46e jaargang (bladzijde 58) nr.2 / IN: Periodiek HKM
Kunst uit de Vechtstreek Deel 6
De tuinen langs de Vecht
Jaap Versteegh
Onlangs ontdekte ik in Frankrijk een exemplaar van het tijdschrift ‘Mon Jardin, ma Maison’ uit mei 1993. Hierin stond een lovend artikel over de fraaie tuin van het achttiende-eeuwse herenhuis De Boomgaard in Maarssen. Deze lusthof is een creatie van de eigenaresse Loekie Schwartz die van haar ommuurde tuin een rijkgeschakeerde oase van licht heeft weten te maken of zoals het in het Frans werd verwoord ‘Une atmosphère baignée de lumière’. Dit artikel benadrukte maar weer eens dat de Vechtstreek, naast diverse andere kunstuitingen, ook veel internationaal befaamde tuinen kent en...dat is al eeuwenlang zo.
Agneta Block
In de welvarende Gouden Eeuw verrezen langs de Vecht veel buitenplaatsen. Zulke huizen waren toonbeelden van grandeur, elegantie en rijkdom en de tuinen maakten daar onlosmakelijk deel van uit. Een bekend voorbeeld uit de zeventiende eeuw was de tuin van de buitenplaats De Vijverhof. Op 16 juni 1670 werd in Loenen bij een publieke verkoping ’een hoffsteede groot ontrent veertien en een halve morgen, leggende aan de Vecht in de jurisdictie van Loenen’ te koop aangeboden. Deze hofstede werd gekocht door Agneta Block (1626-1704). Enkele maanden eerder was haar echtgenoot de Amsterdamse zijdehandelaar Hans de Wolff (1613-1670) overleden. Op 3 juli 1670 werd de hofstede door schout en schepenen van Loenen getransporteerd op haar naam: ‘Juffrouw Agneta Blok, weduwe zaliger Hans de Wolff, woonende binnen Amsterdam den vrijen eijgendom van seeckere huijsingen, hoff, berghen, schuere, stalingen ende vordere getimmert en plantagie’ . De hofstede bestond uit een gedeelte van circa 4,5 hectare tussen de Vecht en de Herenweg (de huidige Rijksstraatweg) dat leenroerig was aan kasteel Nijenrode en circa 10 hectare weideland aan de westzijde van de Herenweg. Als leenvrouw moest Agneta Block haar leenheer, de heer van Nijenrode, ’eenen rooden sperwer’ leveren om de leenband te bevestigen. Al snel na de aankoop van deze hofstede aan de Vecht moet Agneta Block begonnen zijn met het aanleggen van boomgaarden, moes-en bloementuinen, met het aanplanten van bos en plantsoen en de bouw van het huis met koepel, oranjerie, speelhuizen en ook het graven van de vijvers waar de buitenplaats zijn naam aan dankt. Hier begon ze zich bezig te houden met de botanie. Ze verzamelde honderden planten van over de hele wereld in de tuin. Ze verkreeg veel planten door zaden te ruilen, maar ook door complete, meestal zeldzame, exemplaren te importeren. Ze wordt in de botanische wereld echter vooral herinnerd als de eerste in de Nederlanden die een vruchtdragende ananas kweekte.
