400
700
900
Spionagegroep Albrecht
Smits, W.

Spionagegroep Albrecht

47e jaargang (bladzijde 62) nr.2 / IN:Periodiek HKM

Genre

  • Tweede Wereldoorlog

Subject

  • Oorlog En Vrede

Plot

Spionagegroep Albrecht

Wally Smits


Inleiding
Na de capitulatie op 14 mei 1940 weken zowel het koningshuis als de regering Gerbrandy uit naar Engeland. De regering in ballingschap probeerde al snel informatie te verkrijgen over de toestand in Nederland. Al spoedig werd door de Nederlandse Inlichtingendienst een aantal agenten gedropt boven Nederland die deze klus moesten klaren. Eén van hen viel in handen van de Duitsers en werd gedwongen om te seinen dat alles goed was verlopen, waarbij hij steevast de ‘veilige’ code moest doorseinen opdat de volgende groep gedropt kon worden. Zo vielen zij allemaal in Duitse handen. Het fiasco van dit zogenaamde ‘Englandspiel’ schiep bij de Engelsen weinig vertrouwen in het Nederlandse inlichtingenwerk. Toch vroegen ze anderhalf jaar later of de Nederlandse regering weer een poging wilde doen om een spionagegroep op te zetten op Nederlands grondgebied. Daartoe werd een nieuw Bureau Inlichtingen opgericht. Doel was inlichtingen te verzamelen over de sterkte, verplaatsing en situering van de Duitse troepen in Nederland. Dit alles met in het achterhoofd de mogelijkheid dat een eventuele invasie zou kunnen plaatsvinden richting havens en stranden van Nederland. Het toenmalige hoofd van Bureau Inlichtingen in Londen, reserve majoor Broekman, kreeg Henk de Jonge, een kennis van hem uit de Amsterdamse Ordedienst, zover dat hij deze taak op zich wilde nemen.

Henk de Jonge
De Jonge was een jonge beroepsofficier van het Nederlandse leger in de meidagen van 1940. Hij maakte de oorlogsdagen mee bij de kustartillerie bij Hoek van Holland en heeft dus van zeer dichtbij het traumatische bombardement van Rotterdam meegemaakt dat leidde tot de capitulatie. Na zijn demobilisatie wilde hij de draad van een normaal leven weer oppakken door een rechtenstudie te beginnen aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, maar die bracht hem niet wat hij ervan verwachtte. Eind 1942 vertrok hij naar Engeland en werd daar door Broekman gevraagd om in bezet Nederland een militaire spionagegroep op te zetten. Na een loodzware training werd hij in de nacht van 11 op 12 maart 1943 bij Hooghalen in de buurt van Assen gedropt. Zijn codenaam was Albrecht en dit werd tevens de naam van de op te richten groep.
Binnen een paar dagen meldde hij zich al bij een betrouwbare kennis van één van zijn ex-collega’s uit zijn legertijd. Zijn zender werd ondergebracht in Nieuw-Vennep bij Arnhem en er werd al snel contact gemaakt met een werknemer op het vliegveld Deelen. Het opbouwen van de groep ging snel. Allen waren oude vrienden, liefst met een militaire achtergrond. Hoofddoel was het verzamelen van inlichtingen en plattegronden van vliegvelden, havens, Duitse troepenverplaatsingen, spoorlijnen en versterkingen. Het dragen van wapens, helpen bij verzetswerk of hulp verlenen aan onderduikers was verboden. Er werd in kleine groepjes gewerkt en de leden spraken elkaar alleen bij de voor- of schuilnaam aan. Dit was om te voorkomen dat bij eventuele arrestatie het voortbestaan van de hele groep op het spel gezet werd. Deze tactiek heeft zeker gewerkt, want de Groep Albrecht heeft, weliswaar met verlies van vijftien medewerkers, zijn werk tot de bevrijding van Nederland kunnen volhouden.

