46e jaargang (bladzijde 106) nr.3 / IN: Periodiek HKM
Elsenburg, de verdwenen buitenplaats
Deel 9
De tuingeschiedenis van Elsenburg: Het Vermakelijck Landt-Leven
Jaap Kottman
In de loop van de zeventiende eeuw ontstond bij de elite van die tijd een ware passie voor tuinarchitectuur. 1) Men ontleende de ideeën daarvoor aan Italiaanse architectuurtheorieën uit de renaissance die op hun beurt weer beïnvloed waren door de architecten uit de antieke tijd. Het voortouw voor een eigen, Hollandse uitwerking van de klassieke principes werd genomen door de invloedrijke zestiende-eeuwse architect, kunstenaar en kunsttheoreticus Hans Vredeman de Vries. Hij nam in zijn tuinontwerpen de klassieke maatverhoudingen over en gaf de toepassing ervan aan door middel van voorbeelden voor tuinen in de Nederlanden. 2) Een belangrijke voorbeeldfunctie voor de Nederlandse klassieke tuinaanleg waren de tuinen van stadhouder Prins Maurits in Den Haag en die van zijn jongere broer Prins Frederik Hendrik in Honselersdijk. Deze tuinen waren baanbrekend voor de tuinontwikkeling in Nederland. 3) Tot de vroegste classicistische voorbeelden in Nederland behoorde de tot klassieke villa met tuin verbouwde boerderij van Goudestein in Maarssen. 4) Deze oude tuinarchitectuur bestaat nu niet meer. Willen wij daar inzicht in krijgen, dan zijn we afhankelijk van de vele topografische afbeeldingen, kaarten, ontwerptekeningen en schilderijen uit die tijd. 5) Vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw ontstaan de zogenaamde landschapstuinen met een niet-symmetrische, onregelmatige aanleg met slingerende paden en vijvers, als ware de tuin door de natuur gevormd. Deze tuinstijl ontstond onder invloed van nieuwe ideeën over tuininrichting vanuit de zogenaamde Engels-Chinese, Franse en Duitse tuinen.
De tuinen van Elsenburg I, II en III
Om de ontwikkeling van het huis en de tuinen van Elsenburg vanaf de vroege zeventiende eeuw tot aan het begin van de negentiende eeuw te kunnen beschrijven, zijn de historische kaarten waarop het landgoed staat afgebeeld en de summiere gegevens uit verschillende verkoopakten de schaarse bronnen die daar inzicht in kunnen geven. Helaas geeft geen van de kaarten informatie in detail over de tuinen. Wel is opvallend dat in de achttiende eeuw het oorspronkelijke terrein meer dan twaalfmaal zo groot werd. Een grote tuin te kunnen realiseren of te bezitten werd kennelijk beoogd door de zeer welgestelde eigenaars van Elsenburg in die periode.
Elsenburg I
Op de gekleurde manuscriptkaart uit 1629, door Balthasar Florisz. van Berckenrode gemaakt op verzoek van de eigenaar van deze gronden Joan Huydecoper (1599-1661), is te zien dat Goudestein bestaat uit een boerderij met daarvoor een dwars gelegen huis en daaromheen siertuinen, moestuinen, boomgaarden, een duiventil en hooibergen. 6)
Rechts van Goudestein zien wij, eveneens aan de Vecht, een rechthoekig afgekaderd terrein, donkerder ingekleurd dan de omgeving en met een omzoming van sloten en een bomenrij. Boven dit terrein staat geschreven Elsenburg en binnenin staat: 1 morge 2 hont 66 roe 7 voet 8 duim (iets meer dan 1 hectare). 7) Vanaf 1633 was Huydecoper begonnen het terrein te beplanten en in 1637 werd het eerste huis Elsenburg ook daadwerkelijk op deze plek gebouwd. 8) De architect was Philips Vingboons. 9)
Hoe de beplanting was ingedeeld zien we op een kaart naar Jacob Bosch ‘Een cleen gedeelte van de Heerlycheyt van Maerseveen’ uit 1660. Daarop is de situatie uit circa 1650 afgebeeld. 10) We zien op deze kaart dat het ondiepe, rechthoekige huis Elsenburg I dwars op de Vecht staat op een rechthoekig vlak midden op het voornoemde terrein. Dit vlak is als een eiland omgeven door een gracht die aan de voorzijde van het huis over de gehele breedte van het terrein doorloopt, met in het midden een brug recht tegenover het huis. Vanaf die brug loopt een pad door het midden van een rechthoekige ‘voortuin’ met symmetrisch aan beide zijden vier vierkante vakken. Het bovengenoemde pad kwam via een poortgebouw uit op een brug over de sloot langs een bomenlaan. Deze bomenlaan, die langs de breedte van het Elsenburgterrein liep, lag haaks op de Vecht en had toegang vanaf het jaagpad eveneens met een poort of een dam met een hek. Verder waren naast en achter het huis, buiten de gracht maar binnen de grenssloot, bomen aangeplant.