Franse, formele tuinen
Een mooi overzicht van de tuinen langs de Vecht uit de Gouden Eeuw is te vinden in het boekwerk ‘De zegepraalende Vecht’ dat in 1719 werd uitgegeven. Het bevat vele tientallen gravures vervaardigd door Daniël Stoopendaal, met daarop afgebeeld meerdere buitenplaatsen en hun tuinen langs de Vecht. De eigenaars van deze buitenplaatsen, veelal Amsterdamse kooplieden, koketteerden via hofdichten van hun huisdichters met de werken van klassieke auteurs over het ideale landleven. Velen waren ook gedreven om van de tuinen bij hun buitens aardse paradijsjes te laten maken. Kenmerkende onderdelen van dergelijke tuinen waren de theekoepels, die in de Vechtstreek nog steeds in allerlei soorten en maten zijn te vinden. Deze tuinen worden aangeduid als formele, Franse tuinen. De oorspronkelijke Franse tuin werd geschapen door André le Nôtre (1613-1700), architect des konings aan het hof van Versailles. Le Nôtre slaagde er in symmetrie te verwerken in een harmonieus landschap met behulp van grote grasvelden met parterres, geschoren hagen in strakke lijnen en buxusheggetjes. Nadat Le Nôtre internationale faam had verworven, breidde deze tuinstijl zich al snel uit naar andere Europese hoven. 1) Een internationaal bekend voorbeeld in Nederland is de tuin van Paleis Het Loo, ontworpen door de in Frankrijk geboren architect Daniël Marot, een van Le Nôtres’ naaste medewerkers. Via zijn zoon, de architect Jacob Marot (1697-1761), is diens invloed ook doorgedrongen tot in de Vechtstreek. Jacob Marot kreeg in 1752 van Diederik Jacob van Tuyll van Serooskerken (1706-1776), heer van Zuylen, de opdracht tot een ingrijpende verbouwing van Slot Zuylen. Volgens de nieuwste mode moest het middeleeuwse kasteel een buitenverblijf in Franse stijl worden. Het slot kreeg een U-vorm: de weermuur werd gesloopt en de bijbehorende gracht gedempt, waardoor de binnenplaats een voorplein werd. Om een symmetrisch geheel te bereiken werd er een linkervleugel bijgebouwd. Deze symmetrie was terug te vinden in het nieuwe ontwerp van de tuin van Slot Zuylen. Een deel van de gracht aan de zuidzijde werd gedempt, zodat een ruim voorplein ontstond. Een kaart uit deze tijd toont de formele aanleg van de tuin aan de zuid- en westzijde van de slotgracht, met rechte hagen en vele geschoren boompjes .
De invloed van Jacob Marot is overigens eveneens te vinden in het voormalige stadshuis van de familie Tuyll van Serooskerken aan de Kromme Nieuwegracht in Utrecht, thans in gebruik door Schoevers Opleidingen. Toen ik daar eind vorige eeuw als docent kunstgeschiedenis werkte, trof ik in de docentenkamer een marmeren schouw aan die vergelijkbaar was met die in Slot Zuylen. En de afwerking van de gevel van het grachtenpand was met dezelfde grijze hardsteen uitgevoerd als de gevel van Slot Zuylen. De heer van Tuyll had Jacob Marot kennelijk gevraagd om maar gelijk zijn Utrechtse stadshuis te moderniseren.
Engelse, romantische tuinen
In de negentiende eeuw werd het merendeel van de formele Franse tuinen omgetoverd tot zogenaamde Engelse, romantische tuinen en verdwenen veel marmeren fonteinen onder glooiende zandheuvels die een landschappelijke sfeer moesten oproepen. Met deze nieuwe ontwikkeling kwam in Nederland een aantal belangrijke tuinarchitecten op, met als bekendste Jan David Zocher jr. (1791-1870), Henri Copijn (1842-1923) uit Groenekan en Leonard Springer (1855-1940), zoon van de bekende schilder Cornelis Springer.
Zij zijn op verschillende plaatsen in de Vechtstreek actief geweest. Zo is van de buitenplaats Vegt en Stein in Maarssen bekend dat het oorspronkelijke tuinontwerp van de hand van voornoemde Zocher is. Van het huis Middenhoek in Nieuwersluis is bekend dat hij er een stalgebouw voor ontwierp en het grote huis, dat in 1953 afbrandde, moet ook door hem ontworpen zijn. Het ontwerp voor het bijbehorende park wordt daarom eveneens aan Jan David Zocher toegeschreven. Zijn zoon Louis Paul Zocher (1820-1915) trad in zijn voetsporen en was vermoedelijk betrokken bij de aanleg van de tuin van Doornburgh.
Het bekendste werk van Henri Copijn in de omgeving van de Vecht is het ontwerp van de tuin van kasteel De Haar. Rondom dit neogotische kasteel van P.J.H. Cuypers heeft Copijn deeltuinen aangelegd in verschillende stijlen, geïnspireerd op het verleden. Voor het landschappelijk aangelegde park werden bomen van veertig tot zestig jaar oud gebruikt. Om het transport van deze grote bomen door smalle straatjes mogelijk te maken zijn zelfs meerdere huizen gesloopt. Copijn was ook betrokken bij de inrichting van de tuin bij Vreedenhoff in Nieuwersluis. Rond 1909 heeft hij wijzigingen voor en achter het huis in het oorspronkelijke tuinontwerp uitgevoerd en de drie kassen in de moestuin geplaatst.
