47e jaargang (bladzijde 131) nr.4 / IN: Periodiek HKM
De kaartjes van Maarssen in de gemeenteatlas van Jacob Kuyper
Kees Floor
Rond 1868 verscheen de Gemeente-atlas van Nederland. Daartoe waren alle toenmalige gemeenten door cartograaf Jacob Kuyper in kaart gebracht. Het grondgebied van Maarssen ressorteerde in Kuypers tijd nog onder vijf afzonderlijke gemeenten: Maarssen, Maarsseveen, Tienhoven, Zuilen en Westbroek. Elk van deze gemeenten had een eigen, paginavullend kaartje in de atlas.
Jacob Kuyper (1821-1908) was aardrijkskundige, cartograaf, tekenaar-redacteur en medeoprichter van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap. Hij stelde in de periode 1857-1880 verscheidene atlassen samen, waaronder de bekende Gemeente-atlas van Nederland. De kaartjes die hij hiervoor tekende, werden onder andere gebundeld per provincie, maar waren ook los verkrijgbaar. Ze werden uitgegeven door Hugo Suringar (1834-1911) te Leeuwarden, die daar een boekhandel, uitgeverij, drukkerij en veilinghuis had. Suringar begon in 1864 met het aan de man brengen van Kuypers gemeenteatlas of onderdelen daarvan. De eerste oproep tot voorintekening vermeldt nog 1138 verschillende kaartjes. 1) Uiteindelijk zouden het er 1205 worden, inclusief de overzichtskaarten per provincie. 2)
Kaartgegevens
Kuyper baseerde zich bij het vervaardigen van zijn kaartjes op reeds bestaande kaarten, zoals de topografische kaart en de provinciekaarten. Hij maakte naar eigen zeggen een verbeterde kopie van de beste kaarten. Daarbij benutte hij zo veel mogelijk de opmerkingen van burgemeesters, die een concept-kaartje toegezonden hadden gekregen. 3) Overigens was het lang niet in alle gevallen gemakkelijk om van die ‘drommelsche burgemeesters’ antwoord te krijgen op de verzoeken om duidelijke verbetersuggesties aan te leveren.
De kaartjes van de gemeenteatlas bevatten aanduidingen van wegen, spoorwegen, dijken, sluizen, voetpaden, vaarten en rivieren. Bij de wegen maakte Kuyper onderscheid tussen gewone wegen, destijds zandwegen, en wegen met een verharding van straatstenen of grind. Voor het gebruik van verharde wegen moest veelal tol worden betaald als bijdrage in de kosten van aanleg en onderhoud. Ook deze tollen zijn op de kaartjes terug te vinden, bijvoorbeeld op de kaartjes van Maarssen en Zuilen.
Verder staat bebouwing aangegeven. Volgens recensies uit die tijd werden leerlingen van scholen die de kaartjes in hun lessen gebruikten, heel enthousiast als ze hun eigen woning op een kaartje konden terugvinden. Langs de Vecht vinden we uiteraard vermeldingen van talrijke buitens. Speciale tekens zijn er voor kerken en molens. Opmerkelijk is dat op de kaartjes van Tienhoven (de Trouwe Wachter) en Maarsseveen (onder andere de molen van Van Garderen) geen molens zijn aangeduid. In Maarssen zijn de molens van de Polder Maarssenbroek en van de Hoogen- en Neermaten polder wél opgenomen.
De forten de Klop en Tienhoven van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn ook ingetekend. De buitenste verdedigingsring rond de stad Utrecht moest in Kuypers tijd echter nog worden aangelegd. Daardoor ontbreekt op de kaartjes onder andere het Werk bij Maarsseveen uit 1880/1881. Tenslotte kregen de gemeentegrenzen veel aandacht van Kuyper.
Jaartal en kaartschaal
De meeste Kuyperkaartjes vermelden een jaartal, in ons geval 1865-1868. De kaartjes van Maarsseveen en Maarssen werden rond 1875 opnieuw getekend. ‘Deskundigen leggen kaarten zonder jaartal als spielerei naast zich. Het jaartal is een ijkteken, dat op zulke blaadjes als de gemeente-atlas ternauwernood mag ontbreken’, zo schreef Kuyper aan zijn uitgever om hem van het belang ervan te overtuigen.