De Jonge zelf werd tijdens een poging om met een groot aantal documenten naar Engeland te komen bij de Pyreneeën neergeschoten en gevangengenomen. Hij overleefde de oorlog met de kogel nog in zijn lichaam. 1) We moeten niet vergeten dat Groep Albrecht een spionagegroep was en geen verzetsgroep; ze moesten zo onopvallend mogelijk werken en zich niet inlaten met sabotage. De rapporten zijn uiterst zakelijk geformuleerd. Een uitzondering is een rapport uit 1941, dus vóór de oprichting van de groep maar wel uit militaire hoek, waarin een overzicht wordt gegeven van militairen die verdacht werden van NSB-sympathieën en dat waren er nogal wat (vier A-4tjes vol). Bij de gepensioneerde luitenant-generaal H.A. Seyffard staat vermeld dat hij zeer pro-Duits was en zelfs commandant was geworden van het ’foute’ Vrijwilligerslegioen. Hij was inmiddels al als één van de eersten geliquideerd door het opkomend verzet. De opsteller van het rapport kon niet nalaten om erbij te vermelden: ’Verdiende dood gestorven’. 2)

De Vechtstreek
Het is duidelijk dat de Vechtstreek geen prioriteit had bij het inlichtingenwerk. Militair was dit gebied van weinig waarde. Vliegvelden, havens en legerplaatsen waren veel belangrijker. Het is daarom des te opvallender dat het eerste rapport over de Vechtstreek al op 13 augustus 1943 gemaakt werd. 3) Tijdens een fietstocht aan de oostkant van de Loosdrechtse Plassen zag de verkenner in Achttienhoven, Westbroek, Oud-Maarsseveen, Oud- en Nieuw-Loosdrecht, Kortenhoef, Vreeland, Nederhorst ten Berg en Nigtevecht geen enkele Duitser. In Tienhoven ontmoette hij 10 ’WL’- (Wehrmacht Luftwaffe) - soldaten. Aangezien bij het leger ieder detail van belang was, vermeldde hij ook welke biezen er op het uniform zaten, in dit geval oranje en geel. Dit waren gewonden van het oostfront, waarvan er één aan de verkenner vertelde dat hij hopelijk het jaar daarop weer terug zou mogen naar het oostfront om weer tegen de Russen te vechten. In Breukelerveen stonden een paar villa’s die dienden als ‘Marine Erholungsheim’ en daarnaast nog een ‘Erholungsheim’ voor de WH, de Wehrmacht Heer, de landmacht. Deze kant van de Vecht diende als herstellingsoord.

Dezelfde dag vond ook een ’cycling tour’ langs de Vecht tussen Utrecht en Vreeland plaats. De rapporten waren duidelijk bestemd voor de Engelsen, want alles werd vertaald in het Engels. Dit rapport was wat informatie betreft militair interessanter. Net voorbij Zuilen waren de spoorweg en de wegen aan beide kanten van het Merwedekanaal geblokkeerd door betonblokken. Tussen Zuilen en Maarssen was geen Duitser te bekennen. Komend in Maarssen nam de verkenner de tijd om een schetsje te maken, daardoor werden de inlichtingen interessanter. Nummer 2 op deze schets is de Ortskommandantur, de nummers 3 tot en met 6 waren huizen waarin administratief personeel woonde en nummer 7 is interessant omdat daar, in Vechtenstein, het (buiten)verblijf van de Admiral (in den Niederlanden) was.
Het hoofdkwartier van de Marine was dus al verplaatst naar het binnenland (Utrecht) met het oog op de ook door de Duitsers hier verwachte invasie van de geallieerde troepen. De verkenner noemt niet de naam van de Admiral, maar wij weten dat hier achtereenvolgens Kurt Hoffmann (1942 en 1943), Gustav Kleikamp (1943 tot december 1944) en Rudolf Stange (1 januari 1945 tot 9 juni 1945) hebben gezeten. Inwoners vertelden hem dat het bij dit huis een drukte van belang was. Generaal Christiansen, Wehrmachtsbefehlhaber in den Niederlanden, en rijkscommissaris Seys Inquart werden hier vaak gezien. Het gehele door de Duitsers gevorderde gebied was afgezet met prikkeldraad en ’Cheveaux-de-Frise’, een versperring in de vorm van een balk met daaromheen kruisvormige uitsteeksels, van oorsprong bedoeld om te voorkomen dat paarden er overheen konden springen.
Ten tijde van het bezoek van de informant was er in het hele dorp geen Duitser te zien, evenmin als op zijn tocht naar Breukelen. Hij noemde onderweg naar Breukelen het gevorderde kasteel Nijenrode niet. Dit duidt des te meer op het militaire karakter van zijn inlichtingenwerk. In Breukelen vermeldde hij echter wel kasteel Gunterstein dat tot ’Militärisches Sicherungsgebiet’ was verklaard. Bij de daartegenover gelegen boerderij waren volgens het verslag veertien wagens en paarden gestald. Toch niet een aanwijzing dat hier de elite van het Duitse leger zat. Op dezelfde dag waarop hij zijn rapport uitbracht was er door 250 man Grüne Polizei een razzia uitgevoerd. Zij zochten naar radio’s, fietsen, zilvergeld, joden en jonge mannen. En hij was nota bene bezig met een fietstocht! Wat een risico. Uitgezonderd een huis in Nieuwersluis waaraan een bord was bevestigd met het nummer FP (Feldpost) 56733, vond hij dat er tot Vreeland niets het vermelden waard was.

