400
700
900
Het Schilderskwartier in Maarssen, wel 100 ooms en tantes!
Smits, W.

Het Schilderskwartier in Maarssen, wel 100 ooms en tantes!

47e jaargang (bladzijde 140) nr.4 / IN: Periodiek HKM

Genre

  • Historie

Subject

  • Speeltuin

Plot

Het Schilderskwartier in Maarssen, wel 100 ooms en tantes!

Wally Smits

Ergens aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw - hoe lang lijkt dat geleden als je het zo schrijft - reed ik met een Maarssens gemeenteraadslid over de Rembrandtsingel op weg naar het gemeentehuis. Halverwege zei hij op een niet erg sympathiek toontje: ‘Kijk, dit is een echte arbeiderswijk.’ Toen ik bij de hoek van de Paulus Potterstraat rustig opmerkte dat ik daarboven op Rembrandtsingel 29a geboren was en jaren later wel dertig meter verhuisde naar de hoek van de Paulus Potterstraat 59, werd het wel erg stil in de auto. De opmerking was niet fout, het toontje wel. Deze paar honderd vierkante meters waren gedurende mijn jeugdjaren mijn leefgebied en dat van mijn broers en de buurkinderen.
Mijn bedoeling was oorspronkelijk om een soort ego-documentje te maken waarin ik het leven in die tijd, lopend van ongeveer 1950 tot 1965, zou beschrijven en waarin ik duidelijk wilde maken dat wij als kinderen, ondanks de geringe rijkdom, toch een prachtige tijd kenden. Dat was vaak ten koste van de buren, maar die heb ik nooit horen klagen. Toen ik echter voor wat aanvullende feitjes naar het Regionaal Archief in Breukelen ging, stuitte ik op vele dossiers over de ontwikkeling en de misstanden in de bouw van deze nieuwbouwwijk. Vandaar dat dit artikel niet alleen gaat over mijn tijd als jong kereltje in deze wijk, maar ook over de ellende die de volwassen bewoners moesten meemaken na het betrekken van hun nieuwbouwwoningen.

Niets kon, alles mocht
Ja, het was inderdaad een arbeiderswijk, zo werd het ook door de gemeente genoemd in alle stukken. Helaas moet ik mij voor de aantallen en percentages baseren op gegevens uit de VVV-gids voor Maarssen uit 1969, waarin voor iedere straat de bewoner en zijn beroep staat opgetekend. 44% van de 371 werkzame bewoners van het Schilderskwartier werkte in 1969 inderdaad in de industrie en tot mijn verbazing maar 9% in de bouw. 26% hield schone handen in de dienstverlening. Het was en is nog steeds vermakelijk om in zo’n gidsje per straat opgesomd te zien wie er op een bepaald nummer woonde en wat voor werk hij of zij deed. Tegenwoordig is dat in verband met de privacy niet meer mogelijk. Het hebben van een achternaam was voor ons jongeren onbekend terrein. De kleintjes kregen het achtervoegsel -tje of iets dergelijks: Jantje Verkerk, Japie Heespelink en zij hielden dat hun hele leven en de volwassenen waren steevast ome of tante. Op Rembrandtsingel 31a, voor de verhuizing dus naast ons, woonde ome Jaap. Dat hij toevallig van achteren Dijkstra heette, was voor de kleintjes niet interessant. Als je echt stokoud was in onze ogen zoals meneer Eindhoven, gepensioneerd spoorwegman, dan werd het toch ‘meneer’. Als je niet tot de standaardbevolking van de ‘arbeiderswijk’ behoorde, zoals Niessing die bij de gemeente werkte, dan werd het toch wel ‘meneer’ Niessing. Het zal de lezer niet onbekend zijn dat vooral in de jaren vijftig niemand het echt breed had; Nederland zat nog in de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog en de lonen waren laag. Pas in de jaren zestig schoten de lonen omhoog en konden ook de inwoners van het Schilderskwartier zich wat meer permitteren, sommigen zelfs een auto of een televisie; die laatste werd dan gedeeld met de buurkinderen. Dan gebeurde het dat een hele kinderschaar op woensdag in de namiddag bij ons in de huiskamer naar Tante Hannie zat te kijken die op televisie het programma ‘Wie wil mijn marmotje zien’ presenteerde of naar Pipo de Clown die, natuurlijk in zwart/wit, met zijn door een ezel getrokken woonwagen door de wijde wereld trok. Begin jaren zestig kreeg de latere ‘tv-dokter’ Jan van Liempdt in de schuur van zijn vader aan de Jan Steenstraat en onder grote belangstelling van de jeugd de eerste kleurentelevisie aan de praat. De groenteboer, de melkboer, de schillenboer en de voddenboer kwamen nog langs de deur. In andere wijken kwamen de groenteman en de melkman aan de deur. Ze hadden echter dezelfde achternaam en dezelfde wagen. Kleding en schoenen gingen over van oud naar jong, waarbij ik het geluk had dat mijn oudste broer een stuk kleiner was dan ik, dus dat ging moeilijk. De ouders moesten over het algemeen al vroeg aan het werk. Die waren opgegroeid tijdens de crisis van de jaren dertig en volwassen geworden tijdens de Tweede Wereldoorlog en er werd dus alles aan gedaan om hun kinderen een betere toekomst te geven. Doorleren werd gestimuleerd en af en toe haalde een kind het hoogst haalbare voor een arbeiderskind: de Kweekschool voor Onderwijzers, bij mij in het buurtje al drie, waaronder ondergetekende.