De tuinontwerper en dendroloog Leonard Springer heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het park van kasteel Nijenrode. Het park kent een mengelmoes van stijlen en vormen van aanleg. Kortweg kan men stellen dat vanaf 1915 het park is ‘verlandschappelijkt’. Hierbij zijn diverse eigenschappen van de oorspronkelijke aanleg uit 1675 behouden gebleven, maar vrijwel het gehele landschappelijke deel plus de rozentuin zijn van de hand van Springer 2) Hij tekende ook voor het park van Goudestein en Poelwijk bij Oud Zuylen.
Een bijzondere plaats binnen dit gezelschap van tuinarchitecten wordt ingenomen door Gijsbert van Laar (1767-1829), de samensteller van het beroemde boek ’Magazijn van Tuin-sieraden’ uit 1802. Van hem is in het huisarchief van kasteel Loenersloot een afrekening aanwezig en er zijn aanwijzingen dat hij ook bezig is geweest op Sterreschans te Nieuwersluis. 3) Er valt - zo blijkt - nog veel te ontdekken over de werkzaamheden van beroemde negentiende-eeuwse tuinarchitecten in de Vechtstreek.
Geschilderde tuinen
In de late negentiende eeuw werd bovendien het schilderen van tuinen populair. De schilderijen van Claude Monet van zijn tuin in Giverny zijn wereldberoemd, en onlangs was er in het Singer Museum te Laren nog een tentoonstelling te zien, getiteld ‘Geschilderde tuinen’, waar diverse tuinschilderijen uit de periode rond 1900 werden gepresenteerd. Ook in de Vechtstreek zijn hier voorbeelden van te vinden, onder meer van Nicolaas Bastert, van wie bekend is dat hij meerdere impressies van de tuin achter zijn huis in Breukelen schilderde. Het is niet altijd evident wie de maker van zo’n negentiende-eeuws tuinschilderij is.
Enkele jaren geleden kocht ik een drietal aquarellen van een romantische tuin. Ze leken te zijn gesigneerd door ene H. van Heek. Deze naam werd onder meer vermeld in het standaardwerk ‘Buitenplaatsen aan de Vecht’ van dr. R. van Luttervelt, maar nader onderzoek leverde weinig informatie over de kunstenaar op. Bij nauwkeurige beschouwing van de betreffende aquarellen zag ik echter dat de kunstenaar zijn initialen aan elkaar vast schreef en de letter M, voor én achter samenvallend met een letter H, al die jaren als een V was gelezen. Het bleek de signatuur te zijn van de schilder H.M. Heek. Toen dit eenmaal duidelijk was, bleek het vervolgens niet moeilijk om vast te stellen dat het hier om de in 1838 geboren Hendrik Man Heek ging, die samen met zijn broer Gerrit in het dorp Maarssen een boekhandel en uitgeverij dreef. Daarnaast had hij, vakkundig maar vooral uiterst nauwkeurig, de omgeving van Maarssen vastgelegd in gedetailleerde aquarellen. Welke romantische tuin hij op de aquarellen had afgebeeld, is nog steeds onduidelijk.
De huidige situatie
Kunstenaars zijn niet altijd te vertrouwen wanneer het gaat om de exacte weergave van een bepaalde situatie. De artistieke vrijheid van een kunstenaar kan een gevaarlijke valkuil vormen. Dan kan men beter te rade gaan bij ambtenaren, die zakelijk verslag doen. Daarom was ik zo blij toen ik enige tijd geleden een ‘Streekplan Vechtgebied’ van de Provinciale Planologische Dienst Utrecht wist te verwerven. Het betrof een ‘Inventarisatie van de Monumenten’ uit 1954. Het kwam erop neer dat van de betreffende monumenten een foto was gemaakt en een schematisch bovenaanzicht/tekening van de bijbehorende tuinen was bijgevoegd. Nauwkeuriger was de informatie over de ontwerpen van de verschillende tuinen eigenlijk niet te krijgen. Sindsdien heb ik het voornemen deze foto’s en tekeningen te gaan vergelijken met de huidige situatie en de verschillen vast te leggen, maar het is er nog steeds niet van gekomen. Vooralsnog maak ik te hooi en te gras een aquarel in de een of andere mooie tuin in de Vechtstreek. En geniet natuurlijk.
Noten
1. Volgens de heer A.J.A.M. Lisman meldt P.J. Lutgers in ‘Gezigten aan de Rivier De Vecht’ dat er van Boom en Bosch echte bescheiden zijn waaruit blijkt dat ‘den Abt le Notre Architect van de tuinen te Versailles’ de tuin heeft aangelegd. Dat (voorlopig) terzijde.
2. Met dank aan Guido Vlug.
3. Met dank aan de heer A.J.A.M. Lisman.