De spanning loopt op
Acht maanden later was de situatie totaal anders. Ook de Vechtstreek werd voorbereid op komende gevechten. De nadruk kwam echter niet te liggen op de Vecht, maar op het strategisch veel belangrijker Merwedekanaal. In maart en april 1944 ging de verkenner, die alleen vermeldde dat hij H.G. was, weer van Utrecht richting Abcoude en tekende uiterst gedetailleerd zijn waarnemingen op. In Maarssen vond hij het toch nog noodzakelijk om de toestand in het dorp te beschrijven. De legenda bij de kaart vermeldt dat in de fabriek, de vroegere Vetfabriek (nummer 1), Duitse landmachtwagens geparkeerd stonden. Bij nummer 2 stond een schildwacht met een ankerteken op de schouder. Nummer 3 was nog steeds de Ortskommandatur, maar nu was daar het hoofdkwartier van de Zollgrenzschutz bijgekomen (nummer 4) en in nummer 6 huisde de staf van een bataljon Pioniers, die hij meer had gezien tussen Utrecht en Abcoude. Er was zelfs een plaatselijk ziekenhuisje opgericht in gebouw nummer 10. Bij de Maarsserbrug over het Merwedekanaal was men druk bezig om de verdediging op orde te brengen. Schuttersputjes werden gegraven en die waren zelfs onderling verbonden door loopgraven. Ik krijg echter niet de indruk dat men zich voorbereidde op grootschalige gevechten. De geparkeerde legerwagens dienden meer voor de bescherming van de admiraal en de Zollgrenzschutssoldaten waren meer een veredelde grensbewakingsafdeling. De Pioniers van wie onze verkenner melding maakt, waren wat wij nu de genie zouden noemen, bruggenbouwers, van wie ik vermoed dat zij de regie over de komende inundaties zouden voeren.
In Breukelen ging de aandacht alleen uit naar het Merwedekanaal. Van de latere brug over het kanaal lagen de op- en afrit er al en zelfs die waren al voorzien van schuttersputjes met machinegeweren (aangegeven door o met pijltje, hoewel dat symbool in de instructies was voorbestemd voor Flak-geschut; machinegeweerposten waren een l met twee of vier puntjes aan weerszijden). 4) Ook de spoorlijn werd geflankeerd door schuttersputjes. Een stukje verderop kreeg zelfs het pontveer aandacht. Hier waren al drie schuttersputjes gegraven, of liever gezegd machinegeweerstellingen met een vierde in aanbouw.
Bij Nieuwersluis ging de verkenner toch maar weer naar de Vecht. Logisch, want daar ligt immers het fort. Hier hoorde hij dat daar munitie lag en dat er ongeveer tien landmachtsoldaten verbleven. Hij noemt ook nog de Wehrbetreuungs-Schule, waarvan in een eerder rapport wordt vermeld dat dit een Marine-instelling was en gevestigd in de buitenplaatsen Vredenhoff en Middenhoek. In dit rapport staat zelfs het veldpostadres 30450 vermeld. Over secuur gesproken!
Op zijn tocht van 28 maart noteert de verkenner over Loenen alleen dat hij een paar marinemensen had gezien en hij vervolgde zijn tocht naar de strategisch veel belangrijker brug over het Merwedekanaal bij Loenersloot. Dit belangrijke kruispunt van wegen was vergeven van de machinegeweerstellingen. Zelfs tussen de rails bij het station waren er drie. Ook hier was men nog druk aan het bouwen. Tot slot belandde onze fietser in Abcoude waar hij radiozenders ontdekte en hoorde dat men binnen twee weken de Oostzijdsche Polder tussen het Gein en de spoorweg wilde inunderen.
H.G. vond het toch nodig om Loenen wat uitgebreider te beschrijven. In twee rapporten van 20 april (inclusief schets) en een vervolg op 1 mei 1944 besteedde hij uitgebreid aandacht aan dit dorp. In villa nummer 1 zag hij een aantal officieren met donkergele biezen op de uniformen, die behoorden tot de landmacht. De wimpel was zwart, wit en rood gekleurd. Villa 2 behoorde bij 1. Bij landhuis 3 vermeldde hij dat dat Nieuwerhoek was en vermoedelijk het hoofdkwartier van de commandant. In 4, Cronenburgh, huisden officieren. In de school (nummer 5) zaten 100 soldaten van de landmacht en om de hoek, op kaart nummer 6, stonden bij de garage 10 tot 15 wagens en aanhangers, nog met de Nederlandse nummerplaten A (uit Groningen) en D (uit Drenthe) in camouflagekleuren. Tien dagen later was de garage verlaten, maar was in de Dorpsstraat weer een aantal huizen bezet door tussen de 10 en 20 ’Nachrichtenpersonal’. Weer een week later was er een 80 soldaten sterke ’Schnelle Brigade’ neergestreken, die op haar beurt ook weer de nodige huizen claimde en hier wordt een naam genoemd van hun commandant, Oberst Wachse. Hij vermeldde ook de naam van de Ortskommandant van Loenen, Hauptmann Graf Rekke. H.G. noteerde dat de troepen gedeeltelijk gemotoriseerd waren en ook nog van de fiets gebruik maakten. 5)
Ook nu krijgen we niet de indruk dat de bezetter in opperste paraatheid verkeerde. Door al die fietstochten van de verkenners door het hele land, sleet het materieel danig. Het zal de lezer dan ook niet verbazen dat Groep Albrecht in een bericht naar Londen niet om een dropping van wapens vroeg, want gewapend verzet was hun opdracht niet, maar om fietsbanden, en die kregen ze ook nog!

