48e jaargang (bladzijde 68) nr.2 / IN: Periodiek HKM
Criminaliteit in Stichtse Vecht (1530-1811) Deel 2
Wally Smits
In deel 1, gepubliceerd in Periodiek 2021-1, hebben we kunnen zien dat de meeste overtredingen en misdaden bestraft werden met betaling van de proceskosten, een boete en in zwaardere gevallen lijfstraffen en verbanning. Dit deel gaat over de doodstraf, zoals deze tot 1811 door het Hof werd uitgesproken.
De doodstraf
De in de ogen van het Hof zwaarste misdaden werden over het algemeen met de dood bestraft. Slechts een enkele keer werd daar een uitzondering op gemaakt, maar dan zitten we al bijna in de negentiende eeuw. Gerrit van Breukelen uit Maarssenbroek, 25 jaar, kende dat geluk. Hij werd in 1794 wegens diefstal van zilver en ook nog eens wegens twee veediefstallen, slechts veroordeeld tot geseling en het toen al uitzonderlijke brandmerken, maar hij hield het leven. Symbolisch werd hij gegeseld onder de galg met een strop boven zijn hoofd, ten teken dat hij eigenlijk aan die strop had moeten hangen. Aansluitend mocht hij ook nog eens voor de duur van twaalf jaren in een arbeidsritme komen in het ‘s Heerenwerkhuis binnen deze stad’. Na zijn vrijlating werd hij voor eeuwig verbannen.
Nu komt de stapeling van delicten in beeld. Brandstichting (sporadisch, slecht éénmaal in de Vechtstreek), diefstal in combinatie met bedreiging, bedreiging met geweld, dienstdoen bij de vijand, moord in combinatie met overspel, ketterij/tovenarij en kindermoord werden steevast met de dood in al zijn variaties bestraft. In 1631 wordt Jan Ghijsbertsz van der Aa wegens diefstal en bedreiging onthoofd en zijn lichaam werd daarna ook nog eens ’tentoongesteld’. In hetzelfde jaar onderging Louw Heynricksz, geboren in Nigtevecht, hetzelfde lot wegens bedreiging en geweld tegen de pander Gheryt van Dichteren; bovendien werden zijn goederen geconfisqueerd. Hierna komen we in het door mij onderzochte gebied geen doodstraffen meer tegen voor deze delicten. Ze waren er natuurlijk wel als er andere strafbare feiten bovenop kwamen, zoals de zaak van Jan Gerritsz die ik onder Categorie 1 al heb uitgewerkt. Hij was kansloos door de stapeling van bedreiging, geweldpleging, doodslag, verkrachting en mishandeling. Wat dit betreft kan men zeggen dat de straffen wat milder werden in de loop der tijd.
Het begrip ’dienstnemen bij de vijand’ is in de beschreven 280 jaar nogal eens veranderd. Al naar gelang het overheersende geloof of de veranderende coalities, zelfs binnen de provincie Utrecht, kon het zijn dat je in korte tijd van vriend vijand kon worden of andersom. Jasper Jansz uit Kockengen heeft dat in 1569 mogen ervaren. Hij was in krijgsdienst getreden van de heer van Brederode, heer van Vianen, lid van het Verbond der Edelen, dat in 1566 het bekende Smeekschrift aan Margaretha van Parma aanbood. Brederode werd één van de leidende figuren in het begin van de opstand en probeerde zelfs Utrecht en Amsterdam op de Spanjaarden te veroveren. Dat mislukte en na een falende poging om toch weer in de gunst bij Margaretha van Parma te komen week hij uit naar Emden. Hij werd in mei 1568 bij verstek door de Raad van Beroerten ter dood veroordeeld, maar dat had geen zin meer want hij was al in februari overleden. Jasper Jansz bekende ’buyten pyne ende banden van yser’ dat ’ten tyden die guesen ende rebellen laghen binnen Vianen, hem mede begeven heeft in dienste van des heeren van Brederoede, onder den hopman Culenborch’ en dat hij had meegedaan aan de veldtocht naar Amsterdam. Jasper werd ’metter coorde’ geëxecuteerd en zijn goederen werden geconfisqueerd. Hij had dubbel pech want in deze tijd werden vele mensen die dienstdeden bij de vijand, veroordeeld tot het kortstondige experiment om als gevangenen naar de galeien te worden gestuurd.
