400
700
900
Het beleid. Het dorpsbestuur van Maarssen in rumoerige tijden (Deel 2)
Schaik, Wim van

Het beleid. Het dorpsbestuur van Maarssen in rumoerige tijden (Deel 2)

46e jaargang (bladzijde 46) nr.2 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Geschiedenis, Algemeen

Plot

Het dorpsbestuur van Maarssen in rumoerige tijden
Deel 2 Het beleid

Wim van Schaik

In de jaren 1780-1830 veranderde de Republiek der Verenigde Nederlanden in een autocratisch geregeerde eenheidsstaat. Wat begonnen was als een poging van de Patriotten om het toenemend centralistisch stadhouderlijk gezag in een meer federalistisch-democratisch bewind om te buigen liep uit op het tegendeel. De besturen van de steden en de provincies raakten hun macht kwijt ten gunste van een centrale regering in Den Haag. Hoe zat dat in Maarssen: slaagden de bestuurders erin om hun eigen beleid te blijven bepalen?

De laatste jaren van de Republiek
Wie de ‘Geheymschryver’ was, weten we niet. Wel weten we dat hij, toen hij in 1759 een beschrijving gaf van de verschillende Utrechtse plaatsen, over Maarssen welhaast lyrisch was: ‘Veel bewoners van elders zijn hier neergestreken en wonen in ruime huizen en op een aantal buitenplaatsen, alle levensmiddelen zijn bij de winkeliers in overvloed te vinden, men kan gedurig gebruik maken van de nodige ambachten en handwerken, ja dit dorp is bijna als een stad, in vergelijking van enige stedekens die Dorpsgewijze bewoond worden’. 1) Als we naar de door de ingezetenen in 1789 uitgeoefende beroepen kijken, dan geeft dat inderdaad een wat stedelijke indruk:

daghuurder 100 (waarvan 5 ook winkelier, 2 boer, 1 groenboer en 1 naaister), rentenier 37, tuinman/pluimgraaf 17, boer 15, schoenmaker 13, winkelier 12, handelaar 11, kleermaker 10, tapper 7 (waarvan 2 ook daghuurder en 2 ook boer/stalhouder), schipper 6, bakker 4, metselaar 4, logementhouder 3, schilder 3 (waarvan 1 ook winkelier), slager 3, timmerman 3, loodgieter 2, smid 2, advocaat 1, bleker 1, boekhouder 1, catechiseerder 1, chirurgijn 1, collecteur 1, correspondent van justitie 1, gezant 1, hoedenschoonmaker 1, kastelein 1, makelaar 1, marskramer 1, naaister 1, notaris 1, pastoor 1, predikant 1, professor 1, scheepmaker 1, pruikkammer 1, pruikmaker 1, schoolmeester 1, stalmeester 1, vroedvrouw 1, vroedschap 1, wagenmaker 1, watermolenaar 1, geen/onvermogend 16, geen/onbekend 8. 2)

Hoewel de agrarische bedrijven slechts een minderheid vormden, had Maarssen de kenmerken van een dorp: behalve een bevolking die kleiner was dan die van de steden (het verschil tussen 1150 Maarssenaren en 1300 inwoners van de stad Montfoort was overigens niet zo groot), was het dorp geen eigen baas, maar was het plaatselijk bestuur in handen van een ambachtsvrouwe/-heer en stelde de provincie de belangrijkste regels vast. Een gedetailleerde beschrijving van het gevoerde beleid zou in dit verband te ver voeren. Hierna wordt eerst bezien hoe in Maarssen beleid werd gevoerd op een aantal door het bestuur belangrijk geachte terreinen. Vervolgens wordt beschreven hoe de verhouding met andere machten was, met name waar de bevoegdheden tegen elkaar aan ‘schuurden’.