Vlak voor de bevrijding
Een jaar later was de toestand weer compleet veranderd. De gevreesde of gehoopte invasie was niet gekomen. In plaats van naar het oosten te trekken vanaf de Nederlandse kust, kwamen de geallieerden uit het zuiden. Het zuiden van Nederland was al bevrijd, maar na het fiasco bij Arnhem moest het noorden nog een strenge winter lang wachten op de bevrijding. De toestand in bezet Nederland werd zo nijpend dat zelfs een spionagegroep als Albrecht zich geroepen voelde om aan de regering in Londen een oproep te doen om bij droppings ook vooral medicijnen mee te sturen. In het nog niet bevrijde deel van Nederland verzamelden zich vele Duitse troepen in afwachting van de eindstrijd. Aangezien de berichten nu niet meer naar Londen werden verstuurd of gebracht maar via zogenaamde ‘crossings’, de uiterst risicovolle oversteken van bezet naar bevrijd gebied, het al bevrijde Eindhoven, werden de rapporten nu gewoon in het Nederlands opgesteld.
Het is zelfs zo geweest dat de Groep Albrecht gedurende twee maanden, september en oktober 1944, een directe telefoonverbinding met het zuiden had. Vanaf 1 oktober 1944 moest de snelheid van het doorgeven van de berichten natuurlijk ook omhoog en stelde men door heel Nederland een aparte koeriersdienst in met een eigen dienstregeling. In Amsterdam vertrok de koerierster iedere dag om 10 uur en meldde zich de dag erop om 10 uur in Utrecht, vanwaar de berichten direct of via Rotterdam naar het zuiden gingen. Op woensdag maakte men zelfs een omweg via Mijdrecht. Aangezien men ook vanuit Utrecht om 10 uur een koerierster liet vertrekken, waren er toch wel veel fietsters op weg in die laatste oorlogswinter. Een groep als Rolls Royce bijvoorbeeld had ook een eigen koeriersdienst met rooster op dit traject. 6) Tussen januari en mei 1945 verrichtte ene Jeanne (schuilnaam natuurlijk) de dienst voor de Groep Albrecht in de Vechtstreek. Sommige van hen werden gepakt, maar de meesten haalden veilig het afleverpunt.
Hoewel het merendeel van de Duitse troepen zich in de stad Utrecht en ten oosten ervan bevond, was het in de Vechtstreek ook beduidend drukker geworden. Om aan te geven dat Groep Albrecht alleen militair van belang zijnde informatie gaf, moeten we kort terug naar de BS (Binnenlandsche Strijdkrachten), in september 1944 opgericht ter bundeling van allerlei verzetsploegen, met name knokploegen. Die hadden vanuit Utrecht vernomen dat een munitieschip de Vecht afzakte richting Muiden met een grote voorraad munitie; alweer een teken dat de Duitse verdediging zich zou concentreren rond Amsterdam. In hun ’gevechtsbericht’ richting hoofdkwartier meldden ze het volgende: ’Maarssen meldt dat het munitieschip om 23.00 uur ‘s avonds (dinsdag) door groep Maarssen is aangevallen bij het Kraayennest te Breukelen. Ontzaglijk moeilijk door de geweldige mensenvordering en van fietsen. Onder vuur genomen met stenguns. De P(elotons) C(ommandant) van Maarssen genaderd tot 25 m(eter) en de stuurman uit hut geschoten. Boot op de wal gelopen. Stagnatie. De man die de bazooka bediende is in het inundatiegebied in de sloot gevallen met bewapening. Signalement van de boot klopte niet’. 7)
Je voelt uit de woorden van de schrijver dat hij emotioneler schrijft dan normaal zou zijn en dat hij kwaad is over de verkeerde informatie. Op 24 april 1945 maakte H.G. een rapport over Utrecht en omgeving. Hij repte hierin met geen woord over de munitieboot en het vuurgevecht, terwijl het transport toch van militaire betekenis geweest kon zijn. Hij constateerde heel nuchter en zakelijk dat er in Breukelen 50 man Wehrmacht Heer wit aanwezig was (Armeniërs), daarnaast 50 man die hij niet nader kon aanduiden in een school en ook 150 man van het Hermann Göring Regiment, te herkennen aan een wit schild met een rode baan van rechtsboven naar linksonder. In de villa Beekoever zat vermoedelijk de commandant. De strategie was nu veranderd, want nu werd de Rijksstraatweg voorzien van schuttersputjes en loopgraven. Maarssen werd ook bevolkt door 50 Armeniërs. De Einsatzstab van de NSDAP had zich vanuit Ede teruggetrokken naar het betrekkelijk veilige Maarssen en maar liefst 300 man van de Organisation Todt (Nazi bouwmaatschappij) waren hier ook neergestreken. Als extra bezetting was er ook nog een compagnie van het Hermann Göring Regiment aanwezig.