Een andere kaart van hetzelfde gebied geeft de situatie in 1690-91 weer. Deze kaart is een afdruk van vijf koperen platen die op de zolder van Goudestein gevonden zijn. Op de kaart, getekend door Jan van der Heyden en gegraveerd door Philibert Boutatts, is te zien dat de oostelijke grenssloot van het huis Elsenburg is doorgetrokken tot aan de huidige Timmermanslaan en er achter de noordelijke grenssloot een tuindeel bijkwam, in vakken ingedeeld. Recht vanaf de achterzijde van het huis, waar een tweede brug over de gracht lijkt te zijn afgebeeld, loopt een pad dat over een slootje verder doorgaat en uitkomt bij een gebouwtje; waarschijnlijk het schuitenhuis dat daar nu nog is. Het pad vormt een zichtlijn achter het huis.
Verder is op deze kaart de indeling van de voortuin anders ingetekend dan op de kaart uit 1660. De bomenlaan aan de voorzijde van het huis is doorgetrokken tot aan de Diependaalsedijk. Het grote rechthoekige terrein tussen deze bomenlaan en de Timmermanslaan ten oosten van de grenssloot tot aan de Diependaalsedijk is op de kaart ingetekend met bomen en heeft een bomenlaan rondom. Het totale terrein van Elsenburg was nu zes morgen (5,5 ha). Dat is circa viermaal zo groot als afgebeeld op de kaart uit 1660. Deze uitbreiding zal gedaan zijn door mr. Cornelis Maire in de periode1681-1713. Na zijn dood wordt Elsenburg verkocht aan François Verboom. 11)
De verschillende zeventiende-eeuwse kaarten van dit gebied geven de indruk dat de tuinen van de afgebeelde buitenplaatsen vooral uit vakken met bomen bestaan. Bomen en in het bijzonder fruitbomen waren belangrijke onderdelen van de grote tuinen in die periode. Andere onderdelen waren de tuinpaden die samen met strak gesnoeide hagen dienden als afscheiding van de tuinvakken. Verder hoorden bij tuinen uit die periode uitheemse bloemen en planten die in potten of bakken stonden opgesteld.