Ik ga nu even tegen de chronologie in omdat de casus van Jasper Jansz een direct gevolg is van de beeldenstorm van 1566. Deze mislukte in Utrecht en als reactie werden ongeveer 230 beeldenstormers uit de stad en het platteland opgepakt en veroordeeld. Van hen kregen 65 een doodvonnis, de rest werd verbannen. Alva, die eind 1567 de nieuwe landvoogd werd, stelde de Raad van Zijne Excellentie in, beter bekend als de Raad van Beroerten of nog erger De Bloedraad en charterde uit de leden van het Hof van Utrecht twee leden als speciale commissaris in deze roerige tijden. 1) Het Hof werd dus een verlengstuk van de Bloedraad. Alles wat anti-Spaans of anti-rooms was, kreeg met dit fenomeen te maken. Dat is dus de tweede keer dat Jasper Jansz de tijd tegen had. Uitgezonderd de in categorie 1 al besproken Anthonia Willemsdochter, de vrouw van koster Jan Dircxz uit Breukelen die in 1562 werd verbannen, bleef het wat betreft Stichtse Vecht opvallend rustig bij het Hof. De indruk ontstaat dat de Reformatie nog niet erg leefde op het platteland. Wellicht dat het platteland ook niet zo te leiden had onder de hongersnood die in die tijd heerste.
Ruim 30 jaar eerder, in 1534/1535, hadden de wederdopers in Münster hun kortstondige heilsstaat gesticht onder leiding van Jan van Leiden. Tot hun verdrijving richtten ze een waar bloedbad aan. Keizer Karel V was erg kort in zijn politiek tegen dit soort gewelddadige ketters: ’Alle wederdopers moesten worden gedood’. 2) Peter Petersz, blauwverver uit Antwerpen, ontsprong de dans nog net voor de gewelddadigheden uit. Hij werd eind juni 1534 wegens ketterij veroordeeld tot de proceskosten, een geldboete en publieke schuldbelijdenis in de kerk. Hij werd niet eens verbannen. Een jaar later is de situatie anders, dan worden de excessen in Münster gepleegd en volgt een ware klopjacht op wederdopers. Velen werden veroordeeld tot de brandstapel of werden onthoofd en vervolgens tentoongesteld.
Na de verdrijving van de wederdopers uit Münster werden de straffen echter weer milder. Vergiffenis vragen en hooguit verbanning is de straf die al in de jaren ‘50 werd opgelegd. In 1562 moesten Neeltgen Claesdochter - geboren in Vreeland - en Wouter de Vriese wegens ketterij in de kerk hun schuld belijden. Bij haar werd ook nog eens opgemerkt dat ze is verleid tot ketterij. Ketterij - dat wil zeggen het aanhangen van de Reformatie in de vorm van calvinisme of mennisme, de vredelievende vorm van de vroegere wederdopers - werd tot 1580 nauwelijks of slechts licht bestraft. Uitzondering is echter wel de wegens ketterij ter dood veroordeelde Hendrik Eemkens, die in 1562 wel op een heel vreemde manier ter dood werd gebracht. Op de Neude kreeg hij een zakje met kruit om zijn nek gehangen en dat werd met een bos brandend stro op afstand tot ontploffing gebracht. Na de overgang tot de gereformeerde religie als officiële staatsgodsdienst in 1580, werden de andersgelovigen, zoals katholieken, mennisten en joden weliswaar uitgesloten van overheidsfuncties, maar nergens heb ik processen kunnen vinden waarbij sprake is van hun vervolging. Hoewel er voorbeelden te over zijn dat de gewone bevolking vaak botste met andere geloofsgroepen, deed de overheid - dus in dit geval het Hof van Utrecht - geen moeite om hen te bestrijden. Dit gaf ons in het buitenland de naam dat we een tolerant volkje waren.
