48e jaargang (bladzijde 134) nr.4 / IN: Periodiek HKM
De klapbrug van Zuilen
Tineke Barneveld
In de zestiende eeuw lag er over de Vecht in Zuilen een vaste, houten brug. Dat gaf problemen als er een groter schip wilde passeren. Met paarden werd de brug dan naar de oever getrokken en na het passeren van het schip vanaf de andere kant weer met paarden op zijn plaats getrokken. Gelukkig was het scheepvaartverkeer in die tijd minimaal en platte schuiten konden onder de vaste brug door.
In 1572 waren de Nederlanden in oorlog met de Spanjaarden en de vijand belegerde Zutphen. Een gevolg was dat de IJssel door de veroveraars werd geblokkeerd. De toegang tot de Zuiderzee werd daarom verlegd naar de rivier de Vecht. Deze werd hierdoor intensiever bevaren en het was geen doen meer om telkens in Zuilen de ‘vaste’ brug te verslepen.
Op 29 april 1584 besloot de gemeenteraad van Zuilen een ‘eenklapswipbrug’ te laten plaatsen. Dit ging de kleine gemeenschap natuurlijk veel geld kosten, maar door een tol in te stellen zouden de kosten binnen de perken kunnen blijven. Al met al duurde het vijf jaar voor het plan werd gerealiseerd en in 1589 werd deze ‘optreckende brug’ zoals die werd omschreven, geplaatst. De verdediging van het dorp was er ook bij gebaat, aangezien een inval vanuit het westen door het ophalen van deze nieuwe brug kon worden verhinderd. Dat de mensen die aan de westzijde woonden dan ten prooi vielen aan de vijand, was blijkbaar niet zo belangrijk…
De eerste ‘wipper’, zoals hij werd genoemd, was blijkbaar niet zo stevig, want op 29 november 1608 werd hij al vervangen door een verbeterd exemplaar. Voor het openen van een klapbrug was veel energie nodig, want er was geen contragewicht aanwezig. De klapbrug werd opgevolgd door een wip- of ophaalbrug. Zo’n brug was wel uitgerust met een contragewicht, maar het kostte nog steeds veel moeite om de brug te bedienen.
Pacht, tol en onderhoud
Een brugwachter of brugmeester pachtte de brug voor een jaar en de pacht werd betaald aan de schout van Zuilen. De brugwachter moest zijn pacht terugverdienen met het doortochtgeld van passerende schepen. Ook inde hij het tolgeld dat weggebruikers moesten betalen. In 1646/1647 werd er een tolboom geplaatst aan de brug.
De tolgelden bedroegen destijds:
- Ieder voiture met 6 paarden 8 stuiver
- Ieder voiture met 4 paarden 6 stuiver
- Ieder voiture met 2 paarden 3 stuiver
- Alle open wagens met 2 p. 2 stuiver
De Heer van Zuylen, Adam van Lockhorst, behoefde geen tol te betalen; hij kon ‘t Santpadt vrijelijk gebruiken van de Rooie brugge tot de Dirck Jan Huygensbrugge. Zo werd de brug genoemd in die tijd, maar wie deze Dirck Jan was, is onbekend. In 1693 treffen we Luyt Aerts van de Uytterdijck aan als brugwachter. Luyt was ‘eene jonge man uit Zuylen’ en hij was in 1674 gehuwd met Petronella Jans van de Rondemergen uit Amsterdam. Het kinderloze echtpaar woonde samen in de kleine brugwachterswoning tot de dood van Luyt in 1706.
In 1716 komen er wat meer bijzonderheden. Dan wordt de brug voor een jaar verpacht aan Gerrit Dircsen Sageman voor f 650. Tevens moest de pachter f 3 betalen aan de Domeinen als een soort belasting. De vaste klanten, zoals beurtschippers, betaalden maximaal f 45 per jaar per schuit.
