400
700
900
Nijenrode in WO II - Alois Miedl, kasteelheer in oorlogstijd
Schevernels, Pol

Nijenrode in WO II - Alois Miedl, kasteelheer in oorlogstijd

47e jaargang (bladzijde 51) nr.2 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Tweede Wereldoorlog

Subject

  • Oorlog En Vrede

Plot

afbeeldingNijenrode in WO II
Alois Miedl, kasteelheer in oorlogstijd

Pol Schevernels


Inleiding
Nederland heeft 75 jaar na de bevrijding zijn oorlogsverleden nog lang niet afgesloten. Recent nog heeft onze minister-president zijn excuses aangeboden voor het overheidshandelen ten aanzien van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Al eerder memoreerde minister-president Kok de ‘kille ontvangst’ van de joden in het naoorlogse Nederland. Eén onderdeel van dat nog niet afgesloten verleden betreft de zogenoemde roofkunst. Dit zijn de duizenden kunstschatten van joodse eigenaren die door de Nazi’s werden geroofd, in beslag werden genomen of onder dwang werden ‘aangekocht’. Een deel daarvan, voor zover na de oorlog teruggevonden, werd stilzwijgend opgenomen in de collecties van de Nederlandse musea. In Nederland trok vooral de affaire Goudstikker de aandacht.
In dit artikel wordt nader op deze affaire ingegaan, in het bijzonder op de rol van Alois Miedl, de eigenaar van kasteel Nijenrode tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij kwam op een oneigenlijke manier in bezit van de eigendommen van de vorige, joodse, eigenaar van Nijenrode, Jacques Goudstikker (1897-1940). Goudstikker was destijds een zeer invloedrijke kunstkenner met de meest omvangrijke en meest gespecialiseerde kunstcollectie van Nederland en hij had een grote internationale reputatie als succesvol kunsthandelaar .

Dramatische vlucht
Op 17 juni 1937, toen onheilspellende donderwolken zich vanuit het oosten boven Europa samenpakten, organiseerde Goudstikker op Nijenrode een groot benefietfeest onder de naam ‘Weenen aan de Vecht’ om geld in te zamelen voor joden die vanuit Duitsland en Oostenrijk voor de Nazi’s wilden vluchten. Daar trad onder anderen dirigent Willem Mengelberg op met zijn Concertgebouworkest. Hij begeleidde bij die gelegenheid een jonge en begenadigde Oostenrijkse sopraan, Dési von Halban. Goudstikker, 39 jaar oud en sinds 5 december 1936 weduwnaar, werd op slag verliefd op haar. Ze trouwden binnen zes maanden en kregen een zoontje, Edo. Op 10 mei 1940 vluchtten ze onder dramatische omstandigheden met de laatste boot vanuit IJmuiden. Op volle zee zagen ze als gevolg van het beruchte Duitse bombardement op Rotterdam het oude centrum van de havenstad in vlammen opgaan. Mede door die mokerslag capituleerde Nederland op 15 mei 1940.

Notitieboekje
Tijdens een wandeling in het nachtelijk duister twee dagen na hun vertrek maakte Goudstikker een fatale val in het ruim van het vrachtpassagiersschip SS Bodegraven. Dankzij een gepassioneerd betoog kon Dési de kapitein, aan wie het door de Engelse autoriteiten ten strengste verboden was passagiers aan land te laten gaan, ervan weerhouden haar man een zeemansgraf te geven. Als aandenken behield ze zijn zwartleren notitieboekje waarin de kunstwerken stonden genoteerd die hij in zijn bezit had. Ze kon toen onmogelijk bevroeden dat dit document later als bewijsstuk voor haar erfenis van groot belang zou zijn.
Als weduwe was Dési Goudstikker-von Halban dus plots de erfgename van het onroerend goed waartoe naast kasteel Nijenrode ook Huize Oostermeer in Ouderkerk aan de Amstel en het stadspaleis annex galerie in de Gouden Bocht aan de Herengracht 458 in Amsterdam behoorden. Ook Goudstikkers omvangrijke kunstcollectie, de handelsvoorraad van De Kunsthandel J. Goudstikker N.V., was nu officieel haar eigendom. De verzameling bestond uit dertienhonderd kunstwerken, waarin bijna alle Nederlandse schilders uit de Gouden Eeuw vertegenwoordigd waren.
Dési wist van toeten noch blazen wat de kunsthandel betrof. Haar echtgenoot had altijd alles geregeld. Nu had ze haar handen vol met het plannen van een overlevingsscenario voor zichzelf en voor haar twee jaar oude zoon. Na lang inpraten op de kapitein van het schip, kreeg ze toestemming om in Liverpool van boord te gaan. Dankzij bemiddeling van de Amerikaanse ambassadeur Joseph Kennedy, vader van de latere president John F. Kennedy, mocht zij vervolgens naar Canada doorreizen. Daar vingen relaties van Goudstikker haar op. Dési en haar zoon zouden uiteindelijk in New York aanlanden om daar het einde van de oorlog af te wachten.