Hetzelfde kan gezegd worden van de in de zestiende eeuw onder dezelfde noemer als ketterij genoemde hekserij. Vond al in 1533 een inwoonster van Westbroek wegens hekserij/tovenarij de dood op de brandstapel, zelfs in 1595 was het Hof nog niet milder geworden. Ene Volcken Dircks, tovenaar uit de buurt van Amersfoort, had ’den boosen vijant’, de algemene aanduiding van de duivel, aangehangen. Het bewijs was wel erg overtuigend. Hij had een wambuis dat hem kon veranderen in een rat of een wolf. Zijn twee zonen konden dat ook. De veroordeling laat zich raden: de brandstapel. Aanzienlijk anders was de uitspraak in de zaak van Maria de Vette, de weduwe De Ronde uit Breukelen, die ’werk gemaakt heeft om aan jonge dochters, welke bezwangerd waren, … toe te dienen schadelijke kruiden of dranken met het oogmerk om daar door de vrugt of te drijven … ook … bedrieglijke waarzeggerij’. Zij kreeg twee jaar werk(tucht)huis en werd ook toen nog voor de duur van vier jaar verbannen ’uit dit departement’.
Ook in dit soort zaken kunnen we zeggen dat in de loop van de zestiende eeuw het Hof milder is gaan optreden. Het resultaat bleef hetzelfde, maar de doodstraf werd wel een steeds minder bloederig tafereel. Onthoofding, verbranding en verminking komen we in de achttiende eeuw nauwelijks meer tegen. Op de prent van Dirk Kemink uit 1750 zullen we tevergeefs zoeken naar een afbeelding van een verbranding als straf. We komen in de criminele sententies weer niet het radbraken tegen, dat wel weer op de prent van Dirk Kemink voorkomt. In 1710 werd de 21-jarige Cornelia Cornelis, geboren te Honswijk, wegens de moord op haar moeder nog betrekkelijk wreed gestraft. Ze had de vrouw met een stok doodgeslagen. Vanwege de onmenselijke manier waarop zij haar moeder had omgebracht werd ze veroordeeld om ’met de coorde geworgt’ te worden, maar niet alleen dat. Eerst werd de hand waarmee ze de stok hanteerde met een bijl afgehakt en vervolgens werd ze met de gebruikte stok driemaal op het voorhoofd geslagen en daarna zou ze met het koord gewurgd worden tot de dood erop volgde. Daaropvolgend zou het lichaam naar het Zeister Zand vervoerd worden, op een rad gebonden, de hand en de stok eraan vastgebonden en vervolgens ’tentoongehangen’ worden. Voor een goed begrip: ze werd niet opgehangen maar aan een paal gebonden en van achteren gewurgd met een touw; dat is de betekenis van de dood ’metter coorde’.
Hoewel de 19-jarige Gerrit Claesse Boij alias Schonauwen, geboren in de Gagel, geen moord gepleegd had, kreeg hij toch het doodvonnis met het koord. Hij had maar liefst negen misdrijven op zijn geweten, waarvan zeven diefstallen, soms in combinatie met inbraak onder andere bij de gerechtsbode van Westbroek. Voor ons is hij interessant omdat hier een ’mooi’ voorbeeld van het zogenaamde ’beksnijden’ is beschreven. Zijn misdrijven vonden plaats in de periode 1721-1723. Allereerst werd hem door het Hof verweten dat - hoewel hij geleerd had om met boerenwerk de kost te verdienen - hij zich op het dievenpad had begeven en zich ook aan andere snode feiten had schuldig gemaakt. Allereerst had hij op de Maarssense kermis tijdens het koekhakken woorden gekregen met een molenaarsknecht. 3) Een kwartier na de woordenwisseling, terwijl de knecht ’sijn water loosde’, heeft hij hem van achteren aangevallen en met zijn mes een snee in het gezicht gegeven. Een half jaar later deed hij dit beksnijden zonder enige aanleiding nog eens in Zuylen. Bij het loodhuis ontmoette Gerrit Claesse in gezelschap van een vriend een hoedenmakersknecht die op weg was naar Breukelen. Ze wezen hem de weg en tegelijkertijd pakte Gerrit zijn mes en gaf hem een snee over het gezicht. Zijn vriend voegde daar nog aan toe dat de knecht dat onderweg mee kon nemen. Vreemd gevoel voor humor. Hoewel het beksnijden voor het gewone volk niet iets vreemds was, was het dit voor de gezaghebbers wel, vooral in combinatie met een spoor van inbraken en diefstal. Ook Gerrit Claesse Boij werd met het koord gestraft en tentoongesteld op het Zeister Zand. Daar werd hij ook aan de galg gehangen.