In 1717 moest de brug in de revisie en werden ‘de balancen, ’t gebint, de vloer en diverse balken’ vernieuwd. Kosten f 140. Leuk om te vermelden is dat de aanbesteding werd gegund aan Anthonie van Oostveen, maar Roel Willemsz. deed de klus voor f 139; de schout ontnam Anthonie de gunning en gaf de opdracht aan Roel voor één gulden verschil! Men lette ook toen op de kleintjes. Als voorwaarde werd gesteld dat de stangen ‘zodanig op en neder kunnen gaan dat een vrouwspersoon die zonder katrol zal kunnen op en neder trekken, zonder dat dezelve in ’t aenlopen tegen het gebint hart aenslaet’.
Na de revisie werd de brug geschilderd in 1718. De aanbesteding van deze klus werd voor een prijs van f 18 aangenomen door Gelmert Veerman. Voor dat bedrag moesten de gebinten tweemaal geschilderd worden met witte verf met loodwit erin. De balancen moesten tweemaal met Engels bruin geschilderd worden. Ook de leuningen, banken, de deur en de kozijnen van het brughuis moesten in Engels bruin. De ramen van het brughuis werden voorzien van witte verf met loodwit. Veerman wordt gesommeerd alleen te verven bij ‘bequaam weer, nadat het alvorens drie dagen droog weer is geweest’ .
In de wijnmaand 1809 meldt de secretaris van Zuylen A. Niekerk aan de Drost van Utrecht het navolgende: ‘dat er verder eene Tol wordt geheven over en door de valbrug te Zuylen waarvan vrij zijn de bewoners der Stad Utr. en het dorp Zuylen. Te weten wat het passeren over de zelve betreft van:
een wagen met twee of meer paarden bespannen 1 stuiver
voor een paard 1 oort
voor een hoornbeest 1 duit
voor een schaap of varken 1 penning
voor een mensch 1 duit
voor elk schip of schuit door de selve passeerende 1 stuiver
hoewel zoo de selve 2 uuren voor of na zon passeeren dubbel geld wordende geheven’
Na de houten eenklapper kwam de ijzeren tweeklapper. De inschrijving voor de dubbele ophaalbrug in 1907 varieerde van f 4.079 tot f 4.627. Het is de brug die op veel oude foto’s en ansichtkaarten te zien is . De brug lag in de dorpskern van Oud-Zuilen vlakbij de ingang naar Slot Zuylen, de herenhuizen Groot- en Klein Zuylenburg, de pastorie Swaenenvecht, het Rechthuis en de Nederlandse Hervormde Kerk. Gemeenteschool nr. 1 (later Koningin Emmaschool genaamd) stond naast het brughuis en het gemeentehuis van Zuilen stond er tegenover.
Welke schepen kwamen er zoal door de klapbrug van Zuilen?
Natuurlijk waren dat de vletten met klei voor de panovens en schepen van beurtschipper Mur uit Breukelen voor meelfabriek de Korenschoof in Utrecht. De Chinchona, het schip van de kininefabriek, passeerde regelmatig en ook het houtschip van de fa. Jongeneel uit Utrecht en het vrachtschip Vecht en Zaan. Op zaterdag werden koeien aangevoerd voor de markt op het Vreeburg en op maandag passeerden schepen met paarden voor de markt op het Paardenveld. De dieren werden gelost bij de Bemuurde Weerd en verder de stad in gedreven. Onsmakelijk detail is dat ook strontvletten door de brug van Zuilen kwamen: gierpramen met rioolafval uit de Utrechtse ziekenhuizen. De pramen werden gelost op de tuinderijen bij de Zuilense poldermolens. In het dorp sprak men dan van ‘vlaggetjesdag’ gezien het wc-papier dat uit de lading stak.
De brugwachter inde het bruggeld door een hengel met een klomp eraan naar de schipper te gooien. De schipper deed het verschuldigde geld in de klomp en de brugwachter haalde zijn vangst binnen. Een traditie die in onze eenentwintigste eeuw zo goed als verdwenen is, omdat de bruggen nu met behulp van camera’s op afstand worden bediend. De brug in Oud-Zuilen wordt tegenwoordig zo bediend vanaf de Termeerbrug in Maarssen.