Geïnteresseerde nazi’s
Kunsthandel Goudstikker was wijd en zijd bekend, niet alleen in Nederland maar in heel Europa, en dus zonder twijfel ook bij notoire kunstverzamelaars als Adolf Hitler en Hermann Göring. Deze waren druk bezig kunst te verzamelen voor hun eigen musea in respectievelijk Linz en Carinhall nabij Potsdam. Reeds ver voor het begin van de oorlog had de Hitlerclan een inventaris gemaakt van de locaties waar zich de mooiste kunstwerken bevonden die tijdens het oorlogsgeweld zeker veiliggesteld zouden moeten worden.
Daartoe behoorden ongetwijfeld ook de bezittingen van Goudstikker. Ook Alois Miedl, die in 1932 op 29-jarige leeftijd uit München vanwege fiscale malversaties naar Amsterdam was gevlucht, was bekend met de naam Goudstikker en diens bloeiende kunsthandel. Miedl ging direct tot actie over toen hij kennisnam van Goudstikkers abrupte vlucht voor de Nazi’s. Hij was zich er terdege van bewust dat hij snel moest handelen om er verzekerd van te zijn dat de in kunst geïnteresseerde oosterburen vervolgens bij hem zouden aankloppen om zaken te doen.

Göring
De trawanten van Hermann Göring die dankzij de ’Kunstschutz’ lang voorafgaande aan de invasie al in Nederland verbleven, hoorden per toeval van Miedls aankoop van de Goudstikker collectie; dit was op een terras aan het Leidseplein in Amsterdam, waar hij een iets te luidruchtig feestje vierde. Het gerucht bleek niet aan dovemansoren gericht, want binnen de kortste keren moest Miedls aankoop in opdracht van generaal rijksmaarschalk Göring worden teruggedraaid. Het voorlopige koopcontract van ƒ 2,5 miljoen voor alle bezittingen van Goudstikker werd nietig verklaard. In juli 1940 werden er twee nieuwe koopcontracten opgesteld: één voor Göring van ƒ 2 miljoen voor de hele handelsvoorraad (1300 stuks) en één van ƒ 550.000 voor Miedl. Van dit bedrag had ƒ 330.000 betrekking op onroerend goed. De rest van het bedrag werd betaald voor roerende zaken, waaronder de bibliotheek, de cartotheek en de wapencollectie in kasteel Nijenrode.
Op 20 mei stond Göring op de stoep van Herengracht 458 om een kunstwerk af te voeren, benevens drie kostbare plafondschilderingen van de classicistische kunstschilder Gerard de Lairesse. De opportunistische en sluwe Miedl sputterde niet tegen. Hij realiseerde zich maar al te goed dat Görings aankopen voor nog meer reclame voor de nieuwe Kunsthandel v/h Goudstikker N.V. zouden zorgen. Dat de collectie inmiddels in handen van Göring was, deed er in zijn ogen niet toe.
Miedl was brutaal en geraffineerd. Hij had Goudstikkers rechterhand A.A. ten Broek, die sinds 1935 als beheerder op Nijenrode woonde, direct tot directeur benoemd. Diens medewerking werd gestimuleerd door een honorering van ƒ 180.000 en een forse pensioentoekenning. Op de Algemene Vergadering van Aandeelhouders was slechts één aandeelhouder aanwezig: Emmy Goudstikker, Goudstikkers moeder. Zij moest met een bezit van vijftig aandelen, afkomstig van haar overleden echtgenoot, de schijn van een legale transactie ophouden. In de notulen werd vermeld dat dit voorstel tot continuering van de zaak door haar persoonlijk gedaan was.

Nijenrode
Het interieur van kasteel Nijenrode bleef bij dit alles aanvankelijk redelijk onaangeroerd. Miedl ontving er zijn Duitse kopers en vriendjes, waaronder Willy Lages, hoofd van de Amsterdamse Sicherheitsdienst. De feesten en partijen uit Goudstikkers tijd werden door de bezetter gecontinueerd, maar nu ten faveure van Miedls eigen handel en wandel. Talrijke intimi van Hitler waren er kind aan huis en jaarlijks werd de verjaardag van Hitler gevierd en rijkelijk besproeid met drank uit de wijnkelder van Goudstikker. Miedl probeerde zelfs het kasteel aan zijn Duitse gasten te verkopen. Baldur von Schirach, de leider van de Hitlerjugend, vond de vraagprijs van ƒ 2 miljoen wat aan de hoge kant, doch rijkscommissaris Seyss-Inquart wilde wel nadenken over een bod van ƒ 1.25 miljoen. Goudstikker had het kasteel in 1930 gekocht voor ƒ 450.000.

