400
700
900
Het Rode Dorp in de Bethunepolder. Een inwoonster vertelt…
Visser 't Hooft, Clan

Het Rode Dorp in de Bethunepolder. Een inwoonster vertelt…

46e jaargang (bladzijde 52) nr.2 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Dorp

Plot

Het Rode Dorp in de Bethunepolder
Een inwoonster vertelt…

Clan Visser ‘t Hooft

Aan het einde van de Nieuweweg, voordat je het dorp Tienhoven bereikt, ligt aan de rechterkant het Rode Dorp, dat zijn naam dankt aan de rode dakpannen op de door de Duitse bezetter in de Tweede Wereldoorlog gebouwde ‘boerderijen’.
Als je het dorp binnenkomt, staat aan de linkerkant op de hoek het huis van wijlen mevrouw Arnolda Hogenhout-Hofman. Er omheen ligt een mooie, goed verzorgde tuin. Haar man Arie, die inmiddels ook overleden is, was een groot liefhebber van bloemen en planten, evenals zijn broer Huib, die in het ouderlijk huis woonde aan de Nieuweweg.
Toen ik mevrouw Hogenhout interviewde in 2000 was zij één van de oudste ingezetenen van de polder en zij herinnerde zich nog veel van vroeger. Ze was actief lid van de Historische Kring Maarssen en verdiepte zich in de geschiedenis van de Tienhovense kerken, waar ze ook spannende verhalen over wist te vertellen.

Het Rode Dorp
Het Rode Dorp werd gebouwd in 1950 en vanaf dat moment woonden Arie en zijn vrouw in dat aparte buurtje dat een kleine sociale gemeenschap vormt, los van het dorp Tienhoven en min of meer los van de Bethunepolder, maar toch betrokken bij alles wat er in het dorp en in de polder gebeurt. Tot ongeveer 1980 stond er een wijkgebouw waarin de wijkzuster van het Groene Kruis woonde. Toen het Groene Kruis werd opgeheven verdween de wijkzuster, maar het gebouw staat er nog en hoort tot de zogenaamde ‘moffengebouwen’. In de oorlog onteigenden de Duitsers de grond van de familie Hoogeveen en bouwden er een paar bunkers op in de vorm van boerderijen met buitenmuren van wel 50 cm dik en met rode daken, zodat het vanuit de lucht inderdaad normale bebouwing zou lijken. In de huizen van de nummers 12, 13, 14 en 15 zijn de versterkte muren die dwars door het huis lopen, nog goed te zien. De bedoeling was dat er een stoorzender geplaatst zou worden om de radio-uitzendingen van de Engelsen te dwarsbomen. Er moesten dus ook huizen zijn voor de officieren en de manschappen. Om een of andere reden is het nooit zover gekomen. De zender is er nooit neergezet, de bezetters hebben er niet gewoond en de gebouwen hebben dus nooit gefunctioneerd waarvoor ze bedoeld waren. De gemeente Tienhoven heeft na de oorlog de grond aangekocht en het Rode Dorp geschikt gemaakt voor bewoning. In 1950 zijn er nog eens zes huizen bijgebouwd.
Eén van de bekendste bewoners van het dorp was Bertus Saarloos; wie kende hem niet? Hij kwam altijd langs in zijn kleine, rode vrachtauto met alles wat je in en om het huis zoal nodig zou kunnen hebben; van kachelzwart tot sloothaken, van waspoeder en strooizout tot klompen. Met zijn boerderij wou het maar niet lukken; een windhoos gaf de doodklap en zo waren Bertus en zijn vrouw aan een nieuw leven begonnen in het Rode Dorp. Zij zorgden voor mevrouw Hogenhout alsof het hun eigen moeder was. Iedere dag liepen ze even bij haar binnen voor een praatje. Het Rode Dorp is echt een ‘nabuurschap’ geworden in de ouderwetse betekenis van het woord en is dat gebleven tot op de dag van vandaag.