Elsenburg II
Theodorus de Leeuw koopt Elsenburg in 1714 van François Verboom. Hij laat het oorspronkelijke, ondiepe huis vervangen door of ombouwen tot een blokvormig huis. Aan de linkerzijde van zijn nieuwe huis heeft Theodorus een nieuwe oprijlaan met eikenbomen aangelegd, recht naar de Diependaalsedijk. De entree daarvan was een hek, geplaatst op een dam in de sloot langs de Diependaalsedijk. Tegenwoordig is op die plek nog steeds een hek aanwezig, maar dat stamt, gezien de decoratie ervan, uit de latere achttiende eeuw. 12) Aan de Vecht staat een rijk versierd hek waarop met vergulde letters Doornburg staat geschreven. 13) Zeer bijzonder is dat van dit smeedijzeren hek ook de pijlers in smeedijzer zijn uitgevoerd. 14) In de literatuur beweren enkele auteurs over dit hek dat het niet op zijn oorspronkelijke plaats staat, maar naar links of naar rechts is verplaatst. Het bewijs daarvoor ontbreekt. De bomenlaan die oorspronkelijk achter het toegangshek liep in de richting van de Diependaalsedijk, is met een verlenging vóór 1691 op deze dijk aangesloten als toegangslaan vanaf die zijde. 15)
Op een gravure van het verbouwde (of geheel nieuwe) Elsenburg in het platenboek De Zegepraalende Vecht uit 1719, zien we een aanzicht van het huis en de tuin vanaf de Vecht. Waarschijnlijk is bij de verbouwing ook de gracht om het Elsenburg van Vingboons gedempt. Theodorus had waarschijnlijk al vanaf het begin plannen om niet alleen zijn huis, maar ook zijn terrein en daarmee ook zijn tuinen sterk te vergroten. Dat blijkt uit de aankoop van grond aan de oostzijde van de Diependaalsedijk dat ten westen van de huidige Klokjeslaan lag, in het verlengde van zijn bestaande terrein. Vanaf 1715 en gedurende de volgende jaren koopt Theodorus stroken land van de verschillende eigenaars op. Waarschijnlijk al vóór 1724 is hij de eigenaar van het grootste deel van dit gebied van acht morgen 500 roede. 16) Het vormt samen een rechthoek tot aan de huidige Dr. Plesmanlaan. Met deze voortzetting van het terrein recht naar achteren kon hij het lanenstelsel vergroten en de zichtlijnen verlengen. Later kocht hij van de Huydecopers ook een daarachter liggend terrein, bestaand uit weilanden. Dit terrein van elf morgen, vormt eveneens een rechthoek. 17) Deze weilanden, op lage veengrond gelegen, werden nooit als tuin ingericht en zijn tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw weiland gebleven. Zijn totale aankoopgebied besloeg uiteindelijk twintig morgen. Het liep tot aan de huidige Zogwetering.
Op 7 april 1744 overlijdt Theodorus de Leeuw in Amsterdam en op 24 augustus wordt het onroerend goed van de overledene geveild. Daarbij hoort ook hofstede Elsenburg. 18)
Vermoedelijk is er aan de totale inrichting van de tuin na de dood van Theodorus de Leeuw niet veel veranderd in de periode dat het huis in bezit was van de volgende eigenaar mr. François de Witt (1744-1775). Op een kaart, opgemeten vanaf 1768 en uitgegeven in 1781, is die situatie afgebeeld. 19) In de tuin en de overtuin zien we twee parallel lopende lanen met bomen in oost-westelijke richting en enkele kruisende dwarslanen. 20) Dit lanenstelsel bepaalde de indeling van de tuin zoals dat bij classicistische tuinen gangbaar was. 21) Achter de Diependaalsedijk liepen de lanen door tot aan de huidige Dr. Plesmanlaan. De noordelijke laan was bereikbaar via een hek op een dam in de sloot aan de oostzijde van de Diependaalsedijk, recht tegenover het hek van de eerdergenoemde oprijlaan. Deze laan vormde een lange zichtlaan vanaf het huis. De tweede bomenlaan, visueel doorlopend vanaf de Vechtzijde door de overtuin heen, had voor zover bekend geen dammen in de sloten langs de Diependaalsedijk.