Görings maatjes
Willy Lages en ook Ferdinand Hugo aus der Fünten, beiden later bekend als twee van de Vier van Breda, waren herhaaldelijk op Nijenrode te vinden. De echtgenote van Seyss-Inquart en de zus van Göring behoorden eveneens tot de intieme vriendenkring van Miedl. De rijksmaarschalk was dusdanig bevriend met Miedl, dat deze laatste zich kon veroorloven op het kasteel in SS-uniform rond te lopen. Al in 1937 raakte Göring onder de indruk van Miedls handelsgeest en begon hij hem financieel te steunen. Dankzij die relatie met Göring kon Miedl later het Taylor carillon van kasteel Nijenrode behoeden voor ontmanteling. Vlak voor het uitbreken van de oorlog was Goudstikker erin geslaagd het op Nijenrode aanwezige klokkenspel uit te breiden met een grote luidklok en met dertien klokken afkomstig van Huize Witzand in Blaricum. Op 9 december 1940 werd met de installatie van de klokken en nieuwe wijzerplaten begonnen. Het carillon is in de oorlog met opzet niet bespeeld. Dit heeft ertoe geleid dat de klokken niet in beslag zijn genomen en in de Nazi-oorlogsindustrie zijn verwerkt.

Einde van de oorlog
Als Montgomery op ‘Dolle Dinsdag’, 5 september 1944, met zijn troepen een bliksemsnelle opmars weet te forceren, raakt de Duitse bezetter op Nijenrode in paniek. Miedl heeft dan dankzij zijn goede contacten met de legerleiding Nederland al lang verlaten. Op 28 juni was hij met toestemming van de Duitse inlichtingendienst met zijn gezin naar Bilbao vertrokken. Dat gebeurde, zoals hij beweerde, om zijn joodse vrouw niet verder bloot te stellen aan het toenemende gevaar van deportatie. Görings invloed was inmiddels tanende en de deportatiemethoden die Himmler gebruikte, werden steeds drastischer. Zelf wilde Miedl naar eigen zeggen naar Nederland terugkeren om zijn (bedenkelijke) zakelijke activiteiten te continueren, maar de grenzen met Frankrijk bleven voor hem gesloten.

Endspiel
Miedl had drie kisten met 22 topkunstwerken meegenomen, waarvan negen uit de Goudstikkercollectie, en een kist met juwelen en waardepapieren. Zijn arrestatie aan de Frans/Spaanse grens werd dankzij de banden van Göring met Franco’s regime snel ongedaan gemaakt. De Amerikaanse inlichtingendiensten hadden Miedl al sinds het begin van de oorlog op de korrel. Zij waren vooral achterdochtig wat betreft de herkomst van de waardepapieren. Die zouden geroofd zijn van joden en de kunst zou verworven zijn via ‘koop-door-roof’-transacties. Tijdens een eerdere reis naar Bilbao met twaalf topstukken werd via de Amerikaanse inlichtingendienst een bezoek door een Nederlandse diplomaat bij de Spaanse autoriteiten geregeld om het een en ander te inspecteren, uiteraard buiten medeweten van Miedl. De Nederlandse diplomaat liet weten dat het geen groot probleem zou zijn om de kunst als geroofd bezit te kwalificeren. Op 29 maart 1944, drie maanden voor Miedls definitieve vertrek uit Nederland, werd dit via Washington ter kennis gebracht van de Nederlandse regering.
Miedl zette in Spanje toch nog ongestoord een bank op om uit naam van hoge nazi’s te kunnen handelen. In 1949 werd hij in Nederland door het Bijzonder Gerechtshof gehoord over zijn functioneren inzake onder andere de Buitenlandsche Bankvereeniging en de zaak Goudstikker. Hij bleek bereid naar Nederland te komen, mits hij een vrijgeleide zou krijgen en hem ook nog een onkostenvergoeding zou worden betaald.