Zou dan de moord als gevolg van liefdesverdriet, de crime passionel, iets milder bestraft worden? De 33-jarige weduwnaar Hendrik Hageman uit Baambrugge heeft daar niets van gemerkt. Hij had zijn oog laten vallen op Johanna Kreuger uit Loenersloot en kreeg daar ook verkering mee. Toen hij haar ten huwelijk vroeg, weigerde zij toch in verband met de schulden die hij had. Korte tijd later bemerkte hij dat een bekende bij haar was en dat die ook plannen tot een aanzoek had. Ze zouden zelfs getweeën naar Amsterdam gaan. Hendrik werd steeds droeviger en vertrouwde een meid van de boerderij waar hij werkte toe, dat hij de hoop opgegeven had om een goede moeder voor zijn dochtertje te vinden. Op een kwade dag had hij zowel in de ochtend als in de middag sterke drank genuttigd. Er staat echter wel in het vonnis dat hij daardoor niet van zijn verstandelijke vermogens ’verstoken zoude geweest zijn’; hij was dus niet verminderd toerekeningsvatbaar, zoals we nu zouden zeggen. Hij ontmoette Johanna terwijl ze thee zat te drinken, gedroeg zich erg lomp en trok plotseling een mes uit zijn broekriem waarmee hij haar doodstak. Daarna bedreigde hij het dochtertje ook nog eens met de dood. Het Hof had weinig medelijden met hem. Hendrik moest de kosten van het proces betalen en werd veroordeeld tot de strop; hij werd dus opgehangen. Ditmaal – tijdens de winter van 1810 - sprak het Hof in naam van keizer Napoleon Bonaparte. Lodewijk Napoleon was bij zijn broer in ongenade gevallen en het Koninkrijk Holland was opgenomen in het Franse Keizerrijk.
Als laatste in deze trieste rij vinden we de kindermoord. Ook hier had het Hof weinig aandacht voor de vaak trieste en wanhopige achtergronden die hiertoe hadden geleid. Aegien Huijberts - 20 jaar en geboren in Loenen - had al als 16-jarig dienstmeisje in Ankeveen een kind gekregen. Op haar 19e, ditmaal als dienstmeid in Cortrijk, werd ze weer zwanger, deze keer van de knecht. De vrouw des huizes zag wel dat ze zwanger was maar Aegien bleef ontkennen. Haar wanhoop werd echter steeds groter en op een gegeven ogenblik sprong ze in het water om zich te verdrinken. Tot inkeer gekomen klom ze weer op de kant en ging op haar bed liggen waar ze beviel van een meisje. Toen de baby ging huilen heeft ze zeker een kwartier haar hand op het mondje gehouden waardoor het kind stikte. Vervolgens heeft ze ook nog eens een linnen lap om de keel van het kind getrokken. Het dode lichaampje verborg ze in het stro onder haar bed. Eind juli 1733 luidde het vonnis dat ze aan een paal gebonden zou worden met een pop boven het hoofd, en daar gewurgd zou worden. Vervolgens zou het dode lichaam naar het Zeister Zand gebracht worden ’anderen ten afschrik en exempel’.
