47e jaargang (bladzijde 148) nr.4 / IN: Periodiek HKM
Onvriendelijke vrienden; rumoer rond Goudestein
Deel 1
Luuc Kooijmans
Inleiding
Niet zo lang geleden, toen er nog boeken werden gelezen, was de naam Huydecoper vooral bekend dankzij Balthasar Huydecoper die in de achttiende eeuw naam maakte in de letteren. Inmiddels is hij vrijwel vergeten. Prominenter aanwezig in de historie zijn de zeventiende-eeuwse Huydecopers, van wie de geschiedenis nauw is verbonden met de geschiedenis van Amsterdam en Maarssen. In twee artikelen beschrijft Luuc Kooijmans de geschiedenis van deze familie. 1)
Status en positie van de Huydecopers
Het familieverhaal begint met de succesvolle handelaar in leer Jan Jacobsz Bal, die het door rooms-katholieke regenten bestuurde Amsterdam verliet vanwege zijn protestantse geloofsopvatting en terugkeerde toen de stad zich in 1578 aansloot bij de Opstand. Hij liet zich Huydecoper noemen en werd in het van katholieken gezuiverde stadsbestuur gekozen. Een politieke carrière maakte hij niet, maar hij toonde zich wel buitengewoon ondernemend in zaken. Hij behoorde bijvoorbeeld tot de eerste aandeelhouders van de VOC en hij wist handig te profiteren van de grote stadsuitleg van 1613. Bij zijn dood in 1624 liet hij een aanzienlijk kapitaal na. De hofstede de Gouden Hoeff in Maarssen die hij in 1608 had gekocht, werd door zijn zoon verbouwd tot het buiten Goudestein, de eerste buitenplaats aan de Vecht .
Goudestein zou het symbool worden van het maatschappelijk succes van de Huydecopers, samen met de titel heer van Maarsseveen de zoon Joan Huydecoper zich in 1641 wist aan te meten. Behalve via een titel werd de status van Joan Huydecoper ook tot uiting gebracht in het grote huis dat hij had laten bouwen aan het Singel tegenover de Regulierstoren, naar een ontwerp van Philips Vingboons. Hij liet zich portretteren door Bartholomeus van der Helst, werd als officier van de schutterij afgebeeld door Govert Flinck, en liet zelfs zijn beeltenis in marmer uithouwen. Hij wierp zich op als beschermheer van kunstenaars en schiep veel behagen in die rol. Vooral met beoefenaars van literatuur ging hij graag om.
Zijn voornaamste protegé was Jan Vos, een rooms-katholieke glazenmaker die zich als literair talent had ontpopt. Vos was een succesvol toneelschrijver en hij gebruikte zijn talent ook om gelegenheidsverzen voor patriciërs te componeren. Hij wierp zich op als een soort huispoëet van de Huydecopers en bezong hun publieke weldaden. Hij zorgde met andere woorden voor hun ‘public relations’. Tussen Huydecoper en Vos bestond een klassieke patronageverhouding. Het was niet zo dat Huydecoper de dichter rechtstreeks onderhield of betaalde, maar nadat Huydecoper burgemeester was geworden, werd het maken van nieuwe ruiten in openbare gebouwen wel uitbesteed aan glazenmaker Vos.
Net als zijn vader was Huydecoper aanvankelijk niet erg prominent aanwezig als bestuurder, maar op latere leeftijd maakte hij toch nog carrière, dankzij de opkomst van Cornelis de Graeff, die halverwege de zeventiende eeuw uitgroeide tot de meest invloedrijke Amsterdamse regent. Huydecoper behoorde aanvankelijk tot een groep van strenge calvinisten, maar hij distantieerde zich van hen toen bleek dat hij het onder de vleugels van Cornelis de Graeff verder kon brengen. Dat opportunisme leverde hem uiteindelijk een verkiezing tot burgemeester op.