Na het overlijden van François in 1775 erft zijn in 1755 geboren zoon Jan het buiten Elsenburg. Jan gaat eerst op `grand tour` voor drieënhalf jaar langs de grote Europese steden en laat zijn stiefmoeder Agneta de Witt tijdelijk op Elsenburg wonen. Vermoedelijk heeft hij gedurende zijn grand tour, evenals andere tuinbezitters in die periode, de nieuwe inzichten voor de tuininrichting opgedaan. Dat was de toen opkomende landschapsstijl die in de achttiende eeuw internationaal werd nagevolgd. In 1780 kon Jan zijn gebied vergroten door de aankoop van de buitenplaats Somerbergen, gelegen pal aan de Vecht naast Elsenburg; waarschijnlijk met het doel om dit af te breken en het totaal bij zijn tuin te betrekken. 22) Na enkele jaren kan Jan de Witt zelf deze ontwikkeling echter niet meer ter plekke regelen. Als overtuigd patriot wordt hij in 1787 door stadhouder Willem V afgezet uit de Vroedschap van Amsterdam, waar hij sinds 1783 schepen was. Hij vlucht net als zoveel patriotten naar het buitenland en verblijft daar zeven jaar. Ondertussen gingen de veranderingen na de fusie met Somerbergen door. De toevoeging maakte dat de tuin van Elsenburg zijn lange rechthoekige omtrek verloor en een onregelmatige meer ‘natuurlijke’ vorm kreeg.
Elsenburg III
In 1795, na de uitroeping van de Bataafse Republiek, keert Jan terug naar Amsterdam. Hij had tijdens zijn buitenlandse periode zeer waarschijnlijk in België en Frankrijk de grote landhuizen gezien in de neoclassicistische stijl en kende ongetwijfeld uit de internationale literatuur de kenmerken daarvan. Beïnvloed door die voorbeelden liet hij het oude Elsenburg (II) afbreken en een groots nieuw Elsenburg (III) bouwen, ontworpen door een belangrijk architect uit die tijd: Abraham van der Hart, de Amsterdamse stadsarchitect. Ook de tuin laat hij nu aanpakken, zeer waarschijnlijk in de gewenste landschapsstijl. 23)
Vermoedelijk is de tuin tussen 1796 en 1800 gerealiseerd. De tuinarchitect van Elsenburg is niet bekend. Mogelijk waren de landschapsarchitecten Johann Georg Michael (1738-1800) en/of Johann David Zocher Sr. (1763-1817) erbij betrokken. 24)
In 1795 kreeg Jan net als veel ex-vluchtelingen in de nieuwe republiek een belangrijke functie. Hij werd ambassadeur in Zwitserland (1795-1796). In 1800 ging hij opnieuw naar Frankrijk nabij Condé-sur-Iton in Normandië waar hij een kasteel bezat en zette zijn Nederlandse bezittingen, waaronder Elsenburg, in de verkoop. Het buiten werd gekocht door mr. Laurens Johannes Nepveu (1751-1823) lid van de Utrechtse Vroedschap en van de Utrechtse Provinciale Staten. Na tien jaar echter moet Laurens Johannes er afstand van doen vanwege de hoge onderhoudskosten. Hij laat Elsenburg publiekelijk veilen op 22 mei 1810. Waarschijnlijk had de buitenplaats in de laatste periode voorafgaand aan de veiling niet veel veranderingen ondergaan. Het zeer interessante veilingbiljet geeft veel informatie over de indeling en inrichting van het huis en van de tuin. 25)
De tuininrichting is in het biljet precies beschreven en is vanaf de entree te volgen als een route door de tuin. Dankzij het veilingbiljet weten we dat de oude oprijlaan, met de eikenbomen vanaf de Diependaalsedijk, in de landschapstuin was aangepast en een deftige allee met een dubbele rij beukenbomen geworden was. Vanaf deze laan kwam men bij de nu nog bestaande ijskelder. Achter de oprijlaan lag de slingervijver. De oprijlaan liep links om de slingervijver heen en zo kon het grote plein bereikt worden dat voor het huis lag. De entreezijde van Elsenburg III, met imponerende gebogen dubbele trappen, lag dus aan dat plein achter de grote slingervijver. Vanaf het midden van het huis was sprake van een lange zichtlijn die over de vijver en via de oprijlaan doorging over de Diependaalsedijk langs de brede laan van de overplaats tot aan het einde daarvan. De zichtlijn bestreek dus de totale lengte van de tuin. De brede achterzijde van het huis stond gericht op de Vecht en men had van daaruit een fraai uitzicht op de rivier. Via één van de tuinpaden was het nu nog bestaande schuitenhuis bereikbaar. 26) Aan de Vechtzijde liep een uitgangspad naar het fraai versierde ijzeren hek. De oorspronkelijke bomenlaan vanaf het hek naar de Diependaalsedijk was weggehaald. Deze rechte laan paste niet in de landschapstuin en zou daarbij het tuindeel hebben doorsneden dat eerder tot Somerbergen behoorde.