Wat verdiende de brugwachter?
Het salaris van de brugwachter van Zuilen is niet bekend. Een indicatie is de advertentie van de gemeente Maarssen in 1925 waarin een brugwachter gevraagd wordt voor de Dr. A.R. van Lingebrug. De jaarwedde bedraagt f 500, plus vrij wonen en een nader te bepalen percentage voor inning van de overgangsrechten. Om zijn inkomsten te vergroten was de brugwachter in Zuilen tevens lantaarnopsteker. In de winter liep hij met een ladder op zijn rug naar de hoek van het Eikenlaantje (nu Slotlaan), dan naar het andere einde van de Dorpsstraat bij Diedrichstein, vervolgens naar het hek van de oprijlaan naar het Slot en tot slot naar de viersprong met de Daalseweg, bekend om zijn ‘luizenboom’, om de petroleumlampen aan te steken. ’s Morgens werden de lampen door hem weer gedoofd. Vanaf 1935, toen een nieuwe brug werd geplaatst, werd het pachten van de brug afgeschaft en kwamen de brugwachters in dienst van de gemeente.
De brug in Oud-Zuilen is altijd een ontmoetingsplaats geweest in het dorp. Diegenen, die geen werk hadden en als dagloner te boek stonden, verzamelden zich rond de brug tot zij gehuurd werden voor een groot of een klein karwei. De dorpelingen noemden hen ‘baliekluivers’ omdat zij over de leuning van de brug hingen in afwachting van werk. Ook de jeugd verzamelde zich rond de brug om te gaan spelen of om kattenkwaad uit te gaan halen.
Bij de brug van Zuilen heeft eeuwenlang een brughuis gestaan. Op de prent uit 1788 is een dergelijk huis te zien. Hoe oud het huidige brughuis is, is niet bekend. Vermoedelijk is het gebouwd rond 1870. Aan de zijgevel aan de waterkant hing jarenlang een tarievenbord waarop te lezen was hoeveel het doortochtgeld bedroeg.
Schuijlenburg, een explosieve brugwachter.
Gerrit Schuijlenburg (1891-1954) kwam op oudejaarsdag 1926 samen met zijn vrouw Sophia Klarenbeek wonen in het brughuis bij de tweeklapsbrug in Zuilen. Hun geadopteerde dochter Bep was toen zeven jaar oud. Schuijlenburg werkte daarvoor als tolwachter in Huizen. Die tol werd echter opgeheven en hij pachtte de brug van de gemeente Zuilen. Zodra hij een scheepstoeter hoorde, schoot de brugwachter in zijn klompen en haastte zich om de slagbomen dicht te doen en de brug open te trekken. De brug moest met z’n tweeën geopend worden en zijn vrouw Sophia assisteerde hem erbij. Omdat hij altijd in de nabijheid van de brug was, fungeerde hij ook af en toe als getuige bij aangiftes van geboorte in het gemeentehuis van Zuilen. Hij trok er dan wel even zijn nette jasje voor aan. Schuijlenburg was een explosief en driftig mens. In het dorp zei men dat hij van het vloeken een wetenschap had gemaakt. Hij had een tuinderijtje langs de Zuilenselaan en als er een schip aankwam, blies Sophia op een fluitje en scheldend en tierend kwam Gerrit dan aanhollen.
Het waren vaak bekende schippers die de brug passeerden. Als het schip van houthandel Jongeneel voorbijkwam, gooide de schipper met opzet een paar planken in de Vecht. Schuijlenburg viste de planken uit het water en had daarvan aan de overzijde van de weg, in het bos van Groenhoven, een flink kippen- en eendenhok getimmerd. Als Schuijlenburg eieren ging rapen in het kippenhok, waren de schoffies van het dorpsschooltje niet te beroerd het houtje van het kippenhok dicht te schuiven en zat de ongelukkige brugwachter opgesloten en luid te vloeken tot de volgende pauze.