Een week later, op 1 mei 1945, maakte H.G. zijn laatste rapport en vermeldde dat alleen al in de stad Utrecht een totale bezetting van 4812 man lag. Maarssen had 300 man van de NSDAP, nu 200 man Armeniërs, waarbij vermeld werd dat dat Pioniers waren, 400 man verbindingstroepen en nog 30 niet nader aan te duiden troepen. In Breukelen was het aantal Armeniërs ook opgelopen tot 100; er zaten 10 infanteristen, 14 springdeskundigen en 150 man van de Luftwaffe. Loenen moest het nu doen met een mengeling van 170 soldaten van verschillende landmachtonderdelen. Uit het laatste rapport blijkt dat Albrecht na Dolle Dinsdag steeds meer ging samenwerken met andere spionage- en inlichtingengroepen en zelfs met het ‘gewone’ verzet. Vanaf september 1944 werkte men al samen met de Utrechtse verzetsman Ruurd. Achter iedere mededeling staat vermeld van welke groep de informatie kwam. De door mij niet vermeldde informatie over Soest en Baarn kwam van de groep Rolls Royce en de CID (Centrale Inlichtingen Dienst). De toestand in Utrecht werd aangeleverd door de groep Reinaert en Maarssen, Breukelen en Loenen hadden bezoek gehad van een medewerker van de groep Rolls Royce. Het rapport was nu geadresseerd aan het Geallieerd Opperbevel. Van marinepersoneel is nu geen sprake meer, terwijl dat een jaar eerder toch de overheersende groep was.

