400
700
900
't Vermaek 'lyk Elzenburg. Elsenburg, de verdwenen buitenplaats Deel 10
Simonis, Lily

't Vermaek 'lyk Elzenburg. Elsenburg, de verdwenen buitenplaats Deel 10

47e jaargang (bladzijde 24) nr.1 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Buitenplaats

Plot

Elsenburg, de verdwenen buitenplaats Deel 10

‘t Vermaek’lyk Elzenburg

Lily Simonis


‘Houses, like all other architecture, are images of the society that built them.’
James Chambers

De periodes van groei, bloei en verval van de buitenplaatsen langs de Vecht kan men begrenzen met de jaartallen 1600-1700, 1700-1780 en 1780-1850. In iedere periode heeft in Maarssen een buiten Elsenburg bestaan. Deze buitenhuizen zijn als Elsenburg I, II en III in vorige artikelen beschreven. Zij zijn te beschouwen als typerende voorbeelden van de ontwikkeling van de Hollandse en meer in het bijzonder de ‘Amsterdamse’ buitenplaatsen.
In dit slotdeel wordt Elsenburg geplaatst binnen de sociale en cultuurhistorische achtergrond van de buitenplaatscultuur als geheel.

Periode 1600-1700: Elsenburg I
Door de afsluiting van de haven van Antwerpen in 1585 kon de betrekkelijk onbeduidende vissers- en handelsplaats Amsterdam in korte tijd uitgroeien tot een internationaal befaamde stapelmarkt. Nieuwkomers uit de Spaanse gewesten, zoals de familie Six, en sociale stijgers als de regentenfamilie Trip - grootvader Trip was een eenvoudige Dordtse schipper, zijn kleinzoon werd burgemeester van Amsterdam - bewezen dat rangen en standen in Amsterdam doorbroken konden worden. Rijke kooplui en regenten investeerden niet alleen in succesvolle handelscompagnieën als de VOC en de WIC, maar ook in landwinning, rederijen, brouwerijen of lijnbanen. Daarnaast waren zij belangrijke verpachters van bouw- en landbouwgrond. De landbouw was als voedselleverancier van de grote stad een bloeiende bedrijfstak, dus ook een lucratieve belegging voor de stedelijke elite. De koopmansfamilie Huydecoper vormde hierop geen uitzondering. Joan Huydecoper kocht in navolging van zijn vader gronden die hij doorverkocht aan stadsgenoten, waaronder de kavel waarop Elsenburg I werd gebouwd.
De eerste buitens aan de Vecht, zoals Goudestein, waren veeleer (grote) boerderijen, soms al met een heerschapskamer, die uitgebouwd werden tot ‘hofstede‘ of ‘buitenplaats’. Het voorste gedeelte is hoog en monumentaal van stijl en aanzien. Het lagere boerderijgedeelte stond er, daarachter, haaks op. Elsenburg I is een nieuw opgezette buitenplaats: losstaand, met een bescheiden tuin- en parkaanleg aan of om het huis en omringend land voor boomgaarden. Dit type bestond uit een ondiep, breed, rechthoekig bouwblok dat een onderhuis, een hoofdverdieping en een bewoonde zolderverdieping bevatte en was opgetrokken in een classicistische stijl. De kenmerkende symmetrie zette zich, naar Frans gebruik, door in de tuinen.
Elsenburg I was het eigendom van Jacob Burggraaf (1610-1681), die aanvankelijk waarschijnlijk bij zijn schoonfamilie, rijke kooplui uit Vlaanderen, werkzaam was. Hij investeerde geld in nieuwe scheepswerven op Wittenburg en in 1671 werd hij participant in de WIC. In 1637 gaf hij de jonge architect Philips Vingboons (1607-1678) de opdracht Elsenburg te bouwen. Later ontwierp deze nog de buitens Gansenhof in Maarssen (circa 1655) en Vechtvliet bij Breukelen (circa 1670). Dat waren niet langer buitenhuizen van het brede ondiepe type met een klein aantal kamers, maar blokvormige huizen die meer comfort boden en meer kamers bevatten. Dit tweede type voldeed beter aan de behoeften van de zich ontwikkelende luxere levensstijl, waarbij onder andere de ontvangst van gasten een belangrijke rol speelde.
De Amsterdamse elite verspreidde zich over Amstelland, Kennemerland, Vechtstreek en Oude Rijn. Tussen de gebieden bestonden zekere standsverschillen. Zo stond bijvoorbeeld de Vechtstreek beduidend hoger aangeschreven dan de Oude Rijn, maar de grote en prestigieuze buitens langs de Oude Rijn waren in bezit van Amsterdammers. De buitens van Goudse en Leidse stedelingen waren meestal bescheidener van opzet. 1)
De buitenhuizen waren bedoeld als ‘lusthof’ en bezorgden de eigenaren status en prestige, getuige de vele hofdichten die aan de buitens en hun eigenaren gewijd werden. Ook dankbetuigingen van gasten, zoals die van Huygens aan Joan Huydecoper en Vondel aan Jan Six, loven huis en onthaal van hun gastheer, waarbij ‘rijkelijk gevulde vaten uit de verre Rijn’ niet onvermeld blijven! Ook Jacob Burggraaf verwent zijn gasten met vis uit eigen vijver en rinse wijn, die ‘de roemer uitspringt.’ 2) Al in de eerste helft van de zeventiende eeuw bezat één op de tien gefortuneerde Amsterdamse families een buitengoed en de gestaag stijgende pachtopbrengsten waren een aangename bijkomstigheid. 3)
Door het verbeterde waterwegnetwerk was de Vechtstreek vanuit Amsterdam goed bereikbaar, waardoor het gemakkelijker werd om tijdens hete zomers de stad te ontvluchten, waar de grachten fungeerden als wateropvang en riool en de stank soms niet te harden was. Ook Jan Six ontsnapt in zijn buitenhuis aan ‘de onaangename toestand van de dampkring.’ 4)
In de zomer vond er een grote volks- of liever ‘elite’-verhuizing plaats. Meubels, schilderijen, serviezen, kleding, bedienend personeel, alles ging de trekschuit in naar de diverse zomerresidenties, op zo’n 20 à 30 km. van de stad gelegen. Daar wachtte het goede leven: een fraaie omgeving, de levendigheid op de rivier, het voedsel dat het land verschaft, gezonde lucht en een aangenaam sociaal leven: ‘Gelukkig is hij die deze liefelijke streek kiest voor zijn vermaak.’ 5)