Elke negentiende-eeuwse gemeente kreeg een eigen kaartblad. Niet iedere gemeente was even groot en de vorm van het grondgebied was soms compact en dan weer langgerekt. De schaal van de kaartjes was daardoor variabel. Maarssen en Zuilen werden getekend op een schaal van 1 : 25.000, Maarsseveen op 1 : 37.500, Tienhoven op 1 : 40.000 en Westbroek 1 : 50.000. Overigens staat op het kaartje van Tienhoven ten onrechte een schaal van 1 : 10.000 vermeld; op een blad met correcties geeft Kuyper aan dat dit 1 : 40.000 had moeten zijn.
Om bij het gebruik van een variabele schaal toch een goede indruk te kunnen krijgen van de grootte en het belang van de gemeenten, werden steeds de oppervlakte en het aantal inwoners vermeld. De oppervlakte, voor 1870 in bunder vermeld en bij de opnieuw getekende kaartjes van Maarssen en Maarsseveen in hectare, was te vinden in gegevens van het kadaster. Inwoneraantallen waren gebaseerd op de resultaten van de volkstelling van 1859 respectievelijk 1869, waarbij de getallen doorgaans naar boven werden afgerond of bijgesteld.
Inkleuren
Vanuit zijn woonplaats Amsterdam stuurde Kuyper de gereedgekomen kaartjes in pakketjes naar zijn uitgever in Leeuwarden; hij kreeg f 2,50 per kaartje, ongeacht de complexiteit van het weergegeven gebied. Zo leverde een kaartje van Maarssen met de overwegend simpele bouw-, wei- en hooilanden evenveel op als meer bewerkelijke kaartjes, zoals die van Maarsseveen, Tienhoven en Westbroek met de talrijke veenderijen.
De ingezonden schetsen werden in koper gegraveerd, gedrukt in zwart-wit en vervolgens gezonden naar een ‘kleurderij’, bijvoorbeeld die van G.J. Geestman uit Amsterdam of van J.J. Sleijser uit Leiden. 4). Het gebruik van kleur had voor zowel de auteur (‘het zal wonderen doen voor het oog’) als voor de uitgever een hoge prioriteit. Suringar had eerst nog onderzocht of de inkleuring mechanisch kon geschieden, maar commercieel haalbare druktechnieken die de gewenste kwaliteit leverden, waren destijds nog niet beschikbaar. Daarom moest het inkleuren met de hand gebeuren en in het geval van de hierbij getoonde kaartjes veelal door kinderen. Pas in 1874, dus na het verschijnen van het Utrechtse deel van de Gemeente-atlas van Nederland, trad het kinderwetje van Van Houten in werking. De Arbeidsinspectie die op naleving ervan moest toezien, werd echter pas ingesteld in 1890. Wie alleen producten wil kopen die op een menswaardige manier zijn vervaardigd, moet dus de Kuyperkaartjes links laten liggen.
Levering
Geestman vroeg f 2,25 per duizend gekleurde exemplaren; Sleijser was iets duurder.
Om de kaartjes te verlevendigen werden de gemeentegrenzen, die met streepjeslijnen waren aangegeven, geaccentueerd met twee kleuren. Zo zijn bijvoorbeeld de grenzen van Maarssen op het kaartje van 1867 aan de buitenzijde geel gemarkeerd en aan de binnenzijde groen. Grenzen met gemeenten in een andere provincie moesten aan de buitenzijde een andere kleur krijgen dan grenzen met buurgemeenten in dezelfde provincie. Alleen Tienhoven en Westbroek grensden voor een klein stukje aan een andere provincie, te weten Noord-Holland, maar de inkleurders hebben de provincieregel op die kaartjes niet toegepast. Suringar en Kuyper waren overigens lang niet altijd te spreken over de ‘soms grenzeloze slordigheid’ waarmee werd ingekleurd, over het beperkt aantal gebruikte kleuren en de vele gevallen waarin de aanduiding van de grenzen afweek van het meegeleverde voorbeeld.
