. Zonder daar al te diep op in te gaan, moest het een stevige, minstens 50 cm hoge hond zijn met een boeg(borst)breedte van minstens 14 cm. Nog ging deze wet een aantal mensen niet ver genoeg. In 1912 werd de Anti-Trekhonden Bond opgericht, later beter bekend onder de naam Bond Tot Bescherming van Honden. Het enige doel was de totale afschaffing van trekhonden. In 1962 kregen ze, zoals hierboven vermeld, hun uiteindelijke succes maar in de tussentijd oefenden ze voortdurend druk uit op de overheid.
Over de periode 1910-1928 is over het voorgaande in zowel het gemeentearchief van Maarsseveen als dat van Maarssen nauwelijks iets te vinden. Dat wil niet zeggen dat er niets met de wet werd gedaan. In januari 1920 wordt vermeld dat N. van der Vaart, melkslijter te Zuilen, Amsterdamse Straatweg 52, ’geen houder van een hondenkar’ meer was. 3) Er bestond dus wel een vorm van administratie, maar of de honden daadwerkelijk gekeurd werden, betwijfel ik. Die onduidelijkheid bleef tot de herziening van de Trekhondenwet in 1927 waarna de gemeenten verplicht werden te keuren en ook aan de provincie verslag te doen van die keuring. Hoewel in vele gemeenten de plaatselijke veldwachter de keuring mocht verrichten, pakte men het in Maarsseveen en Maarssen professioneler aan. Beide gemeenten lieten de ’directeur van de Vleeschkeuringsdienst Breukelen’, de heer Hoogland, die in 1928 ook dienstdeed als gemeente-veearts, de honden keuren. Zelfs in 1934, toen we een eigen veearts (Anderson) hadden, bleef Hoogland keuren.

De keuring van 1928 in Maarsseveen
In het voorjaar van 1928 werd iedere hondenkarbezitter opgeroepen om voor de keuring te verschijnen. Voorafgaand aan die keuring kwam er bij de gemeente een brief binnen uit Den Haag waarin gewezen werd op de boegbreedte van de trekhond. Die was weliswaar vastgesteld op 14 cm maar vanuit de Veeartsenijkundige Faculteit van de Universiteit van Utrecht kwam een waarschuwing voor malafide praktijken in de wereld van hondententoonstellingen. Honden die tijdens het fokken of tijdens de tentoonstellingen niet aan de ras-eisen bleken te voldoen, werden van de hand gedaan en kwamen in handen van personen die ze gingen gebruiken als trekhond, terwijl die honden daar in het geheel niet voor geschikt waren; over dierenliefhebbers gesproken… Door de vereiste boeg- of borstbreedte te vergroten tot 16 cm dacht men dit misbruik te kunnen ondervangen. De resultaten van de keuring werden genoteerd in het ’Register houders Hondenkarren’ en iedere nieuwe keuring werd achter de vorige vermeld.
Zo zien we in het register van Maarsseveen over 1928 veertien namen van trekhondenbezitters. 4) Jacobus Verhoef van de Oude Dijk opent de rij, gevolgd door Wulfert Leeflang en Willempje Veldhuizen aan dezelfde dijk. Aan de Looydijk vinden we slechts één hondenkar, maar aan de Herenweg zijn er toch weer twee: eigendom van Cornelis van den Oosten en van Aart van het Veld. Aan de Diependaalsedijk vinden we Elmert van Elst met een hondenkar en in de Kaatsbaan worden aan de Maarsseveense kant vier bezitters vermeld; Oudhof, Van Kooten, Schmidt en Van Hof mogen hun klandizie bedienen met de hondenkar. Vanwege lichamelijke gebreken en/of hoge ouderdom mochten Jacobus Verhoef en Jacobus Leeflang zich óp de kar verplaatsen. Na 1930 gaat het aantal trekhonden snel achteruit. In 1934 komt Jacobus Theodorus Kerste er nog als nieuweling bij in Maarsseveen, maar zijn ‘span’ komt niet door de keuring omdat zijn nummerbord ontbrak op de kar. Het aantal afvallers is enorm. Van Ee van de Looydijk maakt mee dat zijn hond wordt afgekeurd; er worden wat vergunningen ingetrokken zodat we in 1934 nog slechts twee vergunningen overhouden in Maarsseveen en dan blijkt bij de keuring van 1936 ook nog eens dat Kerste was verhuisd naar de Bolensteinsestraat in de gemeente Maarssen.

De keuring van 1928 in Maarssen
In april 1928 werden maar liefst 25 honden in het trekhondenregister van Maarssen ingeschreven. 5) De eigenaars waren verspreid over het hele dorp. Ze woonden aan de Kerkweg, Schippersgracht, Parkweg, de Achterstraat (nu Nassaustraat), Termeerweg, Raadhuisstraat, Breedstraat, Maarssenbroeksedijk en aan het Zandpad. Dit waren de straten waar één of twee eigenaars van hondenkarren woonden. Het merendeel was te vinden aan de Langegracht met drie eigenaars, aan de Binnenweg met drie eigenaars en met name in de Bolensteinsestraat met vijf eigenaars. Op de Langegracht komen we als bekenden tegen Mettes Kouffeld en Jacobus van den Akker; aan de Binnenweg komen we als bekende naam tegen de weduwe Ros en in de Bolensteinsestraat werden Hendrik Kerste, de weduwe Niekerk (2x), Cornelis de Roy en Gijs Kroon in het register opgenomen. Vermeldenswaard is nog Hermanus (Manus) de Koning die zijn winkel had aan de Termeerweg 1a. Ook hier zien we dat in de loop van de jaren dertig het aantal trekhonden sterk afneemt. Veel vergunningen worden ingetrokken. De keuringsarts keurt in 1934 van de resterende vijftien honden er ook nog eens twee af en zo zien we ook in Maarssen dat de trekhond uit het straatbeeld verdwijnt. Manus Koning is bijna de laatste als hij na de keuring van 1939 zijn vergunning laat vervallen. De allerlaatste die zijn hond en aanspanning laat keuren op 20 april is Albert van den Broek. Hij zal wel een speciale reden hebben gehad om een hondenkar te gebruiken, want hij mocht al vanaf 1928 op de kar zitten. Op basis van al deze gegevens kunnen we dus wel concluderen dat het verschijnsel trekhond eind jaren dertig van de vorige eeuw in Maarsseveen en Maarssen nagenoeg verdwenen was.

Bronnen
1. RHCVV Archief Gemeente Maarsseveen 1818-1949 inv. nr. 1729
2. RHCVV Archief Gemeente Maarsseveen 1818-1949 inv. nr. 870
3. RHCVV Archief Gemeente Maarsseveen 1818-1949 inv. nr. 872
4. RHCVV Archief Gemeente Maarsseveen 1818-1949
5. RHCVV Archief Gemeente Maarssen 1813-1938 inv. nr. 2956