Reizen
Het hoogtepunt van Huydecopers carrière was een reis naar het hof van Brandenburg om namens de stad Amsterdam het peetouderschap te aanvaarden over de zoon van keurvorst Friedrich Wilhelm. Toch had hij die eervolle opdracht pas na grote aarzeling aangenomen. Hij had zich, volgens de geamuseerde gezant van de keurvorst, buitengewoon zorgelijk getoond, omdat hij nog nooit zo ver van huis was geweest en de wegen, de taal, de mensen en de hofetiquette niet kende. Hij had zich ook ongerust afgevraagd wat er zou gebeuren als hij onderweg ziek zou worden. Ondanks alle bedenkingen was hij in het voorjaar van 1655 toch naar Berlijn vertrokken met in zijn gevolg onder andere zijn eigen zoon en een zoon van Cornelis de Graeff. Die zoon, Pieter de Graeff, hield een reisverslag bij waarin hij onder meer melding maakte van de toespraak die Huydecoper had gehouden bij het overhandigen van het cadeau van de stad Amsterdam aan de keurvorst. Volgens hem sprak de heer van Maarsseveen ‘eenige wijnige woorden welcke heel sacht waren, ende die het hadde willen hooren, moste al heel goet van gehoor geweest sijn; alhoewel ick daer heel dicht bij stondt, nochtans heb ick niet een woordt connen hooren noch verstaen.’ 2)
Bij zijn terugkeer werd Huydecoper ingehaald door een indrukwekkende erewacht, samengesteld uit zoons van de fatsoenlijkste Amsterdamse families. Niet iedereen was echter geïmponeerd: er waren ook lieden die alle ophef bespottelijk vonden en één van hen maakte Huydecoper belachelijk in een vers. Huydecoper zelf zag het als een belangrijke bijdrage aan zijn reputatie dat hij met één van de groten der aarde had verkeerd en liet zich alle eerbetoon graag aanleunen. De ivoren beker die hij van de keurvorst had gekregen en de cadeaus van de keurvorstin voor zijn dochters kregen het karakter van trofeeën en werden door Jan Vos als zodanig bezongen. Het beeld van Huydecoper dat Jan Vos in zijn verzen opriep, was dat van de minzame bestuurder, omringd door weduwen en wezen en andere hulpbehoevende burgers; een burgervader ‘die zweert voor u in noodt te strijden, gelijk zijn vaader heeft gestreên, in d’allerdroefst’ en bangste tijden’. Huydecoper trad dus in de voetsporen van zijn vader die, aldus Vos, ‘de Spaansche knevelkeeten’ had helpen breken. Als zoon van één van degenen die de Opstand hadden gedragen, waakte Huydecoper nu over het behoud van de verworven vrijheid. 3)
Een onvriendelijke correspondentie
Voor de heer van Maarsseveen was het van groot belang dat zijn enige zoon Joan Huydecoper junior (1625-1704) in staat zou zijn om de fakkel over te nemen. De twee voorgaande generaties hadden de grote sprong voorwaarts gemaakt en het zou aan hem zijn om de veroverde positie te consolideren. De oude Huydecoper zag het daarom als zijn opdracht om ervoor te zorgen dat zijn zoon zo degelijk mogelijk was voorbereid op een bestuurderscarrière. Op zijn zestiende werd de jongen daarom naar Utrecht gestuurd, waar pas een universiteit was opgericht en waar hij in huis werd gedaan bij de vermaarde, streng calvinistische professor Gisbert Voetius. Vier jaar later werd hij naar Leiden gestuurd, om in korte tijd te worden klaargestoomd voor zijn promotie.
In Utrecht had hij onder strikt toezicht gestaan en zijn vader vreesde dat hij zich in Leiden zou laten verleiden tot studentikoze ongebondenheid. De oude Huydecoper was streng, hamerde enorm op discipline en toonde weinig vertrouwen in de standvastigheid van zijn zoon. De daardoor gekweekte rancune zou tot uiting komen na diens promotie, tijdens de buitenlandse reis die de laatste fase in zijn educatie vormde.