Op een stille zaterdagochtend werd de rust in het dorp wreed verstoord doordat de brugwachter te water was geraakt en scheldend in de Vecht dreef. Het halve dorp stond in ondergoed en pyjama langs de kant het schouwspel te bezien. Juffrouw Schuijlenburg jammerde: zij hadden samen de brug moeten openen voor de veeboot en haar man was uitgegleden. Een ladder werd toegestoken om haar woedende man weer op het droge te krijgen.
Om zijn loon wat aan te vullen werkte Schuijlenburg regelmatig in de tuin van dominee De Groot op Swaenenvecht. In juni berekende hij voor de dominee 17,5 uur á 40 cent, totaal 7 gulden en dan nog 75 cent voor het leveren van 250 spruitkoolplanten. De predikant was blijkbaar dol op spruitkool. In de oorlogsjaren, toen voedsel schaars was, trok Schuijlenburg er in de hele vroege uurtjes op uit naar het vlakbij gelegen weiland van boer Walderveen. Uit elke koe molk hij een beetje melk; zo zou de boer geen argwaan krijgen.
Gelukkig had de brugwachter een vrouw getrouwd met engelengeduld. Sophia Schuijlenburg was een zeer gelovige vrouw en werd in het dorp met respect júffouw Schuijlenburg genoemd. Zij hielp haar man op de brug en haar huisje was uiterst proper. Zij betreurde het zeer dat er in het dorp geen rooms-katholieke kerk was. Daarvoor was zij aangewezen op de Heilig Hartkerk in Maarssen of de Ludgeruskerk in Utrecht. Schuijlenburg is jarenlang ziek geweest en was aan bed gekluisterd. Sophia verpleegde de vermoedelijk niet zo geduldige patiënt en nam ook zijn werk over. Hij overleed in 1954 en Sophia heeft daarna nog tot haar 65e jaar in 1958 de brug bediend. Naast haar AOW ontving zij van de gemeente Maarssen een wekelijkse gratificatie van f 7,50. Bij haar afscheid als brugwachteres kreeg zij een receptieboek met handtekeningen en hartelijke woorden van de bevolking van Zuilen. Tevens werden haar een theemeubel, een theeservies, een haardkleedje, twee kandelaars en een paar nieuwe schoenen cadeau gedaan, plus een bon voor nieuwe overgordijnen. Latere brugwachters waren Diekema, Albrecht en tot 2007 zat Gijs van Eijk op de brug. Hij woont nog steeds met zijn vrouw Corrie in het brughuis.
De D.M. Plompbrug.
In 1934 was de vervallen tweeklapper aan vervanging toe. Er kwam een stalen ophaalbrug die vernoemd werd naar de Zuilense wethouder Dirk Marie Plomp. De bovenbouw is vervaardigd door Werkspoor in Nieuw-Zuilen. De onderbouw is aanbesteed aan de laagste inschrijfster, de N.V. Industriële Maatschappij, v/h J.W. Bronwasser te Breukelen. Totale bouwkosten, inclusief het afbreken van de oude brug, bedroegen f 27.800. De Plompbrug werd direct naast, iets ten zuiden van de tweeklapsbrug gelegd. De brug werd uitgerust met knipperlichten en kon automatisch worden bediend. Véél gebruiksvriendelijker natuurlijk, maar is ie mooi? Hij ligt er al bijna 90 jaar; zou hij niet eens vervangen moeten worden door een fraaie tweeklapper? Desnoods een eenklapper die mooi past in het beschermde dorpsgezicht van Oud-Zuilen. De inwoners van Oud-Zuilen hopen erop!
Bronnen
Archief Cees Bloemendaal.
Inventaris van de Archieven van het gerecht Zuilen en Swesereng 1611-1813. Het Utrechts Archief, dossier 76, Huis van Zuilen.
De Ingenieur, tijdschrift Bouw- en Waterbouwkunde 1936.
Gesprekken met mevr. E.G. de Graaf-Theebe, genaamd Schuijlenburg en de heren Maarten van Bart, Willem Schieveen en Cees Koning.