Periode 1700-1780: Elsenburg II
De schoonheid en rijkdom van de buitenhuizen langs de Vecht waren inmiddels wijd en zijd bekend. Hofdichten en pronkboeken als ‘De zegepraalende Vecht’ (1719) droegen nog aan hun aanzien bij. Het is dus niet verwonderlijk dat zij voor kooplui, regenten en renteniers - en dat waren er steeds meer - een begeerd object waren. Het ging de kopers nu niet langer om pachtopbrengsten of productie: een boerderij was in 1650 soms tweemaal zoveel waard geweest als rond 1720 het geval was. 6) Het is maar de vraag of de baten opwogen tegen de materiële kosten van verfraaiing, onderhoud en personeel. Kennelijk boden prestige en status voldoende compensatie.
In deze periode ontstaat een gezamenlijke wooncultuur van een ‘landed elite’ die, naast kapitaal en leefpatroon, eenzelfde esthetische smaak heeft - en een zekere voorkeur deelt voor uiterlijk vertoon als zingeving van het bestaan. Het streven naar sociale distinctie is ook een kenmerkende eigenschap van de eigenaars van Elsenburg II, het echtpaar De Leeuw-De Smeth (resp. 1687-1744 en 1667-1743.)
Theodorus de Leeuw trouwt in 1710 met de Amsterdamse koopmans- en bankiersdochter Maria de Smeth, oorspronkelijk afkomstig uit Brussel. In 1742 staat De Leeuw op de 27e plaats van de hoogst aangeslagenen van het belastingregister van Amsterdam. Uit dit register blijkt tevens dat 597 Amsterdammers een buitenplaats bezaten. Het aantal buitenplaatsbezitters zal van 10% in de eerste helft van de zeventiende eeuw in de loop van de achttiende eeuw uitgroeien tot maar liefst 80% van de rijkste Amsterdammers. 7) De Leeuw laat Elsenburg I drastisch verbouwen dan wel vervangen door nieuwbouw. Bovendien breidt hij zijn grondgebied uit ten behoeve van een grote classicistische tuin en diverse bijgebouwen.
Elsenburg I was zoals gezegd betrekkelijk klein, langgerekt en slechts één vertrek diep geweest. Elsenburg II was blokvormig, veel ruimer van opzet, had meer kamers en een grote ‘saal’ of salon.
Dit type royale buitens, kenmerkend voor deze periode, zien uit op het water en bezitten theekoepels en/of schuitenhuizen. Het hoofdgebouw wordt aan de rivierzijde geaccentueerd door bijvoorbeeld koepelkamers over twee verdiepingen, terwijl de wegzijde wordt benadrukt door monumentale poorten met hekwerken of symmetrische plaatsing van koetshuis en/of orangerie. 8) Ook bij de tuinaanleg werden kosten noch moeiten gespaard. Een stroom van nieuwe exotische gewassen weet zijn weg te vinden naar tuinen en kassen.
Met Elsenburg II bezat het echtpaar een landgoed dat zijn status bevestigde, een bevestiging die nog eens kracht werd bijgezet door de aankoop van een heerlijkheid met bijbehorende titel en de aankoop van een grafkapel (in ? / waar?)met grafmonument en familiewapens - hoewel zij geen van beiden van adel waren.