In juli 1647 begaf zoon Joan Huydecoper zich met een knecht te paard naar Frankrijk, waar hij nogmaals promoveerde. De reis was dus een statussymbool, al was het wel de bedoeling dat hij vloeiend Frans zou leren spreken en de vaardigheid zou aanleren om zich in elk gezelschap te kunnen handhaven. Slechts een beperkte elite kon zich de luxe van een ‘grand tour’ veroorloven, want voor zo’n reis moest twee of drie jaar lang de rente van een kapitaal van honderdduizend gulden beschikbaar zijn en dat was, in een tijd waarin een gulden per dag geen ongebruikelijk loon was, een zeer aanzienlijk bedrag. Ook in regentenkringen kon lang niet iedereen het zich veroorloven om zijn kinderen een dergelijke reis te laten maken en dat zou Joan Huydecoper goed worden ingepeperd. Zijn vader probeerde zijn uitgaven zo drastisch te beperken dat hij er spoedig wanhopig van werd. Onderweg kwam hij natuurlijk allemaal rijke jongens tegen die soms onbekommerd geld spendeerden en hij wilde in hun gezelschap geen armoedig figuur slaan. Ongeduldig verzocht hij daarom om meer geld. Hij liet weten dat hij anders zou moeten gaan fluit spelen om aan de kost te komen. De oude Huydecoper vond dat zijn zoon niet zuinig genoeg was en dat hij zich onverantwoordelijk gedroeg en nog brutaal en ondankbaar was op de koop toe.
Joan was kwaad en teleurgesteld omdat zijn vader geen enkel vertrouwen in hem stelde. Nadat hij zijn vader een nogal sarcastische brief had geschreven, kreeg hij een woedende reactie. In een brief aan een zwager gaf hij weer wat zijn vader had geantwoord: ‘ja, schrijft hij, ick sal u te Geneven 3 jaer bij een predikant bestellen, gij guijt, en gij fiel, wat duvel meent gij dat ick mijn om uwentwil sal ruïneren... gij sijt mijn graci niet waert; sal u, soo gij met de voorscreven penningen niet toe en komt, niet een duijt senden, en al bedelende tuijs laten komen.’ Ik vroeg u om driehonderd gulden, hield Joan zijn vader voor: ‘sal dit dan capabel sijn om U te ruïneren?’ Hij vroeg zich af waaraan hij zoveel dreigementen had verdiend: ‘als of ick een van de grooste beesten en vagebonden waer die oijt de nateur voortgebragt heeft.’
Ik hoef u er niet aan te herinneren, vervolgde hij, ‘hoe U mijn heeft geregeert, dat ick altijt sonder gelt ben gehouden geweest.’ Toen ik nog thuis was ‘heeft U altijt miscontentement in mijn gehat’ en me als een slaaf onder een streng regime gehouden. Om weinig of geen reden ben ik in het bijzijn van personeel en vreemden uitgescholden. En er is eigenlijk nog niets veranderd, ‘niet tegenstaende mijn jaren en tijt verandert sijn... nu buijtenslants sijnde heb ick nog niet enen brief van U gekregen sonder ongemeen overgehaelt te worden’. ‘Gelooft U dan dat ick van steen ben en mijn huijt sonder gevoelen?’ 4)
Erfgenaam
In oktober 1650 was Joan Huydecoper terug bij zijn vader. Die zou hem nooit vergeven. In zijn testament dreigde hij Joans erfportie te verminderen met de helft van de reiskosten, die veertienduizend gulden hadden bedragen, ‘alsoo hij met de helvte had behoren te reijsen’.
Vader en zoon mochten elkaar het nodige te verwijten hebben, ze waren toch tot elkaar veroordeeld. De vader had een erfgenaam en een opvolger nodig, de zoon een patroon die hem de mogelijkheden kon bieden om een carrière te beginnen. Eén van de functies van een educatiereis was het op zinvolle wijze bekorten van de tijd die een zoon moest overbruggen voor hij zich kon ontplooien als opvolger van zijn vader. Vader en zoon mochten niet tegelijk in de raad zitten, dus de zoon kon pas echt carrière maken als zijn vader zou sterven of zou terugtreden. De vader kon er wel voor zorgen, dat de zoon vast wat minder gewichtige baantjes kreeg, om wat ervaring op te doen en wat te verdienen.