De 23-jarige Maria Oerhaen heeft van dit exempel niets geleerd. Zij was dienstmeid in Amsterdam en werd daar zwanger. Omdat ze ontkende, liet mevrouw haar door een vroedvrouw onderzoeken en die constateerde dat ze een bijna voldragen vrucht in zich had. Het kind had zich al gekeerd en zou dus binnen veertien dagen ter wereld komen. Het gevolg was ontslag, maar ze kreeg nog wel wat kindergoed mee. Op Pinkstermaandag vertrok ze met haar zwager via Vreeland naar Slootdijk bij Loenen en nam haar intrek in een logement. Tegen de pijn in haar rug dronk ze de nodige brandewijn. Vervolgens is het tweetal vertrokken richting Loenen waar ze een hapje hebben gegeten. Daarna zijn ze richting Nieuwersluis gelopen en toen de barensweeën wel erg heftig werden, kwam de zwager op het idee om langs de Vecht te gaan zitten en het kind daarin te laten vallen tijdens de bevalling. Ze sloegen ’zeecker laentje bij de hofstede Nieuwerhoeck’ in. De knecht van Nieuwerhoek, die toevallig de deur van het ’plancketsel’ (houten omheining) opendeed, vroeg nog of hij kon helpen maar zijn hulp werd afgewezen. Terwijl de zwager op de uitkijk stond, liet Maria zich in het water zakken en beviel van een kind, dat ze in het water liet liggen om te verdrinken. De nageboorte is ze bij het ’plancketsel’ kwijtgeraakt. Vervolgens ging het tweetal naar de gemene weg (Straatweg), waar ze bij het tolhek uit elkaar zijn gegaan, richting logement in Slootdijk. Ook dit bizarre verhaal eindigt op het Paardenveld waar Maria aan een paal werd gebonden met een pop boven haar hoofd, om gewurgd te worden. Haar lichaam eindigde op het Zeister Zand om op een rad gezet te worden om weer voor anderen als ’afschrik en exempel’ te dienen.
Nawoord
Het zou te ver gaan en ook geen meerwaarde hebben om naar volledige weergave van alle criminele sententies te streven. Vandaar dat het bij een bloemlezing is gebleven van voorbeelden van strafbare feiten die in de Vechtstreek zijn gepleegd. Ieder voorbeeld had door een ander voorbeeld uit een andere plaats vervangen kunnen worden, maar ik heb iedere kern van Stichtse Vecht aandacht gegeven. Terugkomend op mijn vraag in de inleiding bij deel 1 of er een ontwikkeling in de rechtsgang is te bespeuren, kan ik met de nodige reserves opmerken dat het extreme geweld - zoals onthoofding, verbranding en het afhakken van lichaamsdelen - in de loop van 280 jaar verdwijnt en dat er ook alternatieve straffen komen zoals de spin- en rasphuizen. Vreemd genoeg worden de ex-gevangenen na hun ontslag uit het spin- en rasphuis steevast ook nog eens verbannen uit de provincie Utrecht.
De drie westelijke provincies Utrecht, Holland en Zeeland geven wel de indruk dat ze zich bijzonder verheven voelden op het gebied van veiligheid en het handhaven daarvan, getuige de veelgelezen uitspraak ’in een land waar justitie vigeert’ (toegepast wordt, regeert). Ze stegen toch wel uit boven de wetteloosheid en chaos van de omringende provincies en met name de Generaliteitslanden, waar vele veroordeelden vandaan kwamen. Ook werd met een zekere trots vermeld dat de meeste gevangenen bekend hadden zonder gemarteld te worden; dat was dan ook in hun ogen iets middeleeuws. Velen werden echter wel voorafgaand aan de bekentenis op de pijnbank gelegd. Waarschijnlijk uit angst voor een herhaalde marteling bekenden de meesten ’sonder pijn en banden van ijzer’. Laten we dit maar een tussenstap noemen op weg naar afschaffing van de pijnbank. We schuiven heel langzaam in de richting van ons moderne rechtssysteem, hoewel we nog wel tot 1870 moesten wachten tot in Nederland de doodstraf officieel werd afgeschaft en pas in 1983 uit het militaire strafrecht verdween.
Noten
1. Jan van Vliet, Ketters rond de Dom (Utrecht 1987) 44 e.v.
2. Idem. p. 20 t/m 25.
3. Niet te verwarren met koekhappen dat men in die tijd eigenlijk onhygiënisch vond. Met koekhakken werd een vettige platte koek met een bijltje of knuppel in bepaalde geometrische stukken verdeeld. Voldeed men aan de opdracht dan volgde de beloning, mislukte de ‘mepperij’ dan moest men aan de exploitant een bepaald bedrag betalen.