Buiten spelen
Hoewel wij - en daar bedoel ik mee de ‘openbaren’ - een groot deel van onze kostbare tijd doorbrachten op de inmiddels afgebroken Openbare Doornburgherschool aan de Tesselschadestraat, waar ik het genoegen had om drie jaar lang les te krijgen van meester Frackers, bleef er tijd genoeg over om te spelen en dat gebeurde buiten, op straat. Daar was genoeg te beleven. Er werd gevoetbald, gespeeld, gestoeid en waar gebouwd werd, nog zonder hekken om de bouwplaats, waren wij ook te vinden om bijvoorbeeld reststukjes elektrapijp te bemachtigen, zodat je met eigen gedraaide pijltjes naar elkaar kon schieten. Extra leuk was het dan om in de punt een klein naaldje of een speld mee in te rollen en likken zodat het slachtoffer van ons offensief gillend overeind sprong. Minder leuk was dat natuurlijk als het mijzelf overkwam.
Tijdens de voor mijn gevoel eeuwigdurende zomers bivakkeerden we van ’s ochtends vroeg tot laat in de middag in het zwembad van Van Ede. Fietsen waren nog niet echt betaalbaar, trouwens, mijn moeder kon niet eens fietsen, dus we liepen naar het bad over de Maarsseveense Vaart. ’s Winters waren we natuurlijk op het ijs te vinden. Daar tussendoor brachten we onze tijd door in de Béthunepolder, waar ook genoeg te beleven was. Je kon toen nog in de hoog op zijn poten staande tweelingbunker komen en dat was natuurlijk wel erg spannend. In het rietland ploegden we ons dwars door het riet heen naar de Middenweg en ook daar was genoeg te zien en te beleven. Spectaculair vonden we het als ’s winters het riet in de brand werd gestoken en de hele polder in de fik stond. Een immens zwarte rookwolk dreef dan richting de Vecht. Later werd dit afbranden verboden. Als je de polder niet inging, speelde je natuurlijk op straat.
Nieuw was op een gegeven ogenblik de komst van de rolschaats, waarvan het gebruik meestal uitliep op huilend naar huis gaan met ontvelde ellenbogen en knieën, want de straat en de stoep lagen er niet echt lekker glad bij. Daar hadden we wel wat op gevonden. In veel straten waren zogenaamde duplexwoningen gebouwd. Die hadden twee lagen woningen en de bovenste laag kon je bereiken via een trapportaal en dan via een galerij bereikte je de voordeur. Die galerij was mooi egaal aangelegd en ook nog afgeschermd met een hek. Dus met de rolschaatsen aan de trap op en dan als een volleerd kunstschaatser de galerij op en neer en met veel geweld remmen tegen het hek. Voor de inleving moet nog wel vermeld worden dat de wieltjes van de rolschaatsen nog niet van kunststof waren gemaakt, maar van metaal. Dat gaf een lawaai dat volgens mij honderden meters verderop te horen moet zijn geweest. Er is nooit een woord over gezegd.
Ach, ook de volwassenen hadden bezigheden die nu niet meer geaccepteerd zouden worden; Ome Henk van Elst (Paulus Potterstraat 41, in 1969 timmerman) had als liefhebberij het houden van konijnen. In het najaar waren echter de hokken leeg en waren er allemaal konijnenvellen tegen de schuurmuur gespijkerd om te drogen. Als kind was dat wel heel spannend om te zien. Ome Jaap Dijkstra speelde trompet in de fanfare van Twijnstra’s Oliefabrieken en oefende geregeld thuis. Aan de overkant werd viool geoefend. Op zaterdag gaf Henk Oomen, die onze oude bovenwoning Rembrandtsingel 29a had betrokken, tijdens zijn langdurige verblijf in het lavet complete opera’s ten gehore en toen we wat ouder waren, stond buurjongen Gertje in het open bovenraam van de duplexwoning luchtgitaar te spelen en Elvis Presley te playbacken met de pick-up op zijn hardst. Men vond het allemaal prima en gunde elkaar alles. De volwassenen hadden beroerdere tijden meegemaakt en gunden elkaar en hun kinderen het beste. Al schrijvend komen de herinneringen aan een zorgeloze jeugd naar boven. Ook heel indrukwekkend was de militaire begrafenis van bovenbuurman Klokke van Steenwijk die de dood had gevonden op een schietbaan in Utrecht. Een militaire fanfare met over de trommels zwarte doeken begeleidde de rouwstoet naar de begraafplaats. Mensen langs de route bleven stilstaan tot de stoet voorbij was. Hoeden werden afgenomen.