Voor Joan Huydecoper jr. zat er na zijn terugkeer weinig anders op dan zich te wijden aan de jacht, paardrijden, lezen en naar de sterren kijken. Hij was bijna 25 jaar en hij was volledig afhankelijk van zijn vader. Die had het familiekapitaal in handen en om te kunnen trouwen en een zelfstandig leven te beginnen moest hij afwachten tot zijn vader daarvan een deel beschikbaar wilde stellen. Er openden zich echter wel nieuwe perspectieven, want juist op dat moment nam het leven van zijn vader een belangrijke wending: na twintig jaar lid van de raad te zijn geweest, werd hij voor het eerst verkozen tot burgemeester. Lidmaatschap van de raad was vooral een kwestie van eer; pas als iemand tot burgemeester van Amsterdam werd verkozen kon je spreken van een politieke carrière. Burgemeesters ‘regeerden’ de Hollandse steden en als zoon van een burgemeester was de kans reëel dat voor Joan Huydecoper te zijner tijd ook een regentencarrière zou zijn weggelegd.
Joan Huydecoper en het concept vriendschap
Na de dood van zijn vader slaagde Joan Huydecoper er met enig opportunisme inderdaad in om op zijn beurt carrière te maken in het Amsterdamse stadsbestuur. Het vervullen van openbare functies leverde vooral krediet op. Het stelde Huydecoper in staat iets te doen voor anderen, die hij daarmee zodanig aan zich verplichtte, dat hij mocht verwachten dat ze ook iets voor hem zouden doen wanneer hem dat zou uitkomen en dan met name voor zijn kinderen. Dat was waar Huydecoper een belangrijk deel van zijn leven aan wijdde: het beheer van zijn sociale vermogen. Het zorgvuldig cultiveren van een netwerk van relaties stelde hem in staat de plichten te vervullen die zijn positie als ‘chef de famille’ met zich meebracht.
Als familiehoofd diende hij het voortbestaan van de familie te waarborgen en zijn verwanten te beschermen tegen de vele risico’s die het bestaan in die tijd kenmerkten. Tegen die risico’s bood de staat nauwelijks bescherming. Veel beschermende en ondersteunende taken die in de huidige westerse samenleving zijn overgenomen door de overheid, werden in de vroegmoderne maatschappij vervuld door personen. Banen en voorrechten werden vergeven op grond van persoonlijke overwegingen. Wie een hypotheek wilde afsluiten of in een onderneming wilde investeren, was aangewezen op particuliere leningen; voor de kosten van artsen en medicijnen was niemand verzekerd en de behandeling en verpleging van zieken geschiedde thuis. Als je door zwakte of ouderdom definitief niet meer kon werken was je aangewezen op spaargeld en de hulp van naasten. In het stadium waarin de staatsvorming zich tijdens het ancien régime bevond, was de opvang en bescherming van overheidswege zo beperkt, dat het voor iedereen zaak was om zich te omringen met mensen die solidair zouden zijn wanneer er zich een tegenslag met ingrijpende gevolgen zou voordoen. Die solidariteit werd aangeduid met het woord ‘vriendschap’ en werd in eerste instantie verwacht van familieleden. Onder verwanten kon in principe wel saamhorigheid worden verwacht, maar niet zonder meer. Je kon alleen aanspraak maken op de steun van degenen onder hen met wie je verplichtende relaties onderhield. Zij werden ‘de vrienden’ genoemd. Om ervoor te zorgen dat die, als het erop aankwam, bereid zouden zijn om steun te verlenen, moest je krediet opbouwen. Dat wil zeggen: tonen dat je die steun waard was en bovendien van zins om er iets voor terug te geven.
Voor wat hoort wat
Gedurende een groot deel van zijn leven hield Joan Huydecoper een dagregister bij; een soort boekhouding van het beheer van zijn sociale vermogen. 5) Daarin tekende hij aan met wie hij brieven, geschenken, uitnodigingen en visites uitwisselde. Hij maakte afschriften van al zijn uitgaande brieven en noteerde of hij geschenken had ontvangen of verstrekt. Een niet onbelangrijk deel van de correspondentie bestond uit uitnodigingen voor plechtige of informele bijeenkomsten. Het kon hierbij gaan om maaltijden, logeerpartijen of feesten of om ceremoniële gebeurtenissen als een doopplechtigheid, een bruiloft of een begrafenis. Voor het versturen van brieven bestond meestal wel een concrete zakelijke aanleiding, maar ze werden tevens gebruikt om te informeren naar het welzijn van de geadresseerden en om hen op de hoogte te stellen van het laatste nieuws uit de eigen kring. De briefwisseling diende dus om contacten te onderhouden. Hetzelfde gold voor de uitwisseling van geschenken. Soms ging het om een partij ham of een half lam, meestal echter om kleinere dingen: zelfgekweekt fruit, een schoteltje vis of iets dergelijks, maar het werd altijd trouw genoteerd.