Na het inkleuren gingen de pakketten kaartjes weer terug naar Leeuwarden, van waaruit ze via boekhandelaren werden geleverd aan de intekenaren of verzonden naar nieuwe klanten. Dit waren ambtenaren en besturen, particulieren en andere geïnteresseerden, maar ook scholen, die losse kaartjes van de eigen gemeente konden kopen tegen een gereduceerde prijs. De volledige atlas met 1205 kaartjes kostte in 1871 ongeveer f 70,00; een atlas van de provincie Utrecht met 74 kaartjes kwam op circa f 6,00. Tegenwoordig zal men voor zo’n uitgave aanzienlijk dieper in de buidel moeten tasten.
Gemeentegrenzen
De gemeentegrenzen zoals die rond 1865 gehanteerd werden, waren formeel vastgesteld in 1818. Wel was Maarssenbroek in 1857 bij Maarssen gevoegd, zodat de grens tussen de beide gemeenten was komen te vervallen. Kuyper gaf al die gemeentegrenzen veel aandacht. Bij de grensbepalingen hadden grensscheidingen die gemakkelijk in het landschap terug te vinden waren, de voorkeur gekregen. In de schriftelijke vastlegging daarvan werd dan ook waar mogelijk verwezen naar wegen, sloten, vaarten en naar de Vecht. Zo liep de grens tussen Tienhoven en Breukelen St Pieters deels langs de Tienhovensevaart, die geheel tot de gemeente Tienhoven behoorde. De grens tussen Maarsseveen en Westbroek lag deels langs de Nedereindsevaart, die ressorteerde onder Westbroek. Tussen Maarssen en Maarsseveen fungeerden onder andere de Kaatsbaan en de Vecht als grens; de grenslijn liep in deze beide gevallen dwars door het midden van de weg of de rivier. Dat is bijvoorbeeld te zien aan de grens tussen Maarssen en Maarsseveen, waarbij de grens midden door de Vecht is aangegeven met een stippellijn. De inkleuring suggereert echter dat de grenzen langs de oevers lopen en de rivier dus tot geen van beide gemeenten behoort.
Wat verder opvalt, is dat het fort bij Tienhoven, gebouwd 1848-1850, volgens de Kuiperkaartjes van Maarsseveen, Tienhoven en Breukelen St. Pieters (niet afgebeeld) geheel in de laatstgenoemde gemeente ligt. Het fort de Klop, gebouwd in 1819 en gemoderniseerd en uitgebreid in 1850, is gesitueerd in de gemeente Zuilen. In feite liep de grenzen door deze verdedigingswerken heen en op de plek waar ze ook voor de aanleg ervan al lagen.
Details
De meeste Kuyper-kaartjes uit de gemeenteatlas bieden meer details binnen de gemeentegrenzen dan daarbuiten. Dat verschil biedt houvast bij het bepalen van de omvang van het grondgebied van een gemeente. Bij de kaartjes van Tienhoven, Maarsseveen en Westbroek is dat bij uitzondering slechts ten dele het geval. De waterpartijen van de oostelijke Vechtplassen voorbij de noordgrens van de beide gemeenten tonen namelijk veel details. Opmerkelijk is ook de weergave van de Tienhovensche en Maarsseveensche Droogmakerij, de latere Bethunepolder. Het gebied moest nog worden drooggemaakt en de polder kwam nog niet voor op de standaard beschikbare kaarten. Kuyper heeft vermoedelijk toegang gehad tot de kaart met plannen tot drooglegging en bedijking van het gebied. Onderaan de kaartjes schrijft Kuyper dan ook terecht: De droogmaking van de Tienhovensche en Maarsseveensche plassen is nog niet voltooid. Dezelfde tekst lezen we overigens nog steeds op het opnieuw getekende kaartje van de gemeente Maarsseveen uit 1875.
Noten
1. Volgens een advertentie in de Opregte Haarlemse Courant, 16 juni 1864.
2. Tentoonstelling van hulpmiddelen voor den boekhandel, augustus 1881.
3. Archief van G.T.N. Suringar en Hugo Suringar. Allard Pierson/UvA.
4. M. Keyser. De laatste kleurders. Kleurinrichtingen in Nederland in de tweede helft van de 19e eeuw. Caert-Thresoor 11 (4), p81-86, 1994.