Periode 1780-1850: Elsenburg III
In het laatste kwart van de achttiende eeuw vloeiden de krachten weg uit de zo welvarend ogende economie van Holland: er was sprake van elkaar opvolgende geldcrises die de rijkste burgers gingen raken. Er gingen banken en handelshuizen failliet. Getroffen families offerden hun buitenhuizen op of verkochten hun kunstcollectie, maar dat kon de terugval hooguit vertragen. De prijzen van de grachtenhuizen kelderden en als men ertoe overging dan maar het buitenhuis te verkopen, betekende dat meteen het einde van het buiten: omdat de stenen, het hout, de inventaris, de tuinbeelden en de grond afzonderlijk méér opbrachten dan de prijs voor het geheel, bleef er van tientallen schitterende buitens rondom Amsterdam slechts een minderheid bestaan. 9)
Politieke perikelen vergrootten de economische malaise: de vierde Engelse zeeoorlog, de strijd tussen patriotten en prinsgezinden, de Franse Tijd, dit alles ging de spankracht te boven.
Elsenburg III kan gelden als een stenen getuige van deze verwikkelingen.
De Amsterdamse regent mr. Jan de Witt (1755-1809) was afkomstig uit een vooraanstaande patriciërsfamilie, als zoveel Amsterdamse bestuurders regent van vader op zoon. Hij had op twintigjarige leeftijd Elsenburg II geërfd. Als regent van de stad koos hij de zijde van de patriotten. Nadat stadhouder Willem V met de hulp van het Pruisische leger de macht had heroverd, weken de patriotse regenten, onder wie De Witt, naar België of Frankrijk uit. Hij maakte politiek en zakelijk carrière in Frankrijk en keerde na de Franse omwenteling als stadsbestuurder terug naar Amsterdam. Eenmaal terug op vaderlandse bodem, besloot hij Elsenburg II af te breken en een nieuw buiten te bouwen volgens de laatste architectonische opvattingen over interieur en wooncultuur waarvan hij in Frankrijk inmiddels al voorbeelden had gezien. Dit werd het buitenhuis Elsenburg III (1795), opgetrokken in de Franse neo-classicistische stijl, waarbij witte bepleistering in de plaats kwam van de aloude Hollandse baksteen. Het interieur wordt gekenmerkt door meer ruimte, maar vooral door meer comfort: er zijn meer en grotere vertrekken, waaronder fraaie koepelkamers, meer stookplaatsen in huis, voorzien van rijk bewerkte schouwen, luxe behangsels en eventueel zelfs een badkamer! Een dergelijk riant huis dient niet langer uitsluitend als zomerverblijf. Het is comfortabel genoeg om als permanent verblijf gebruikt te worden. De tuinen zijn niet langer Frans, maar Engels van inspiratie. Hier worden de strakke lijnen van het exterieur doorbroken door rondingen, kronkelpaden, doorkijkjes en een gewild losse opstelling van bomen en bosschages die een ‘natuurlijk landschap’ moeten suggereren. Dit type buitenhuizen zal vanaf de eerste helft van de negentiende eeuw het gangbare type worden. Elsenburg III is daar echter alleen op papier een voorbeeld van. Het huis werd afgebroken – hoeveel moois er daardoor verloren is gegaan, is af te lezen aan de documentatie van het veilingbiljet uit 1810.
Het jaar 1810 was ook het jaar dat de door Napoleon afgekondigde tiërcering - die inhield dat nog slechts een derde van de rente op staatsobligaties zou worden uitgekeerd - in de Vechtstreek een kleine sloopgolf veroorzaakte. Uiteindelijk zijn in de periode 1775-1825 maar liefst achttien buitenplaatsen gesloopt. 10)
Door deze kaalslag had het rivierenlandschap rond Amsterdam aan aantrekkelijkheid ingeboet. Bovendien was de grondprijs er hoog, doordat de landbouw floreerde.
Voor de nieuwe elite, die onder het regime van koning Willem I, de koopman-koning, ontstond, boden de nieuwe heideontginningen betere mogelijkheden: particulieren kregen de kans tegen lage prijzen grote complexen land te verwerven. En dat beschikbare land, in het Gooi en op de Utrechtse Heuvelrug gelegen, beschikte ook nog eens over de charme die de nieuwe consument aansprak. Hier had de natuur zélf als het ware de ‘landschapstuin’ geschapen, met heide, bosgebieden, kronkelpaden en verrassende uitzichten!
Door het sterk verbeterde wegennet en daarna de snelle opkomst van het spoor werden deze gebieden even goed bereikbaar als voorheen de Vechtstreek was geweest. Hier gaan voortaan de grote witbepleisterde buitenhuizen, al dan niet voorzien van Engelse tuinen, het landschap bepalen. Intussen gingen in de Vechtstreek in de periode 1825-1850 nog eens veertien buitens verloren en na 1850 kwamen er niet of nauwelijks meer bij. 11)
Het tijdperk van de ‘Zegepraalende Vecht’ was voorbij, voorbijgestreefd door het Gooiland en de ‘Stichtse Lustwarande’.