Zulke geschenken werden ook zelden geheel vrijblijvend gegeven: soms golden ze als bedankje voor bewezen diensten, vaak effenden ze rechtstreeks of op termijn het pad voor een verzoek. Dat het meestal niet om de geschenken zelf ging, blijkt wel uit het feit dat Huydecoper ze vaak botweg doorgaf aan derden. Een karakteristieke notitie luidde: ‘met een haes vereert, die wederom aen nicht M. Trip vereerde.’ Een andere keer noteerde hij de ontvangst van een kabeljauw, waarvan hij onmiddellijk vijf moten doorstuurde aan een zwager. Zo kon hij gratis een royaal gebaar maken. Soms liet de kwaliteit van de cadeaus daarvoor te veel te wensen over. Huydecoper noteerde de ontvangst van twee ‘lompe en scheve noteboomen’, en in december 1700 kreeg hij zulke slechte tabak dat hij die aan geen fatsoenlijk mens kon aanbieden, met als gevolg dat hij de tabak twee maanden later maar aan een predikant ‘vereerde’.
Een geschenk was een teken van genegenheid, van goede wil, een nadere aanhaling of een bevestiging van bestaande betrekkingen. Als de ontvanger het in dank aanvaardde, verklaarde hij zich expliciet of impliciet ‘verobligeert’, wat zoveel wilde zeggen als dat er een beroep op hem kon worden gedaan en dat hij bereid was om het gebaar te zijner tijd te beantwoorden met een dienst of een gunst.
Behalve de inkomende en uitgaande personen en geschenken werden in de dagregisters ook verleende diensten en ontvangen wederdiensten vermeld. De dagregisters waren vooral een lopende balans, waarin credit en debet werden gewogen, niet op het financiële maar op het sociale vlak. Door nauwkeurig te noteren voor wie hij iets had gedaan en wie wat voor hem had gedaan, kon Huydecoper exact bijhouden bij wie hij krediet had en aan wie verplichtingen. Tegenover de ‘presenten bij mij ontfangen’ stonden de ‘presenten door mijn gedaen’, tegenover de ‘vrinden die bij mij sijn gelogeert’ stonden de ‘vrinden daer ick logeerde’. Op de creditzijde telden vooral de ‘ampten door mijn begeven’. Als Huydecoper iemand aan een baan hielp, markeerde hij die gelegenheid door in zijn dagregister een wijzende vinger in de marge te tekenen. Voor het jaar 1659 maakte hij expliciet de balans op. Hij selecteerde uit zijn dagregister alle gelegenheden dat hij iemand een present had gedaan of een dienst voor iemand had verricht en plaatste die onder de kop ‘notitie van die gene dewelcke door mijn verobligeert sijn’. Daartegenover plaatste hij de ‘notule van de parsoonen aen de welcke verobligeert ben’. 6)
Een onwillige opvolger
Joan Huydecoper moest er nu voor zorgen dat een van zijn zoons hem zou kunnen opvolgen. Hij had er vier. Het plan was dat de oudste Goudestein zou erven, heer van Maarsseveen zou worden, in de raad zou komen en burgemeester zou worden. De anderen zouden genoegen moeten nemen met wat bescheidener functies. Lange tijd leek dat plan te gaan slagen, maar toen sloeg het noodlot toe. De drie oudste zoons, die al lang en breed volwassen waren, kwamen één voor één te overlijden. Het gevolg was dat de ‘overbodige’ vierde zoon uiteindelijk de opvolger moest worden.