De realiteit
Om toch nog wat feitjes op een rij te zetten omtrent de bouw en oplevering van het Schilderskwartier ben ik wat onderzoek gaan doen in het Regionaal Historisch Centrum Vecht en Venen te Breukelen. Tijdens dat onderzoek kwam een geheel ander beeld naar voren dan in mijn naïeve kinderbrein was achtergebleven. Zonder ook maar iemand als schuldige aan te wijzen, verschijnt er een soort rampscenario voor de bewoners. De Tweede Wereldoorlog was beëindigd, het land was uitgemergeld. In Nederland waren vele woningen vernietigd en met gebrekkige middelen moest er snel en voor velen gebouwd worden. De in 1949 door samenvoeging van de gemeenten Maarssen en Maarsseveen ontstane gemeente Maarssen, kon wat bouwmateriaal betreft achter in de rij aansluiten; met name Rotterdam en Arnhem kregen terecht alle voorrang. Toch kreeg de gemeente al in 1947 toestemming en een krediet voor de bouw van tien arbeiderswoningen in de Friezenstraat. Deze woningen waren bestemd voor arbeiders van U. Twijnstra’s Oliefabrieken en zouden worden beheerd door de Woningstichting Maarssen, die kantoor hield bij notaris Vader. De totale kosten zouden, inclusief grondkosten, f 114.615,58 gaan bedragen. Deze procedure speelde tussen 1947 en 1951 en zou leiden tot de laatste bebouwing in de zogenaamde Friezenbuurt. Voor hieronder is van belang dat de kostprijs per woning f 11.461,56 bedroeg. 1)
Het ‘Achterstraatkwartier’, zoals het in de beginfase werd genoemd, kwam al spoedig daarna in de planning. Natuurlijk was de gemeente - want die nam het voortouw - aan handen en voeten gebonden aan de eisen van de nationale overheid. Vanuit het toenmalige Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting werd opgelegd dat deze de huurprijs van de woningen zou bepalen. Voor de eerste woningen aan de Achterstraat (Nassaustraat) werd de huur vastgesteld op een bedrag tussen de f 5,10 en f 5,90 per week. In 1949 schreef aannemer A.J. Eglem in voor 44 woningen achter de Achterstraat voor f 318.000,-, dat is dus f 7.227,00 per woning, ongeveer f 4.000,00 minder dan de bouwkosten van de woningen in de Friezenstraat. Later scheef dezelfde aannemer nog een keer in voor 110 woningen, 81 etagewoningen en 29 eengezinswoningen tussen de ‘Jan’ Vermeerstraat en de Paulus Potterstraat voor f 7.448,00 per woning. Om kwaliteit te leveren waren deze prijzen veel te laag. Er moest dus wel op materiaal en arbeid bezuinigd worden. Geheid werd er niet; pas in 1952, toen de hoek tussen de Adriaan van Ostadestraat, Pieter de Hooghstraat, Ariënslaan en Hobbemastraat bouwrijp werd gemaakt, moest er onder 30 woningen geheid worden vanwege een aanwezige veenlaag. 2) Vanaf 1954 werd het grondgebied tussen de Ariënslaan en de Klokjeslaan bouwrijp gemaakt, maar dan zitten we al in het Dichterskwartier. Dan is wat de woningbouw betreft de koek op. De burgemeester verzucht dan ook in een brief van 6 augustus 1956: ‘Ten gevolge van de uitermate snelle ontwikkeling van onze gemeente is de reserve aan bouwrijpe grond volledig uitgeput.’ 3) Hij kon toen nog niet weten wat er daarna nog zou worden gebouwd…