‘Rich men build symbols of their power and poor men build the best they can’,
James Chambers
Met de toevoeging -‘burg’, populair onder de namen van buitenhuizen, suggereerden de eigenaren van Elsenburg een zeker verband met kastelen of versterkte huizen - ook al is dat historisch gezien niet aan de orde. De buitenhuizen aan de Vecht waren immers voornamelijk gebouwd en bewoond door de Amsterdamse regentenklasse.
De eigenaren van Elsenburg I, II en III, allen patriciërs, behoorden tot die groep van ‘rich men’ die hun huizen beschouwden als een instrument om hun welstand, status of macht te tonen. Zij creëerden niet alleen een eigen specifieke wooncultuur, maar ook een geheel eigen cultuurlandschap dat de Vechtstreek heeft bepaald. Een fraaie afwisseling van statige buitenhuizen, tuinen en hoven, waarvan ook wij nu nog kunnen genieten. Want in feite heeft de typering van de dichter Verhoek nog niets aan kracht ingeboet: ‘de Vecht, waarvan de oever met hofsteden, lustpriëlen en torenrijke daken, het oog een heerlijke aanblik biedt...’


Noten
1. Van Oosterom zegt over de Amsterdamse distinctiedrang: De behoefte elkaar te imponeren was onder de (kleine en minder kapitaalkrachtige) Goudse en Leidse stadselite minder groot. Ook het verwerven van heerlijkheden en titels door de Amsterdamse elite ziet hij eerder als een uiting van de behoefte zich ten opzichte van elkaar te profileren dan als een poging de adel te kopiëren. Zie: Gerrit van Oosterom, Gronden van vermaak, een reconstructie van de ontwikkeling van de buitenplaatscultuur en het buitenplaatslandschap langs de Oude Rijn tussen Leiden en Utrecht (1600-1900). Rijksuniversiteit Groningen, 2015, pp. 122 en 175-176.
2. Uit het hofdicht op Elsenburg door Pieter Verhoek, besproken in Periodiek, 2017-3.
3. Van Oosterom, p.172. Met name in het laatste kwart van de zeventiende eeuw was de opbrengst bijzonder hoog.
4. Geert Mak, De levens van Jan Six, een familiegeschiedenis. Amsterdam/Antwerpen, 2016. p. 64.
5. Uit het hofdicht van Pieter Verhoek.
6. Joop de Jong, Een deftig bestaan, het dagelijks leven van regenten in de 17de en 18de eeuw. Utrecht/Antwerpen, 1987. p. 77.
7. Roel Mulder, Herfsttij der buitenplaatsen. In: Jaarboekje 2006 van het Oudheidkundig Genootschap Niftarlake. p. 44. Zie ook: Mak, p.142.
8. Van Oosterom, p. 158.
9. Mak, p. 217.
10. Mulder, p. 43.
11. Mulder, p. 43.