Ook de brede toegangslaan van de overplaats had nu een dubbele rij bomen. Rechts van deze laan lag, afgescheiden door een hek, de ‘extra Geëxtendeerde Broeijery’ (zeer uitgebreide kwekerij) met kassen voor exotisch en bijzonder fruit. De overtuin had ook een slingervijver. Die besloeg een groot deel van de overplaats en had een brug naar een eiland met een Hermitage, een zogenoemde tuinfolly). Op een tweede eiland stond een duiventoren. Verder stonden er op de overplaats een tuinmanswoning, een jagershuis, een grote schuur, een koeienstal voor zes koeien en een bakoven (een stenen oven in een huisje waarin brood gebakken werd). De weilanden op het achterste terrein werden niet als tuin ingericht; waarschijnlijk om een landelijke sfeer rond de tuin te behouden. Op de voorplaats bevonden zich verder nog een koetshuis en een stal voor twaalf paarden.
De afbraak
Ondanks het aanprijzende veilingbiljet was er geen belangstelling; de buitenplaats Elsenburg werd niet verkocht. Wel werd op 29 oktober 1810 het enorme aantal van 544 extra zware en gave bomen verkocht die in de overtuin stonden. Deze toen jammerlijk kaalgeslagen overtuin, kon daarna als bouwland verkocht worden. In 1812 werd het huis afgebroken en kwam een eind aan de bestaansperiode van de buitenplaats Elsenburg.
Willem Huydecoper (1779-1831), erfgenaam van het buiten Doornburgh, kocht in 1813 de voorplaats en lijfde de tuin in bij zijn gebied. Op de vroegste kadasterkaart van het gebied, waarschijnlijk ingetekend kort nadat het huis Elsenburg met het voorplein was afgebroken, is een grote kale plek te zien waar het huis met het voorplein lag. 27) Deze plek werd daarna weiland en door Willem in 1815 verhuurd. 28) Verder zien we op de kaart de slingervijver die voor het huis lag en meer naar de Diependaalsedijk toe een rechthoek met omkadering die als kwekerij staat aangegeven, Er staat een cirkel op de plaats van de ijskelder en een tweede cirkel aan de Vecht, die als koepel staat benoemd. Het gekapte tuindeel van de overtuin achter de Diependaalsedijk tot aan de graslanden kwam in bezit van Gerrit van Schaik, een bouwman, zoals bij de kadasterkaart staat vermeld. Achteraan dit terrein is op de kaart een vijver met een eiland getekend, een overblijfsel van de vroegere tuinen.
Rechts van het Doornburghterrein direct aan de Vecht lag nog een buitenplaats, Vechtleven genaamd. Deze buitenplaats werd verkocht voor afbraak in 1837. De douairière van Willem, Maria Vink (1785-1861) kocht het afgebroken huis en het terrein op, waarna ook dit gebied bij de tuin van Doornburgh getrokken kon worden. Waarschijnlijk werd rond deze tijd de tuin van Doornburgh opnieuw ingericht, mogelijk door architect en landschapsarchitect Johan David Zocher jr. (1791-1870). Bij de nieuwe inrichting bleef de slingervijver bestaan, maar de oude zichtlijn verdween omdat rondom de vijver groepjes bomen werden geplant. De weide was met een hekwerk omheind. Links daarachter kwam een oranjerie te staan, mogelijk ook naar ontwerp van Zocher. Op een litho uit 1836 van Petrus Josephus Lutgers (1807-1870) staat deze situatie afgebeeld. Vermoedelijk werd de bestaande toegangslaan vanaf de Diependaalsedijk verlegd in de richting van het huis Doornburgh. De voormalige grenssloot met de buitenplaats Somerbergen werd - na de toevoeging van dit buiten aan Elsenburg - tot een bochtige sloot vergraven. De huidige Timmermanslaan werd vóór 1873 verlegd en kreeg twee bochten. Daardoor werd een deel van het voormalig Elsenburgterrein afgesneden en toegevoegd aan de tuin van Goudestein.