Eigen beleidsaccenten
In de eerste plaats de financiën. Begrotingen hadden de gerechten niet; de in een jaar gemaakte kosten werden via een bepaalde verdeelsleutel over de ingezetenen verdeeld. In de meer agrarische gerechten vond die verdeling vaak plaats over het benutte grondoppervlak. In Maarssen was dat niet het geval en werden de kosten over de huishoudens verdeeld. Deze verdeling, de ‘zetting’ vond door het dorpsbestuur plaats in nauw overleg met de in het vorige artikel genoemde geërfden, een behoorlijk elitair gezelschap.
Ondertussen kwam ook het provinciebestuur met ordonnanties op een aantal gebieden die in Maarssen belangrijk gevonden werden. Dit betrof bijvoorbeeld de controle van het brood, regelingen voor schoolmeesters en kosters (meestal dezelfde personen) en voorschriften voor de ondersteuning van armen. Op het brood was een intensieve controle, waarbij een groot deel van het bestuurlijk apparaat werd ingezet. Een bakker die zijn brood te licht bakte kreeg een boete en het brood werd verkocht ten behoeve van de armen. Voor de controle van de schoolmeester werden vier zogeheten ‘scholarchen’ benoemd, die er ook voor zorgden dat aan de beste leerlingen prijzen werden uitgereikt. 3) Iedere plaats meende de handen vol te hebben aan de eigen armen en wilde ze daarom niet van anderen overnemen. Als een nieuwe inwoner zich aandiende, dan diende hij een ‘akte van indemniteit’ te overleggen. Daarmee verklaarde het gerecht waar hij vandaan kwam dat dit voor betaling van ondersteuning aan deze persoon in geval van onverhoopte armoede zou opdraaien. De controle daarop was in Maarssen zeer nauwgezet. Dat gaf overigens nog wel eens problemen, om te beginnen met de buurgerechten. Zo had Breukelen-Nijenrode een barende vrouw over de grens gebracht om Maarssen voor de kosten van moeder en kind op te laten draaien. 4) Ook tussen Maarssen en Maarsseveen gaf het problemen bij onderlinge verhuizingen: Maarssen vroeg dan geen verklaring, Maarsseveen wel. 5) Ook toen wisten rechtzoekenden de weg naar de rechterlijke macht te vinden. Maarssen werd dan ook wel eens door het Hof van Utrecht teruggefloten als er een te strenge beslissing was genomen. Een ander speerpunt van beleid was de brandweerzorg. Natuurlijk was er de door de provincie voorgeschreven schouw van kraaien- en eksternesten, stookplaatsen en brandblusmiddelen.,De daarbij opgelegde boetes werden in Maarssen zo nodig door de verkoop van huisraad geëxecuteerd. Daarnaast was er een (betaalde) brandweer, bestaande uit een brandmeester, twee assistent-brandmeesters en 21 brandwachten die de brandspuit bedienden.
Niet altijd verliep de invoering van een maatregel voorspoedig. Zo werd , toen de Oostenrijkse keizer zich in 1784 vanuit het zuiden dreigend opstelde, nauwelijks gehoor gegeven aan de oproep om zich te melden voor de burgerbewapening . De reden daarvoor was dat er een omvangrijk Maarsseveens-Maarssens (patriots) excercitie-gezelschap was, waarvan nogal wat weerbare mannen lid waren. 6). Het was overigens niet zo dat Maarssen zich altijd even volgzaam opstelde: van controle op andere bedrijfstakken dan de bakkers, bijvoorbeeld de aanneming van openbare werken, is weinig bekend en aan de school werd meer aandacht besteed dan aan de kerk.

Ambachtsvrouwe
De ambachtsvrouwe van Maarssen hield zich bij tijd en wijle ook persoonlijk bezig met de aangelegenheden die in haar heerlijkheid speelden. Toen in 1776 was besloten om straatlantaarns te plaatsen, kwam zij met het idee om dat niet alleen in het dorp, maar ook op een aantal buitenwegen te doen. Opvallend in deze kwestie is dat de schepenen en de ambachtsvrouwe hier een lijn trokken die afweek van de opvatting van de schout, die plaatsing buiten het dorp te duur vond. Het jaar daarna gaf zij de wens te kennen dat er iemand zou worden aangesteld om de as en het vuilnis op te halen. Ook stelde ze in 1783 een terrein beschikbaar waarop door een groep uit Maarssen en Maarsseveen, naar later zou blijken sterk patriotsgezinden, exercities gehouden konden worden. Goed overleg tussen dorpsbestuur en ambachtsvrouwe leek in veel gevallen mogelijk, maar in het voorjaar van 1787 werd de sfeer toch behoorlijk grimmig. Zij kwam terug op de door haar verleende steun. Er werd een turfdrager ontslagen en er ging een oproep uit aan de turfdragers, turfvulsters en kleppers om zich te onthouden van deelname aan de ongeregeldheden en zich als stille lieden te gedragen, dit alles op straffe van ontslag. In opdracht van de patriotse bevelhebber Van Salm was inmiddels de brug over de Vecht deels gesloopt om de stadhouderlijke troepen, die vanuit Amersfoort de stad Utrecht aan de noordkant wilden omsingelen, tegen te houden. Waarschijnlijk zat het gerechtsbestuur ermee inde maag hoe dat naar de vrouwe gecommuniceerd moest worden. Aanvankelijk leek de reactie mee te vallen: ze sprak de bereidheid uit om een deel van de kosten van een nieuwe verbinding te dragen, maar enige dagen later bleek ze van gedachten veranderd te zijn. Uiteindelijk werd een veerbootje ingezet waar ingezetenen gratis gebruik van konden maken, maar waar anderen voor moesten betalen. 7)