Rampzalige Bouw
De bouw verliep snel, ondanks het vaak natte weer. Bij de vele klachten beriep de aannemer zich dan ook op de natte winter, waarin er toch doorgewerkt moest worden. De infrastructuur kon de bouw niet bijbenen. Het eerste wat misging, was het minste van alle ellende die de bouw met zich meebracht. Boer H. Verwey van de boerderij Meerhofstede, claimde al in 1954 een bedrag van f 60,00 bij de gemeente omdat een koe van hem via de Rembrandtsingel zijn roggeveld was ingekomen en daar schade had aangericht. Brinkhof moest vervolgens vanaf café Huybers, nu Alex, een degelijk hekwerk plaatsen. 4) De opgeleverde huizen waren echter rampzalig, zo rampzalig dat er een actiecomité werd opgericht dat de vele klachten inventariseerde. Onder leiding van W.H. Reichwein (in 1969 woonde deze al in de nieuwere wijk Troelstrastraat 21) en de heer Manders (Pieter de Hooghstraat 11, ook nog in 1969) werd een pamflet opgesteld met de oproep om te reageren met klachten zodat het in de gemeenteraadsvergadering van 19 december 1952 behandeld kon worden. Doel was om in ieder geval de huren omlaag te brengen en verbeteringen te eisen aan de woningen. De klachten zouden gaan over ‘vochtige muren, vochtige kasten en vocht in de keukens, hobbelige vloeren, slecht sluitende ramen en deuren, gescheurde plafonds, gebreken aan afvoerleidingen, slechte closets enz.’. 5) Aan de oproep werd massaal gehoor gegeven en de gemeente besloot alle klachten te inventariseren. Dat leverde een dik dossier op. Van alle klachten licht ik die van ‘ome’ Henk van Elst, Paulus Potterstraat 41, eruit. Hij schrijft: ‘Niet één raam of deur sluit, overal tocht het, als er wind is, hangen de gordijnen te waaien; er is maar één kamer enigszins droog (waar gestookt wordt); de schimmel staat onder het zeil: het behang van de slaapkamers is door en door nat, de togen in de gang zijn allemaal gescheurd, tevens enkele plafonds.’ Dat liegt er niet om. Hoewel er wel maatregelen werden genomen om dit belabberde leefklimaat te verbeteren, stroomden de klachten zelfs vier jaar na de oplevering nog binnen. Hoewel ik nergens heb kunnen vinden dat deze huizen bedoeld waren als tijdelijk woningen, is het een wonder dat ze toch nog 60 jaar hebben gestaan en het merendeel zelfs nu nog, met de nodige aanpassingen natuurlijk, bewoonbaar is. En de kinderen? Ach die merkten er niets van; die hadden er een prachtige jeugd en speelden er lustig op los.

Noten
1. RHCVV, gemeente Archief Maarssen 1939-1957, inventaris nummer 468
2. RHCVV, idem, inv. nr. 474
3. RHCVV, idem, inv. nr. 465
4. Idem, inv. nr. 467
5. Idem, inv. nr. 473