In 1861 overleed Maria Vink. In 1864 en in1886 werd Doornburgh te huur aangeboden. De oude grandeur was voorbij en het huis raakte enigszins vervallen. In 1912 werd Doornburgh verkocht aan Jan Pieter van Voorst van Beest, waarmee een nieuwe episode begon. Vermoedelijk is in de tussenliggende periode aan de tuin van Doornburgh weinig veranderd.
Noten
1. Het bezit van een buitenhuis met tuin werd onderdeel van een ‘aristocratiseringsproces’ onder de regenten en de kooplieden van de Republiek. Zie Erik de Jong (1993). Natuur en Kunst, Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur 1650-1740. Thoth, Amsterdam. p. 34.
2. Via zijn invloedrijke publicatie Hortorum viridario rumque elegantes & multiplicis formae ad architectonicae artis normam affabre delineatae. Antwerpen, 1583.
3. F. Hopper (1983). ‘De Nederlandse klassieke tuin en André Mollet’. In: Bulletin KNOB 82. Nr. 3-4. pp. 98- 115.
4. De Jong (1993). p. 34.
5. De Jong (1993). p. 9.
6. Kaerte van thuys te Goudensteyn, toebehoorende De Heer Joan Huydekooper, Gelegen int Gerecht van Maerssen. Balthasar Florisz. Van Berckenrode, 1629. Familiearchief Van der Muelen nr. 66.
7. De oud-Nederlandse oppervlaktemaat 1 hont is 100 roede en (meestal) 1/6 morgen. Een Stichtse roede is 3,756 meter. Een morgen is iets minder dan een hectare.·
8. Zie deel 2 van deze reeks in Periodiek HKM. Jrg. 44 nr. 1-2017. p. 32.
9. Koen Ottenheym (1989). Philips Vingboons (1607-1678) Architect. Walburg Pers, Zutphen. p. 192.
10. De indeling van de tuin van Elsenburg is in 1660 nog hetzelfde als op een kaart van dit gebied uitgegeven door Jacob Colom uit 1651. Zie ook M. Donkersloot de Vrij (1985). De Vechtstreek. Oude kaarten en de geschiedenis van het landschap. Uitgeverij Heureka, Weesp. p.70
11. Zie deel 2 van deze reeks in Periodiek HKM. Jrg. 44 nr. 1-2017. p. 36.
12. De hekversiering van opgekrulde dakvormen met ovalen en cirkels met haakjes wijst op Chinese invloed. Dergelijke eenvoudige versieringsmotieven waren in Europa gangbaar in het laatste kwart van de achttiende eeuw.
13. Waarschijnlijk stond daar aanvankelijk ELSENBURG geschreven. De letters -ELSE- zijn later vervangen door de letters -DOOR-. Bij nadere beschouwing is te zien dat de originele letters in uitvoering afwijken van de later aangebrachte letters.
14. Toeschrijvingen van het hek in enkele bestaande publicaties aan de bekende Franse hugenoot kunstenaar/smid Jean Tijou zijn onwaarschijnlijk omdat deze stierf in 1712 en het hek gezien de ingestempelde ijzermerken uit de periode 1725-1735 stamt. Wel komen enkele Engelse smeden in aanmerking, zoals Thomas Robinson, William Edney en Warren. Zie Raymond Lister (1970). Decorative Wrought Ironwork in Great Britain. David & Charles, Newton Abbot.
15. Te zien op de kaart: Een Gedeelte van de Heerlyckheit van Maerseveen van Philibert Bouttats (1690-1691). Universitaire Bibliotheken Leiden, collectie Bodel Nijenhuis.