Tussen revolutie en Koninkrijk der Nederlanden
Het was een op zijn zachtst gezegd enigszins onbestemde tijd. Maarssen werd in 1798 samengevoegd met Maarssenbroek en Nieuw Maarsseveen; in 1801 werd Nieuw Maarsseveen weer een afzonderlijke gemeente en in 1815 werden Maarssen en Maarssenbroek weer ontvlochten. 8) Nadat 1798 een democratische grondwet had opgeleverd werd deze ontwikkeling na de grondwet van 1801 via de grondwetten van 1805, 1806, 1810, 1814 en 1815 weer teruggedraaid. In Utrecht kwam in 1802 een Reglement voor het Departementaal Bestuur waaruit ook een aantal taken voor de gemeentebesturen kon worden afgeleid. Veel veranderde daar overigens niet door; het was veeleer een beschrijving van de bestaande situatie. Wel kwamen er door de toenemende centralisatie meer nationale wetten, bijvoorbeeld op het terrein van onderwijs en belastingen. Ook deed de veldwachter als nieuwe gemeentefunctionaris in 1813 zijn intrede. Sommige veranderingen werden soepel ingevoerd: de veldwachter werd betaald uit een omslag over de gebruikers en eigenaren van de gebouwen. Bij andere zaken ging dat lastiger: de inkwartiering, die op zeker moment 400 man beliep, kostte de gemeente in de periode 1803-1810, door pech of door ongelukkig boekhouden, een bedrag van driehonderd gulden. In het zicht van de dreigende invoering van de dienstplicht trachtte het bestuur in 1810 deze rampspoed (vanwege de kans dat de jonge mannen op een van de Napoleontische veldtochten mee zouden moeten) af te wenden door het aanwerven van vrijwilligers. Dat kostte voor zeven personen, inclusief kleding en vervoer naar hun plaats van bestemming, de lieve som van ruim vierhonderdvijftig gulden.

Het Koninkrijk der Nederlanden
De door Napoleon opgebouwde ambtenarij werd dankbaar door Willem I overgenomen, evenals een groot deel van de tijdens de Franse Tijd ontstane wetten. Ook voor de gemeenten op het platteland kwamen er nu voor het eerst centrale regelingen. 9) De essentie ervan was dat het éénhoofdig gezag van de koning in de gemeente werd vertegenwoordigd door de schout, die toen burgemeester ging heten. De ook in 1825 verplicht ingevoerde ‘assessoren’ of wethouders hadden voorlopig weinig in te brengen. Betekende dit nu, dat het Maarssens bestuur zijn manoeuvreerruimte kwijtraakte? Ter illustratie volgen hier enkele aangelegenheden waarbij het dorpsbestuur anders dacht dan de hogere overheid.
Om te beginnen weer iets over de financiën. Het werd steeds meer de bedoeling dat de gemeenten hun uitgaven dekten door het heffen van ‘opcentenʼ; dat waren opslagen op de door het Rijk geheven belastingen. Dat bedrag werd tegelijk met die belastingen geëind, zodat de gemeente afhankelijk was van de inzet van de Rijksbelastingdienst. De schout van Maarssen trok in 1823 in zijn verslag aan de gouverneur van leer over de kwaliteit van de heffing en in het bijzonder de controle daarop. Scherper toezicht zou volgens hem mogelijke samenspanning tussen bakker en molenaar voorkomen. Hij had volgens zijn zeggen de opbrengst zien teruglopen van tussen de vierhonderd en vijfhonderd gulden tot honderdzestig à honderdtachtig gulden. Het volgende jaar wendde hij zich opnieuw tot Gedeputeerde Staten met een aantal voorstellen om ontduiking tegen te gaan. Daarnaast benoemde de gemeente zelf een tweetal ingezetenen die voortaan bij de door de rijksambtenaren uitgevoerde peilingen aanwezig zouden zijn.
Ook ten aanzien van de controle op het onderwijs hield het gemeentebestuur een vinger in de pap. Op voorstel van de provinciale schoolopziener waren daar twee toezichthouders voor benoemd. Maarssen wilde daar ook zelf bij betrokken blijven en behield zich het recht voor om zelf een of meer personen aan het toezicht toe te voegen.
Een ander teer punt betrof de nachtwacht. In 1823 was besloten dat de in alle plaatsen aanwezige ‘rustende’ en dus niet actieve schutterijen nachtwachtdiensten moesten verrichten. Het kantonnale hoofdkwartier daarvoor was niet in Maarssen maar in Breukelen-Nijenrode gevestigd. Dat leidde in Maarssen tot nogal wat klachten. Gebrek aan informatie, het feit dat inwoners niet in de eigen plaats als nachtwacht rondgingen maar in een aangrenzende gemeente, baldadigheden en gebrekkige discipline waren de belangrijkste klachten. Een zaak voor de krijgsraad werd afgewend doordat in overleg tussen de schouten van beide plaatsen het probleem van het niet in de eigen plaats rondgaan van de nachtwacht werd opgelost. Het idee om de rustende wachten in te zetten voor de nachtwacht was in 1826 alweer een stille dood gestorven. De dorpsbesturen moesten weer een eigen plan voor de nachtwacht indienen. Toen Maarssen daar vervolgens van Gedeputeerde Staten geen reactie op kreeg, besloot de gemeenteraad, tegen de wil van de burgemeester, om de nachtwacht niet in werking te zetten. Deze harde actie zette G.S. kennelijk aan tot een reactie. Na enig heen en weer corresponderen kwam er een regeling uit de bus die het in ieder geval tot 1829 uithield.
Kortom: het dorpsbestuur kon zijn eigen opvattingen goed handhaven tegenover die van andere overheden. Ook bleek dat binnen dat dorpsbestuur de wil van de burgemeester niet altijd wet was. Hiermee viel samen dat er in Maarssen vrij veel, meest notabele, inwoners via commissies bij het beleid betrokken werden. 10) Hoewel zij niet de formele zeggenschap hadden van de vroegere geërfden, bleef er dus toch invloed van de ingezetenen op het beleid bestaan.