Ontruiming van het kasteel
In april 1945 krijgt Nijenrode bezoek van de SS Divisie van Hermann Göring. Hij kiest domicilie in het kasteel en bijgebouwen. Op 7 mei echter meldt zich aan de poort een geallieerde officier, een Canadees, die het landgoed eveneens in beslag wil nemen. Als hij verneemt dat er nog gewapende Duitse troepen in het kasteel huizen, laat hij weten later terug te zullen komen. De volgende dag deelt een Engelse officier aan de Duitse bevelvoerende collega mede dat het kasteel binnen een uur ‘veegschoon’ moet worden opgeleverd met de wapens opgestapeld in het Koetshuis. Veel wapentuig blijkt later echter in de gracht gegooid te zijn. Het landgoed Nijenrode wordt vervolgens een interneringskamp voor duizenden krijgsgevangen, waaronder veel jonge soldaten. Ook worden er honderden paarden in beslag genomen, die op het landgoed en de omliggende weilanden langs het kanaal werden aangetroffen. Canadezen gebruikten ze later onder meer als renpaarden. De boeren uit de omgeving konden hun gevorderde paarden komen ophalen.

Goudstikkers erfenis
Als Dési Goudstikker na een verblijf van zes jaar in Amerika met haar zoon Edo naar Nederland terugkeert, heeft ze uit voorzorg haar advocaat uit New York meegenomen. De signalen die ze in de oorlogsjaren over haar erfenis had opgevangen en de correspondentie met soms onduidelijke instanties in Nederland hadden haar met bange voorgevoelens vervuld.
Dankzij het vermogen dat na de oorlog resteerde uit Miedls handel en dat bij het Nederlands Beheersinstituut - de beheerder namens de overheid - was gedeponeerd, kon juridische actie worden ondernomen. Echter, een later ontdekte belastingschuld en een aantal transacties bleken niet verdisconteerd. Al maanden voor Desi’s terugkeer uit New York had het Beheersinstituut zich over de zaak Goudstikker gebogen. In juli 1945 werden op gezag van de militaire commissaris in het district Amsterdam twee bewindvoerders benoemd. Ze kozen domicilie in het pand aan de Herengracht. Al na een jaar bleek hun eenzijdige blik op de belangen van hun opdrachtgever. Er werd prioriteit gegeven aan Miedls belastingschuld van ruim ƒ 1.8 miljoen. De Nederlandse Staat wilde deze per se incasseren.
In de verdere nasleep en de voor Dési Goudstikker slopende afhandeling van de erfenis kwamen nog veel meer weeffouten aan het licht. Hierdoor zijn tot op de dag van vandaag de discussies over de erfenis van Goudstikker nog steeds niet afgerond. Niettemin kon Nijenrode, dankzij de medewerking van het Beheersinstituut, in 1946 voor ƒ 18.000 verhuurd worden aan een onderwijsinstituut in oprichting, geïnitieerd door Dr. Albert Plesman. Hij schreef in cel 545 in het Scheveningse Oranjehotel, geuzennaam voor de Duitse gevangenis, het curriculum voor het Nederlands Opleidingsinstituut voor het Buitenland (N.O.I.B.), de voorloper van de huidige Nyenrode Business University. Op 12 juni 1950 werd het landgoed door erfgename Dési verkocht voor ƒ 235.000 en werd het N.O.I.B. feitelijk de eenendertigste eigenaar. De naam van Miedl, als dertigste (pseudo)eigenaar, kwam tot op heden in die telling om begrijpelijke redenen niet voor.

Bronnen
H. van Capelle. Intimi rond Adolf Hitler. Assen 1978
De Groene Amsterdammer. 10 januari 2004
Gemeente Archief Amsterdam (GAA) toegangsnr. 1341. Archief Goudstikker par. 5.3, Inventaris nr. 111. Uit de Overeenkomst van minnelijk rechtsherstel blijkt dat bij onderhandse akte, gedagtekend 1 juli 1940 de Heer ‘A.A. ten Broek, optredende als directeur van de Kunsthandel J. Goudstikker N.V., aan den Rijksduitser Alois Miedl, destijds wonende te Amsterdam, heeft verkocht het gehele bedrijf van gemelde naamloze vennootschap met uitzondering harer schulden, doch met inbegrip van …4. De onroerende eigendommen der vennootschap.’
P. den Hollander. Roofkunst. De zaak Goudstikker. Amsterdam 2013
E.B.J. Postma en G. Immerzeel. Nijenrode in tekening en prent. Breukelen 2006 Rapportage Restitutiecommissie 1.15, blz. 7-8. Verkoopovereenkomst Arie Albertus ten Broek en Alois Miedl. 1 juli 1940.
P. Schevernels e.a. Nijenrode, inspiratiebron voor kunst. Geschiedenis van vijf eeuwen en meer. Breukelen 2019
Tijdschrift Historische Kring Breukelen