De oorlogstijd
Ik was in 2000 bij mevrouw Hogenhout om met haar te praten over haar ervaringen in de oorlogstijd. Zij had al jong haar beide ouders verloren en toen ze verkering kreeg met Arie Hogenhout werd ze als een dochter in het gezin opgenomen. Moeder Hogenhout had één dochter en vijf zonen, dus ook voor dochter Alie werd Arnolda al gauw echt een zusje. Toen de polder onder water stond omdat de bezetter de dijk doorgestoken had, sliepen een paar van de jongens op de zolder van de deel. De stal was net gebouwd en de zoldervloer en het dak lagen er nog los op. Dat gaf de jongens als ze in bed lagen het vreemde gevoel dat ze lagen te dobberen en als het ware op een vlot lagen te slapen.
Er is een foto bewaard gebleven waarop de hele familie uit het raam boven het spoelhok is geklommen om met elkaar te poseren onder deze benarde omstandigheden.
Arnolda werkte toentertijd op het postkantoor in Hilversum en moest dus elke dag op de fiets heen en terug. Arie was net als zijn broer Huib een handige knutselaar en had voor haar fiets massieve banden gemaakt. De Nieuweweg en de weg door Breukeleveen waren nog grindwegen, maar de weg door Loosdrecht bestond uit een paardenpad met in het midden straatklinkers en aan de zijkanten kinderhoofdjes. Je moest dus met je fiets in het midden blijven rijden, anders werd je beroerd van het gehobbel.
Het lastigste was de oversteek over het gat in de dijk. Daarin was een schouw gelegd om daarover naar de overkant te kunnen komen. Dan moest je dus met je fiets in die wiebelende turfboot stappen en aan de andere kant er weer uit zien te komen. Elke dag zag Arnolda daar als een berg tegenop, want je zou best eens mis kunnen stappen en in het water terecht kunnen komen. Gelukkig is dat niet gebeurd. Dat gat vormde een enorm probleem toen het gedicht moest worden, want wat er ook ingestort werd om het water tegen te houden, het mocht niet baten. Iedereen hielp mee, maar het lukte niet; totdat iemand op het lumineuze idee kwam om een oude praam beladen met stenen erin te laten zakken. Althans, dat zegt de overlevering.

In 1945 zijn ze getrouwd, Arie en Arnolda. Arie had zich als oorlogsvrijwilliger gemeld en vertrok voor drie jaar naar Nederlands-Indië. Arnolda had weliswaar een kosthuis in Hilversum, maar de hospita vond dat gedoe met die bonnen maar lastig en zo kwam het dat ze die eerste jaren van haar huwelijk in de weekends bij haar schoonouders bleef wonen. Ondanks alle schaarste werd de bruiloft goed gevierd. Koetsen en paarden werden her en der uit de polder geleend. Het bruidspaar zat in een koets uit Breukelen, bespannen met een schichtig paard dat voor de nodige opschudding zou zorgen. Bij jachthaven Manten hing de vlag te wapperen en het paard schrok daar zo van dat het begon te steigeren en de koetsier de grootste moeite had om het in bedwang te houden. Op de terugweg kwam de koets door een schrikbeweging van het paard bijna in de Vecht terecht.
Bruid en bruidegom zagen er allebei op hun paasbest uit, want vader Hogenhout had een mooi grijs pak voor Arie op de kop weten te tikken in ruil voor vijf pond roomboter (en boter was in die tijd een uitermate kostbare zaak!). Alie kon heel goed naaien en had voor Arnolda een trouwjapon gemaakt van roze stof die ze nog in de kast had liggen om twee onderjurken van te maken. Daar waren ze aan gekomen dankzij ‘de Neus’, een man uit het woonwagenkamp die (zwart) handelde in textiel en af en toe langs kwam om zijn waar aan te bieden. Het werd een prachtige jurk met pofmouwen en een gesmokt tasje erbij van dezelfde stof. Roze anjers als bruidsboeket maakten de bruid tot een plaatje. Moeder Hogenhout had van kaakjes uit een blik dat als voedseldropping in de polder terecht gekomen was, taartjes gemaakt met een laagje zelf gekarnde boter ertussen met opgespaarde suiker. Het was een traktatie! Dat blik was niet zomaar in de polder gedropt. Op een dag dat er weer vliegtuigen overkwamen voor een voedseldropping waren de drie vrouwen Hogenhout, moeder, Alie en Arnolda met een rood, een wit en een blauw truitje aan op het dak gaan staan om naar de Engelsen te zwaaien. Misschien als blijk van waardering voor dit gebaar, gooiden de Engelsen een blik kaakjes naar beneden. De jongens werden er meteen op uit gestuurd om het blik in de polder op te sporen en thuis te brengen. Het was precies op tijd en kwam natuurlijk goed van pas!

Het is goed dat zulke herinneringen aan persoonlijke belevenissen uit de Tweede Wereldoorlog verteld en ook opgetekend worden, want de generatie die het allemaal heeft meegemaakt is nagenoeg uitgestorven. De Bethunepolder heeft sindsdien veel nieuwe inwoners gekregen; die zullen op hun beurt hun verhalen vertellen.