Conclusie
In het vorige artikel werd de meewarige opmerking van Van Heusde uit de negentiende eeuw over de bestuurskracht van de dorpsbesturen gememoreerd. Een mening die ook in de twintigste eeuw te vernemen was: ‘De kwaliteit van de dorpsbesturen was laag... en het platteland stond geheel onder de voogdij van de Provinciale Staten, die de gemeenteraden benoemden’. 11) Uit dit artikel en het voorgaande blijkt dat deze karakterisering voor Maarssen niet opgaat. In de achttiende eeuw was sprake van een eigen beleid en een sterke invloed van de ingezetenen daarop en ook op de samenstelling van het bestuur. Deze invloed bleek in de daaropvolgende tijdvakken opvallend duurzaam te zijn.



Bron:
Wim van Schaik. In de maat en uit de pas, Utrechtse dorpsbesturen 1780-1830.

Noten
1. Geheymschryver. Geheymschryver van staat en kerke der Verenigde Nederlanden, beginnende met die van de provincie Utrecht. pp. 132-137. Utrecht 1759.
2. RHC Vecht en Venen. Gerecht Maarssen 140. Uitzetting der consumptieve lasten 1789-1790. Een kleine toelichting op enkele beroepen die wij niet meer als zodanig kennen: daghuurders waren arbeiders die per dag werden ingehuurd door de plaatselijke ondernemers, een pluimgraaf zorgde voor het pluimvee op de buitenplaatsen, een catechiseerder was waarschijnlijk een godsdienstleraar en de collecteur verzamelde de provinciale belastingen die door de schouten/gadermeesters in de dorpen was geïnd.
3. Slechts in tien dorpen werden scholarchen aangesteld. Prijzen werden in vijf plaatsen uitgereikt. E.P. de Booy. De weldaet der scholen, het plattelandsonderwijs in de provincie Utrecht. p.81.
4. RHC Vecht en Venen Gerecht Maarssen, 3. Notulen van het gerecht 7 januari 1789.
5. Arie de Zwart (2002). Maarssen tussen Patriotse en Bataafse revolutie. In Periodiek HKM 29. p.109.
6. Zie hiervoor RHC Vecht en Venen. Gerecht Maarssen 2,3. Notulen van het gerecht.
Zie over de burgerbewapening Joop Uppelschoten. Burgerbewapening in Maarssen en Maarsseveen. Opkomst en ondergang van een politieke beweging. In Jaarboek Oud Utrecht 1987. pp. 145-155 en Arie de Zwart (2003). Patriotten oefenden in het park van Ter Meer. Wat merkte Maarssen van de spanning in 1787? In Periodiek HKM 29. pp. 70-75.
7. RHCVV. Gerecht Maarssen 3. Notulen van het gerecht 12 juni-20 juni 1787.
8. De grens tussen Maarssen en Maarsseveen liep toen langs de Kaatsbaan en de Nassaustraat (de noordzijde was Maarsseveen en de oostzijde was Maarssen).
9. Reglementen van het bestuur ten platten landen van de provincie Utrecht van 1816 en 1825.
10. Karin Strengers-Olde Kalter (2011). Eerst de heren, vervolgens de burgers. Deel 3. De invloed van notabelen op het plaatselijk bestuur. Maarssen na 1813. In Periodiek HKM 38. pp. 122-127.
11. J.H. von Santen. Aristocratie en liberalisme. In C. Dekker (red.). Geschiedenis van de Provincie Utrecht vanaf 1780. p. 111. Utrecht 1997.