16. Alleen de laatste strook langs de huidige Ariënslaan kwam in eigendom van Abraham Romswinkel die de buitenplaats Doornburgh in bezit had. Zie R.H.C. van Maanen (1992). Familiegeld (1721-1724) en het Oudschildgeld (1724) in het Gerecht Oud-Maarsseveen en Neerdijk en Nieuw-Maarsseveen. Maarssen. p. 48.
17. Van Maanen (1992). p. 50.
18. R.E. van Ditzhuyzen (1984). Het huis Elsenburg aan de Vecht en zijn eigenaren (1637-1813) In Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie en het Iconografisch Bureau Deel 38. `s-Gravenhage. pp. 177-199.
19. Marijke Donkersloot-de Vrij (1985). De Vechtstreek. Oude kaarten en de geschiedenis van het landschap. Afb. 34, Manuscript deelkaart van de Provincie Holland opgemeten en in kaart gebracht door P.A. Ketelaar. Uitgeverij Heureka, Weesp. pp.112-113.
20. Dit waren de door Theodorus aangelegde nieuwe oprijlaan en de verlengde oorspronkelijke oprijlaan vanaf het hek aan de Vechtzijde.
21. De aanleg was ingepast binnen het lanenstelsel dat al vóór 1651 en mogelijk zelfs al vóór 1629 door Johan Huydecoper was aangelegd.
22. Een advertentie in de Amsterdamse courant van 22-juni 1784 vermeldt vanuit de plaats Elsenburg een verkoping van een grote partij van afbraak zoals onder meer schuiframen, balken, planken, deuren, plinten, stoepstenen en behangsels.
23. Mogelijk via Abraham van der Hart. Deze had in zijn bibliotheek enkele boeken staan met informatie over de nieuwe tuinmode in landschapstijl. Zie: Erik de Jong (1985). ‘De jongste zuster der schoone kunsten, tuinkunst in 18e-eeuws Nederland’. In: Werkgroep Achttiende Eeuw, Nederlandse Tuinen in de achttiende Eeuw, APA-Holland University Press Amsterdam & Maarssen. p. 11. en noot 47.
24. Johan Georg Michael had voor het eveneens door Abraham van der Hart ontworpen huis Welgelegen in Haarlem (1785-1789) in 1790 de landschapstuin ontworpen, mogelijk in samenwerking met Johann David Zocher. Zie: E. van der Pool-Stofkoper (1989). ‘Verwachting en Werkelijkheid: parken en tuinen van het domein Welgelegen in de periode 1808-1832’. In: Jhr. F.W.A. Beelaerts van Blokland e.a. Paviljoen Welgelegen, Van buitenplaats van de bankier Hope tot zetel van de provincie Noord-Holland 1789-1989. Uitgeverij Schuyt & Co, Haarlem. pp. 123-125. A. van Oosterom (2015). ‘Johann Georg Michael (1738-1800) en zijn zoon Johan George Michael (1765-1858)’. In: Historisch Genootschap Midden-Kennemerland. Ledenbulletin 33. pp. 7-28.
25. Archief Familie Huydecoper, inv.nr. 1167. Het Utrechts Archief.
26. Het schuitenhuis ligt op de noordwesthoek van het terrein over de sloot langs de Timmermanslaan en heeft een uitgang naar de Vecht onder een bruggetje bij het Zandpad.
27. De vroegste kadasterkaarten van Nederland werden ingetekend tussen 1811 en 1832. In 1832 werden ze uitgegeven. Op de kaarten staan nummers ingevuld die corresponderen met een bijhorende verklaringslijst van eigenaren en bodemgebruik.
28. Petra Doeve (2010). ‘Tuingeschiedenis van de buitenplaats Doornburgh en de verdwenen buitens Elsenburg, Somerbergen en Vechtleven te Maarssen’. In: Jaarboekje van het Oudheidkundig Genootschap Niftarlake. p. 61.