Verwarrende dagen
Ondanks de aantallen kunnen we toch niet de conclusie trekken dat de bezetter ook maar het geringste plan had om tussen Utrecht en Amsterdam de zaak tot het uiterste te verdedigen. Als we de Armeniërs (in 1942 krijgsgevangen gemaakt na veldslagen bij de rivier de Don en voor de keus gesteld of gefusilleerd te worden of ingelijfd in het Duitse leger), de leden van Organisation Todt en die van de NSDAP als niet-inzetbare militairen wegstrepen, bevond zich hier slechts een handjevol soldaten met een uiterst summiere bewapening. Zij zouden kansloos geweest zijn tegen een oprukkend geallieerd leger, dat ook nog eens geholpen zou worden door de in september 1944 opgerichte Binnenlandsche Strijdkrachten (BS). Dit was de bundeling van verzetsgroepen die dan als reguliere strijdmacht met grote kennis van de lokale situatie met de geallieerden zou meevechten. Ondanks alle voorbereidingen van aan de ene kant de Duitsers en aan de andere kant de BS en de inlichtingendiensten, kwam het niet daadwerkelijk tot gevechten, want op 4 mei hadden de Duitsers gecapituleerd en stopte Groep Albrecht met zijn werk. Hoewel… een rapport van 5 mei van de Binnenlandsche Strijdkrachten aan hun districtscommandant vermeldde dat Generaal Blaskowitz met 2000 man in Maarssen zou zitten en zou weigeren zich over te geven. Hij was al slaags geraakt met de BS en had samenscholingen van meer dan twee man verboden, anders zou er direct geschoten worden. De burgerbevolking zou het veld al zijn ingevlucht omdat er zo fel werd gevochten. De commandant Maarssen van de BS vroeg volgens deze informant om versterking van de Canadezen en collega BS-ers. Gelukkig waren de verbindingen razend snel. Dit bericht was van 16.05 uur. Om 16.07 had men op het hoofdkwartier al iemand gesproken die net uit Maarssen kwam en deze meldde dat het er wel wat onrustig was en dat er ’s ochtends twee personen waren doodgeschoten, maar dat er nu ’niets bijzonders’ was. Ik zet het maar tussen aanhalingstekens omdat wij nu meer informatie hebben over het Maarssense drama van 5 mei. Om 16.15 werd vanuit het hoofdkwartier van de BS gemeld dat Blaskowitz helemaal niet in Maarssen was en al die geruchten niet op waarheid berustten. Het bericht van de heer Van Best was sterk overdreven. Zowel de BS als de Canadezen hoefden niets te ondernemen. 8) Dankzij deze snelle reactie is verdere escalatie in de Vechtstreek uitgebleven en was de bevrijding eindelijk een feit.

Afwikkeling
Zoals bijna alle mensen die zich daadwerkelijk met verzet, onderduik, sabotage en de bevrijding van Nederland hebben beziggehouden, gingen de meesten na de bevrijding weer huns weegs en probeerde men de draad weer op te pakken. Schadeclaims werden afgewikkeld via een overheidsbureau dat daar speciaal voor in het leven werd geroepen. Ook bij de Groep Albrecht was men privé geraakt. Maar liefst 130 fietsen waren tijdens hun werk versleten of gevorderd; 91 heren- en 37 damesfietsen. 9) In de map Afwikkeling komen we ook een lijvig rapport tegen van een Duitse officier, waarin de samenstelling en de werking van de Groep Albrecht worden beschreven. Alleen waren de namen die worden vermeld de schuilnamen. Bovendien vond de opsteller van het rapport deze groep niet gevaarlijk, dus de opsporing had niet echt prioriteit. Dat was dan weer een voordeel van het feit dat de groep zich niet met sabotagedaden of overvallen bezighield. We zullen nooit weten wat het effect van al dit werk is geweest voor het verloop van de oorlog, maar kort erna vond vanuit Engelse hoek een evaluatie plaats van het spionagewerk met name in Nederland. Het oordeel van de Engelsen was dat het uiterst secuur en professioneel was geschied. 10)



Noten
1. Voor de algemene beschrijving is gebruik gemaakt van:
Albrecht meldt zich. Zomer en Keuning 1946. Nederland in oorlogstijd. Nijmegen z.j. Drs. V. Smits. Maarssen 1940-1945. Maarssen 1990.
2. NIOD. Groep Albrecht, toegang 190 a, inv. nr. 132
3. NIOD. Groep Albrecht, toegang 190 a, inv. nr. 48
4. NIOD. Groep Albrecht, toegang 190 a, inv. nr. 7
5. Idem inv. nr. 48. Soms zijn de gegevens van de rapporten van 28 maart, 20 april en 1 mei 1944 als een geheel gebruikt. De gegevens van 20 april en 1 mei staan zelfs op een enkel A-4tje.
6. NIOD. Groep Albrecht, toegang 190 a, inv. nr. 7
7. NIOD. NBS Utrecht, toegang 192 c, inv. nr. 1b
8. NIOD. NBS Utrecht, toegang 192 c, inv. nr. 1b
9. NIOD. Groep Albrecht, toegang 190 a, inv. nr. 126
10. NIOD. Spionage, toegang 249-0752 C, inv. nr. a 10