Hij heette Jan Elias, ‘Jasje’ in de wandeling. Als kind had hij maar moeilijk kunnen voldoen aan de eisen die aan hem werden gesteld. Hij had aanvankelijk in Amsterdam op de Latijnse school gezeten, maar op zijn dertiende werd hij naar goed gebruik om de discipline te bevorderen uit huis geplaatst. Na bemiddeling door een vriend van zijn vader kon hij in de kost komen bij de rector van de Latijnse school in Utrecht. In september 1682 werd hij door zijn vader naar Utrecht gebracht, maar hij vond het daar maar niks. Toen zijn vader op een avond uit een vergadering thuiskwam, merkte hij tot zijn verbijstering dat Jasje was ‘gedeserteerd’. Huydecoper meldde het onmiddellijk aan zijn vrouw, die zich met de rest van de familie op Goudestein bevond: ‘hoe hij ontfangen is kan U wel dencken.’
De studieperiode van Jan Elias verliep chaotisch en met veel conflicten. Hij spijbelde veel en deed van alles om aan geld te komen. De rector had weinig vertrouwen in de studiecompetentie van zijn pupil, maar moest van de vader alle mogelijke middelen aanwenden om toch enig resultaat te behalen. Intussen was Jasje vaker op Goudestein dan in Utrecht en na twee jaar van diverse escapades en uitspattingen vatte de jongen het plan op om een reis door Azië te gaan maken.
Huydecoper liet weten dat hij de wens van zijn vijftienjarige zoon met grote bevreemding had vernomen. Hij wees de jongen erop dat de hele investering die in zijn scholing was gedaan dan nutteloos zou worden: ‘als ick eens overdenck dat het nooijdt en is gebeurt dat de soon van een regerendt burgemeester soodanigen reijs heeft ondernomen’ en dat voor een burgemeesterszoon zoveel andere wegen openstonden, dan was het absurd om zo’n gevaarlijke reis te ondernemen. Omdat Jan Elias zonder opleiding of ervaring slechts als adelborst of ‘slecht soldaet’ kon worden aangenomen, zou hij ten slotte thuiskomen als ‘een doodt eter, een verlopen soldaet en student’ – geen bijdrage aan de reputatie van de Huydecopers.
Ook deze crisis werd echter overwonnen. Huydecoper wist zijn zoon het plan uit het hoofd te praten en Jan Elias keerde terug naar Utrecht, nu in het gezelschap van één van zijn broers, die daar ging studeren en dan meteen een beetje op hem kon letten. Huydecoper was blij dat de rector hem nog bij zich wilde nemen. ‘Schoon sijne studie niet en heeft het gewenste succes, soo sal hij ten minsten leren gehoorsamen.’
Uitgerekend deze jongen kwam uiteindelijk in de raad van Amsterdam. Hij werd eigenaar van Goudestein en mocht zich heer van Maarsseveen noemen. Het leven van zijn enige zoon, traditiegetrouw Jan genoemd, kreeg plotseling een heel ander perspectief. Als zoon van een ‘overbodige’ zoon had het ernaar uitgezien dat voor hem in de wereld slechts een bescheiden rol zou zijn weggelegd, maar vanaf zijn zestiende leek hij plotseling een gouden toekomst tegemoet te gaan. Hij zou te zijner tijd heer van Maarsseveen worden en het buiten Goudestein erven. Voorzien van die symbolische bezittingen zou hij het hoofd worden van de Huydecopers.
Noten
1. Dit artikel is gebaseerd op de tekst van de eerste Arie de Zwart-lezing, gehouden op 4 oktober 2018 en uitgesproken door Luuc Kooijmans. De inhoud is afkomstig uit zijn boek Vriendschap - de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw. (Amsterdam, 2016).
2. J.F.L. de Balbian Verster. ‘Amsterdam en de groote keurvorst’. Jaarboek Amstelodamum 16 (1918), 121. Zie stadsarchief Amsterdam, archief De Graeff 185.
3. Jan Vos. Alle de gedichten I (Amsterdam, 1662).
4. Utrechts Archief, Archief Huydecoper 53.
5. Utrechts Archief, Archief Huydecoper 2, 53-68, 73.
6. Utrechts Archief, Archief Huydecoper 50.